Reactie op 'Verantwoording' (2)

1974-05-31
  • Jaargang 18
  • nummer 22
Ik wil in antwoord op het artikel van prof. Douma iets zeggen over de inhoud ervan en ook over de vorm, de manier van polemiseren.
Het gaat mij er niet om, met deze reactie van mij een polemisch persgesprek op gang te brengen. Wat mij betreft blijft het bij deze keer. Maar het zou de bedoeling van mijn gepubliceerde verantwoording te zeer schaden, als ik deze bestrijding onbeantwoord liet.

• De hoofdzaak

Een groot bezwaar, dat ik tegen Douma's artikel heb, is dat hij de hoofdstrekking van wat ik heb willen zeggen, niet aangeroerd heeft. Ik zeg niet, dat wat hij wel noemt, onbelangrijk zou zijn of zich slechts aan de rand van de problematiek zou bewegen, maar de hoofdstrekking van wat ik schreef, was toch: terug naar de wortel waaruit de vrijmaking opgekomen is, de schriftuurlijke opleving in de dertiger jaren. En dat aan beide kanten van de scheur. Ik vind namelijk dat de ontwikkeling van de vrijgemaakte kerken in de vijftiger jaren ons danig van dit apropos afgebracht heeft. En dat we nu de rust die we van elkaar gekregen hebben, moeten gebruiken om die
ondergestoven wortel weer bloot te leggen en om wat onderstroom geworden is, weer bovengronds te krijgen. Daarbij kijk ik naar twee kanten.
Lk vind het jammer dat Douma deze visie van mij niet doorgegeven heeft aan zijn lezers. Nu staat er alleen, dat De Jong op dit moment niet gelooft in het nut van samenspreking om tot hereniging te kramen. Daarop wordt dan gereageerd met een wel wat snel 'ik ook niet' en de schuld van dat 't niet kan wordt naar mijn kant geschoven, omdat ik met mijn voorlichting naar buiten toe de binnenverbanders heb beklad.
Maar ik schreef toch, dat als we aan beide zijden van de streep terugtasten naar de wortel van de vrijmaking, we dan meer doen aan hereniging dan door moeizame samensprekingen? Ik bedoel maar: is wat ik schreef niet positiever dan Douma meent?
Zullen we nog eens bij elkaar komen, dan zal daar toch eerst een periode van vreedzame coëxistentie aan vooraf moeten gaan, een periode die we gebruiken moeten om wat 't wezenlijke betreft elkander naderbij te komen. We staan immers in dezelfde traditie?

• Onethische voorlichting?

Ja, maar, zal Douma zeggen, dan wèl, vooral in een voorlichting naar buiten, elkaars eer- en goed gerucht naar vermogen voorstaan en bevorderen! Zeker, maar is niet te snel vastgesteld, dat ik daarin gefaald zou hebben? 't Is waar, ik schreef: "de scheur gaat wel diep. Zij van hun kant schilderen ons af als het allergevaarlijkste dat er bestaat. Zelfs als we iets goeds zeggen of doen, zijn we er nog des te gevaarlijker om".
Dat wordt bij Douma: "wij worden afgeschilderd als lieden die niet zullen nalaten, zelfs als er iets goeds van de buitenverbanders te melden valt, dat als zeer gevaarlijk te brandmerken". Maar dat is toch wat anders? Dat goede wat wij zeggen of doen, wordt heus wel als goed aangemerkt, maar wij zijn er des te gevaarlijker om; het goede komt uit de niet-goede hoek, dat is het verwarrende.
Als wij alleen maar het kwade lieten horen of zien, dat van ons te verwachten is, dan waren we niet gevaarlijk. Douma moet ons geloven, dat we deze redeneersoort vaak tegenkomen, Ja, maar bewijs dat nu eens?
Moet dat nu altijd in die zin, dat je in een bepaald blad kunt aanwijzen: daar en daar, jaargang nr. zoveel? Ik ben lezer van het Nederlands Dagblad. Daar kom ik het weleens tegen. Maar daar ga ik geen gegevens van bijhouden.
Ik kan het dus niet bewijzen op een juridische manier. Maar moet je er dáárom over zwijgen? De image van een kerk of groep wordt toch lang niet alleen bepaald door wat er zwart op wit in een blad geschreven staat, toch ook voor een groot deel mede door de bejegening die je ondervindt als je met leden van die kerk of groep in aanraking komt? Ik weet dat er bemoedigende uitzonderingen zijn ten aanzien van het verschijnsel dat ik nu op het oog heb, maar ik weet ook dat 't uitzonderingen zijn. Douma moet wat voorzichtiger zijn met de redenering: het kan niet bewezen worden, dus is het niet waar. Laat hij bedenken, dat ik tamelijk zeker ben .van mijn typeringen.
Ook als ik voorzichtig de indruk' naar voren breng, dat wij eruit moesten om voor de verontrusten plaats te maken, zeg ik niet zomaar wat. Als men bijvoorbeeld het artikel leest, dat de heer Basoski schreef in een oudjaarnummer van het Nederlands Dagblad, na de dagen van het conflict (nog eens, nummers interesseren me niet), dan kan men begrijpen, hoe het tot zo'n vermoeden komt. En trouwens, als zoiets eens tegen je gezegd is, dan vergeet je dat zomaar niet. Persoonlijk heb ik geen bewijzen nodig.
Maar heb ik deze dingen in mijn verantwoording naar voren gebracht om kwaad te spreken?
Nee, om te typeren. Douma heeft toch kunnen constateren, dat ik in m'n stuk ook enkele typeringen weggeef van het buitenverband, die er bepaald niet om liegen (sentimentele variant van het binnenverband. bijvoorbeeld), terwijl ik, aan de andere kant, m'n best gedaan heb om begrip te vragen voor hen, die de tucht over ons gehanteerd hebben. Dat moest hem toch overtuigen van de zuiverheid van mijn bedoelingen?
Ik heb me ingespannen om voor een zeer kritisch publiek, (vooral in Amsterdam), als vrijgemaakte tout court te spreken, solidair met beide delen van de vrijgemaakte kerken, al behoor ik tot één ervan.
Ik vond het goedkoop om daar de brede, verlichte, oecumenisch ingestelde vrijgemaakte uit te hangen, die ik trouwens ook niet ben. Vandaar mijn sterk solidaire begin en ik ben er gelukkig mee geweest, dat deze solidariteit door mijn niet al te welwillend publiek opgemerkt is.
Ethisch voelde ik me toen geslaagd. Daarmee ben ik nog niet geslaagd, ik weet het. Maar ik had niet verwacht, dat iemand zelfs dit trachten zou kunnen ontgaan.
Ik heb voor het studentenpubliek in Utrecht en Amsterdam niet in de eerste plaats verdedigend gesproken, maar open en verlegenheden niet bemantelend, inzicht verschaffend in problemen, waarmee geworsteld wordt.
Ik kan me namelijk niet zo goed vinden in dat tamelijk typerende embleem van het GPV: dat kasteeltje met die verdedigingskantelen.
Misschien is er op dit punt een verschil in attitude tussen Douma en mij, dat voor misverstanden tussen ons zorgt. Al moet 't me eerlijk van het hart, dat ik verwachtte anderen uit zijn kerken tegenover mij in de ring aan te treffen. Niet de gematigde Douma. Maar, kan de gematigde ds Wielenga uit Rotterdam soms ook niet ontzettend fel uit de hoek komen? Wat is dat toch voor een verschijnsel! Ongemak?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief