Thomas van Aquino (1225-1274)
1974-05-31
Over zijn werk Thomas is beroemd geworden vanwege zijn denk- en leersysteem.- Jaargang 18
- nummer 22
Dr. A. Kuyper heeft in het eerste deel van zijn encyclopedie der heilige godgeleerdheid. Thomas een hoge plaats toegekend onder de doctores ecclesiae, de leraren der kerk.
Hij zegt dat Anselmus van Canterbury, Petrus Lombardus en Thomas van Aquino de drie machtige leraren der kerk zijn, die het gebouw van de scholastiek hebben opgetrokken.
Kuyper is over dat gebouw van de scholastiek nogal te spreken al heeft hij zijn kritiek. Hij is van mening. dat Thomas in zijn meest bekende en voornaamste werk, zijn Summa Theologiae zijn dogmatiek zouden wij zeggen "de Scholastiek haar rijpste en zuiverste vrucht" gegeven heeft.
Thomas heeft zich met "zijn reuzenkracht op de centrale wetenschap der Theologie" geworpen. Daardoor kwam het licht dat hij over de dogmatiek verspreidde "aan heel de Theologie ten goede". Kuyper spreekt zelfs over Thomas' terugkeer naar de H. Schrift".1) Daar hebben de reformatoren, en met name Melanchton in de eerste druk van zijn dogmatiek, wel anders over gedacht.
Die meenden dat zij va Thomas naar de heilige Schrift moesten terugkeren. Dat Thomas in de formele kwestieën. schrijft Kuyper, bijna altoos van Aristoteles uitgaat.
kan hem niet tot verwijt strekken." Hierin toch spreekt zich slechts het besef uit, dat over het karakter der wetenschap in formele zin niet uit de H. Schrift kan geargumenteerd worden, die zich immers niet tot taak stèlt, ons desaangaande openbaring te geven, maar moet geargumenteerd uit de ratio; iets wat ook nu nog elk gezond theoloog toestemt." (2e druk van bovengenoemd werk, blz. 107).
De tweede druk van dit werk van Kuyper is van 1908.
Later is men in onze kringen over sommige van de door Kuyper hier aangeraakte zaken wel wat anders gaan denken. Vollenhoven publiceerde zijn indringend werk over de noodzaak van een christelijke logica. 2) Hij meende te kunnen aantonen dat ook in de zogenaamde formele wetenschappen het christelijk geloof van grote fundamentele betekenis is. Van dezelfde prof. Vollenhoven is in 1933 verschenen zijn werk: "Het Calvinisme en de Reformatie der wijsbegeerte". 3) Hij weet in Thomas' denken te waarderen dat deze de ondragelijke spanning tussen natuur en genade, die in het middeleeuws denken voor hem aanwezig was, deed plaats maken voor een erkenning van het verband tussen deze twee "terreinen".
Maar zo gaat Vollenhoven verder, op blz. 204, aan de andere zijde deed het streven naar een christelijke philosophie hier toch een geweldige stap achteruit. Thomas verzette zich tegen Augustinus, die tot dan toe een enorme invloed had gehad in het christelijke denken in de westerse christenheid. En dat niet alleen, Thomas keerde zich feitelijk tegen heel de christelijke philosophie, wanneer hij aan de wijsbegeerte als enige kenbron de Aristotelisch opgevatte "natuur" en als enig orgaan de "natuurlijke" rede - evenals Aristoteles verstaan -, toewijst. De "bovennatuurlijke" theologie kan het ook naar de mening van Thomas niet stellen zonder menige correctie die dan aan de heilige Schrift moet worden ontleend.
Vollenhoven heeft waardering voor Thomas' bedoeling en ook voor zijn gigantische strijd, die hij zowel tegen de nominalisten als tegen het realisme van de wereldlijke geestelijken en anderen, heeft gevoerd.
Maar dit alles mag ons niet blind doen zijn - schrijft hij op blz. 215 - voor het feit dat Thomas zijn resultaat niet uitsluitend verkreeg door een harmonistiek welke noch aan de heilige Schrift noch aan Aristoteles recht deed wedervaren.
De veel hogere prijs die Thomas voor het resultaat van zijn wijsgerig stelsel betaalde was die van de secularisering van de wijsbegeerte.
Na de staat, de handel en het bedrijfsleven, werd door Thomas nu ook de. wijsbegeerte losgemaakt, niet maar van de kerk, maar wat veel erger is, van de Woordopenbaring.
Met het zoeken naar een schriftuurlijke wijsbegeerte is het hier gedaan, aldus Vollenhoven. De paganistische, d.w.z. de heidense wijsbegeerte van Aristoteles is het filosofisch systeem voor immer geworden.
