Reactie op 'Verantwoording' (3)
1974-06-07
De erfenis van Schilder - Jaargang 18
- nummer 23
Volgens prof. Douma heb ik beweerd, dat het hele conflict (tussen binnen- en buiten verband) om de erfenis van Schilder zou draaien. De weergave kon zorgvuldiger zijn, maar ik geloof dat ik zelf ook schuld heb aan de onduidelijkheid op dit punt. Mijn tekening is wat te grof geweest.
Graag wil ik Douma bijvallen, als hij zegt dat Schilders erfenis hem veel waard is en dat hij in zijn werk vaak aan deze grote man en Schriftgeleerde herinnerd wordt en dat wij allemaal veel aan hem te danken hebben. Van harte accoord.
Toch is de Schilder van de Schriftstudies en preken niet automatisch dezelfde als die van de wekelijkse polemieken. Met deze polemiek heeft Schilder in de dertiger jaren getracht al wat gereformeerd was op basis van de drie formulieren van enigheid bij elkaar te forceren. Hij zag daarbij over 't hoofd, dat de identiteit van een kerk niet alleen bepaald wordt door haar belijdenis, maar daarnaast ook door haar spiritualiteit (vroomheidstype) en verder ook nog doodgewoon door sociologische factoren. Onze samenleving vertoont een veel en veel grotere verscheidenheid dan in de zestiende eeuw, toen de belijdenissen werden opgesteld. Misschien zag Schilder al deze factoren wel, maar hij kwam toch met een te dwingende probleemstelling: één-worden of anders je gereformeerd karakter verliezen, niet langer ware kerk zijn. Een soort oecumene met het pistool op de borst.
Er zijn verschillende Schilders (de dichter, de Schriftgeleerde) maar niet in het minst deze Schilder van de polemiek is vrijgemaakt geworden en heeft in de vrijgemaakte kerken een niet geringe invloed gekregen. Voor een belangrijk deel door deze invloed is wat in de dertiger jaren als Schriftuurlijke opleving begon, sterk verkerkelijkt en verconfessionaliseerd.
Schilder's kerk-ideaal leek in de vrijgemaakte kerken een begin van realisering gevonden te hebben en de houding van de andere kerken tegenover dit nieuwe begin werd nu bepalend geacht voor hun status, waar of vals. Dit wekte hevig verzet bij degenen, die een heel andere (zijde van) Schilder in de Vrijmaking waren gevolgd. Ik bedoel nu degenen die geboeid waren door het frisse geluid van Schilder op allerlei terrein. Die voelden zich genomen door dit eenzijdige gebruik van Schilder en gingen op de duur weg.
Tussen deze twee richtingen draaide het inderdaad om Schilder d.w.z. om de probleemstelling die hij meebracht. Daar moet niet van gemaakt worden, dat aan de ene kant Schilder gecanoniseerd werd, net zomin als hij aan de andere kant werd verguisd. En er waren er verder ook genoeg, die zelfstandig hun eigen weg gingen en zich buiten deze controvers hielden. Zo beheersend was Schilder inderdaad niet. Ik weet ook best, dat er op de theoloog Schilder door Douma kritiek is geoefend en hij heeft gelijk: het feit dat deze kritiek rustig overwogen wordt, is er een bewijs van dat de vrijgemaakte kerken geen Schilder-kerk zijn. Dat heb ik trouwens ook niet beweerd.
Maar Schilder's dwingende probleemstelling t.a.v. de kerk heeft de reformatorische opleving van de dertiger jaren veelszins van haar apropos afgebracht. De kritiek bijvoorbeeld, die in de eerste jaren na de Vrijmaking op bepaalde onderdelen van de Dordtse Leerregels vrijmoedig naar voren werd gebracht, begon al gauw te verstommen. Het gaat me nu niet om de inhoud van die kritiek, maar om 't feit, dat dat kon en later kon 't niet meer. Ik heb zelf in Kampen in de eerste helft van de vijftiger jaren de omslag van de stemming meegemaakt. Gaandeweg werd voor de vrijgemaakte kerken een image opgebouwd van zuivere en vooral confessie-bewarende kerk tegenover andere kerken in de gereformeerde gezindte, die op dit punt steeds minder te vertrouwen waren; de geloofsallure van het begin sloeg om in vreesachtigheid. De kerkelijke vrijmaking kreeg een eigen betekenis, die de wortel waaruit ze was opgekomen vervaagde.