Dit is diepgaande, fundamentele kritiek van Vollenhoven.
Nu zult u misschien denken, Vollenhoven heeft het over de filosofie, de wijsbegeerte, van Thomas en Kuyper over zijn theologie. Dat zijn twee verschillende zaken. Als u dit zou denken bent u er naast. In wezen is de theologie innig verweven met de wijsbegeerte bij Thomas. Dat is trouwens niet alleen bij Thomas het geval. Veel theologie wordt beheerst door wijsgerige achtergronden en begrippen, vaak zonder dat de bedrijvers van de theologie daar voldoende oog voor hebben. De theologie is voor allerlei middelen en methoden van aanpak en benadering van de vraagstukken afhankelijk van wijsgerige grondbegrippen.
waarvan zij dikwijls overvloedig en onkritisch gebruik gemaakt heeft.
Eerst in de scholastiek vóór de Reformatie der zestiende eeuw. En later na de Reformatie, is het in vele opzichten met de theologie weer dezelfde weg opgegaan.
De scholastiek
We citeerden hierboven Kuypers woorden over het machtig gebouw der scholastiek. Wat is dat voor een gebouw?
Het woord betekent letterlijk "schools". Er wordt mee bedoeld de tijd en de methode toen de wetenschap aan de scholen een eigen beoefening kreeg. In de middeleeuwen waren die scholen, de kloosterscholen, waar men theologie studeerde en de kapittelscholen, scholen die aan belangrijke kerken verbonden waren. zoals b.v. in Parijs aan de Notre Dame.
De schoolse theologie werd de naam voor de schoolse bestudering en beoefening van de leerstukken en dat in onderscheiding van de positieve theologie, met welke naam toen de eenvoudige manier van voordragen van het evangelisch geloof werd aangeduid. Scholastiek is op zichzelf niet anders dan "wetenschappelijke theologie". Deze "wetenschappelijke theologie" begon daar waar de eenvoudige manier van voordragen van het evangelisch geloof eindigde, De eenvoudige manier van voordragen en overdragen van het evangelisch geloof was en is tevreden als de geloofs-voorstellingen zijn uitgesproken en bewezen uit de Schrift. De schoolse of "wetenschappelijke theologie" ging van de geloofsvoorstellingen . van de Schrift uit als 'van haar uitgangspunten om van deze uitgangspunten uitgaande door redenering de samenhang van de geloofsvoorstellingen op te sporen en op die manier dieper in de kennis van de geopenbaarde waarheid door te dringen.
Deze "wetenschappelijke theologie" stond naar de bouw van een systeem van de goddelijke waarheden.
De boeken die werden samengesteld waren systeem-boeken van de goddelijke waarheden. Men sprak over "waarheden" in het meervoud en trachtte de afzonderlijke "waarheden" van alle kanten uit te diepen en redelijk te doorzien en eventueel tegen aanvallen te verdedigen.
Deze middeleeuwse systeemboeken zijn de voorlopers geweest van de latere dogmatieken. Onze lezers zullen wel weten dat men bij voorbeeld in de Engelse taal niet over dogmatiek spreekt maar de term systematische theologie gebruikt om hetzelfde aan te duiden wat wij en de Duitsers dogmatiek noemen.
Men trachtte ook de afzonderlijke waarheden te verbinden en van het een en ander een redelijke, logische, intellectueel bevredigende verklaring te geven.
Dit had vele bezwaren en gevaren.
In de eerste plaats was het met de bronnenstudie in de middeleeuwen droevig gesteld. De waarneming werd in theorie niet als uitgangspunt van het kennis-verwerven geloochend, maar in feite legde men zich eenvoudig bij de overlevering neer en meende men dat vroegere geslachten de waarneming al voldoende hadden gebruikt en het resultaat van die waarneming reeds volledig in boeken hadden neergelegd.
Natuurkunde, medicijnen, psychologie - alles werd uit de boeken bestudeerd. Wat de theologie betreft - haar stof lag volledig opgetast in de Schrift, maar vooral in de overlevering van de kerkvaders en de concilies. Die hadden dat wat in de Schrift lag, er uit gehaald en het verklaard. De scholastiek stond daar niet in de goede zin kritisch tegenover. Men haalde de stof voor de studie dus vooral uit Augustinus en vele andere kerkvaders.
In de tijd van Thomas - de 13e eeuw - kwam daarbij dat men wat het denken betreft in de leer ging bij Aristoteles, wiens logische geschriften toen opnieuw ontdekt waren geworden. Men ging vooral bij Aristoteles in de leer om de stof van bijbel en kerkvaders systematisch en logisch te leren ordenen en verwerken. Daar is vooral Thomas zeer groot in geworden. Het bleef echter niet bij het overnemen van de zogenaamde formele, logische methoden, maar met de formele methoden nam men uit de filosofie van Aristoteles ook -allerlei begrippen en inzichten over met betrekking tot de verhouding van geloof en intellect, met betrekking tot God, de schepping, de mens, de menselijke ziel enz. Dr H. Bavinck zegt in zijn dogmatiek: "De dogmatiek was geen geloofsleer meer maar werd een systeem der philosophie eene encyclopedie der wetenschap, waarin allerlei wijsgerige stof werd opgenomen, maar waarin de religie dikwerf te kort kwam. En eigenlijk werd heel dit scholastieke systeem voorgedragen in een vorm, die hoe langer hoe meer tot ernstige bedenkingen aanleiding gaf. Niet alleen werd de stof zoo dialectisch bewerkt, zoo haarfijn uitgeplozen en zoo juristisch behandeld, dat de samenhang met het religieuze leven der gemeente geheel werd verbroken; gaarne hield men zich bezig met allerlei spitsvondige questiën over engelen en duivelen, hemel en hel enz. Maar de questionaire vorm, waarin alles gegoten werd, bevorderde den twijfel en liet auctoritas en ratio dikwerf geheel uiteengaan en vijandig tegenover elkaar staan.
Menigmaal schijnt de zaak van een dogma geheel verloren; maar een enkel beroep op een tekst, op een kerkvader maakt alles weer goed." (Geref. Dogm, 3e dr. I, blz. 138)
Thomas meent dat met· het verstand God gekend kan worden. Hij redeneert net als Aristoteles van de beweging in de geschapen werkelijkheid uit, die altijd een oorzaak heeft, terug naar de laatste oorzaak, die zelf niet meer bewogen wordt, die geen oorzaak heeft. Deze laatste oorzaak of eerste Beweger, schrijft hij met een hoofdletter. Dat is God. Deze God, die Thomas langs de weg van logisch redeneren uitgaande vanuit de geschapen werkelijkheid, gevonden heeft, is natuurlijk niet de God van Abraham, Izaak en Jakob, de levende God van het verbond, maar is een godsidee, een voortbrengsel van het denken van de mens. Thomas meende dat de levende God gekend kan worden door middel van het natuurlijke menselijke, verstandelijke denken langs de weg van logisch redeneren.
Als je maar goed logisch denkt, kom je bij Hem uit. Deze aanpak van Thomas heeft diepe sporen nagelaten in de geschiedenis van kerk en theologie. Hij heeft de grondslag gelegd voor een natuurlijke theologie en voor wat men is gaan noemen een "natuurlijke Godskennis".
Daar zit een geweldig complex van vraagstukken vast aan de natuurlijke theologie. Wie er wat over wil nalezen kan terecht in Berkhouwer's dogmatische studie over de algemene openbaring. Een uitstekend overzicht van de kwesties die met de natuurlijke theologie samenhangen.
Thomas meent verder, dat om meer van God te weten, bijvoorbeeld van zijn Drie-eenheid, men de bovennatuurlijke openbaring behoeft. Op soortgelijke wijze is Thomas het wonder van de openbaring in de heilige Schrift, met de ratio, het intellect te lijf gegaan en heeft gepoogd een verstandelijke verklaring te geven van het wonder. Van deze aanpak is kerk en theologie nimmer losgekomen niet alleen in der katholieke theologie, maar ook in de gereformeerde theologie niet. Het is moeilijk om de reformatie der theologie op dit punt door te voeren.
We zouden nog een tijd kunnen doorgaan. Thomas heeft op de theologie een zó diep stempel gedrukt een intellectualistisch stempel dat wij daar niet meer van af komen.
Het is al grote winst als er onder de gereformeerde theologen enig inzicht in en omtrent dat stempel ontstaat. Vaak ontbreekt dat helaas.
De r.k. theologie heeft Thomas op het gestoelte der ere geplaatst. Zij heeft hem als de grote leraar der kerk aanvaard. De doctor angelleus - de engelachtige leraar. Niet voor niets prijkt voor het gebouw van de r.k, universiteit te Nijmegen een prachtig standbeeld van de forse figuur van Thomas.
1) Volgens Kuyper heeft Thomas de stoot gegeven èn aan onze universitoire ontwikkeling èn aan de ontwikkeling der theologie, "die niet weinig bijdroeg om de Reformatie in het 'even te roepen"! "Ook Calvijn's Institutie is van Thomas' geslacht".
Ene. d. H. Godgel.: I, 108.
2) H. J. Paris, Amsterdam, 1932.
3) H. J. Paris, Amsterdam, 1933