Als heel kenmerkende herinnering draag ik bij me een Schooldag-rede van (ik meen) prof. Deddens, die betoogde, dat de grote reformatie niet was begonnen op 31 oktober 1517, maar op 10 december 1520, de datum waarop Luther de bándreiginesbul verbrandde en de scheiding met de roomse kerk een feit geworden was. Dat was heel duidelijk verkerkelijking van het reformatorische opleving, ook van dat in de dertiger jaren, en in het voetspoor daarvan kwam automatisch de verconfessionalisering. De uitnodiging om deel te nemen aan de vreugde van het nieuwe horen naar de Schrift was toen verschraald tot de oproep tot vrijmaking, zich voegen bij de ware, confessie-getrouwe kerk.
Vooral toen de verontrusting op kwam zetten, werd dit proces versterkt, waarbij de verconfessionalisering het tenslotte toch gewonnen heeft van de verkerkelijking, getuige 't feit. dat verontrusten, die opgenomen zijn in een binnenverbandse kerk. mij opgetogen komen vertellen, dat van hen helemaal niet gevraagd wordt te verklaren dat de vrijgemaakte kerken de enige ware kerk zijn - iets wat ik bij mijn toelating tot het ambt en bij mijn schorsing nog wel heb moeten zeggen (maar niet gezegd heb). Maar dat andere, het bewaren van de belijdenis, wordt nu sterker benadrukt.
Misschien overschat ik in dit proces de rol van Schilder. Maar nog eens: die dwingende probleemstelling in de dertiger jaren, heeft die niet een grote rol gespeeld?
En weer, als deze analyse juist.
is, betekent dat niet. dat de binnenverbandse kerken Schilderkerken zijn. Gelukkdg zijn er ook andere dingen van te zeggen. In het algemeen heerst er in Kampen een gezond gereformeerd theologisch klimaat, is mijn indruk.
En toen het onder ons eens ging over de mogelijkheden van theologische opleiding en verschillende instituten de revue passeerden, heb ik uitdrukkelijk die van Kampen-binnen erbij genoemd, omdat daar een theologische traditie nawerkt die frisser nawerkt - ze werkt ook nu nog is dan in Apeldoorn. En nawerkt, wel direct. En mijn wens is, dat ze 't helemaal zal gaan winnen van de hier en daar en tijdelijk en vooral op gemeentelijk niveau ingetreden verstarring.
Wat ik bedoelde. met het in geding brengen van Schilder's naam, was o.a. om een te overwegen, of zijn kerkelijke probleemstelling ons niet te lang zou kunnen hebben bezig gehouden.
Natuurlijk is het probleem zelf niet door hem uitgevonden.
Het ligt er voor ons allemaal, maar zijn probleemstelling was toch te ongeduldig. Dat is zeker niet minder geworden bij degenen die er later mee werkten. Dit ongeduld zette het kerkelijke leven onder een te grote spanning.
We zijn er als vrijgemaakten allemaal een beetje verkrampt van geworden. Ik heb geleerd met het kerkelijke probleem wat laconieker om te gaan. We kunnen alvast beginnen met kerk te zijn, ook voordat we als belijders van hetzelfde geloof één geworden zijn. Laten we, ieder voor zich, de kenmerken van de kerk zeer serieus nemen en het verder eens op z'n beloop laten. In ieder geval zorgen, dat van ons later niet gezegd behoeft te worden, dat we de scheuren nog dagelijks groter hebben gemaakt. Dat is al heel wat. En eens komt het helemaal goed met de kerk, ook met haar eenheid.
Polarisatie
Werkelijk erg boos is prof. Douma geworden om wat ik over de polarisatie geschreven heb. Toch geloof ik, dat we het op dit punt meer eens kunnen worden, dan hij denkt.
In de eerste plaats is het de vraag, of ik met het 'veilige' rechts niet anders bedoeld heb dan het 'gemakkelijke', 'confortabele' rechts. Een keus voor het 'veilige' rechts lijkt mij ingegeven door vrees, die voor het 'comfortabele' rechts door gemakzucht.
Dat maakt verschil. Ik verdenk Douma zeker niet van geestelijke gemakzucht.
Maar Douma zal. met mij toch ook wel vinden. dat rechts vaak in verouderde en verstarde posities gevangen zit, die men niet durft verlaten, uit vrees, links terecht te komen. Er zijn althans in zijn kerken bemoedigende symptomen die er op wijzen, dat men dit met mij eens is.
Ik denk nu aan prof. Kamphuis' stellingname tegenover ds Wurmbrandt en prof. Van Bruggen's positiekeuze inzake Israël, waarmee ze, zowel de een als de ander. tegen rechts zijn ingegaan. Om beide uitingen ben ik blij geweest. al heb ik tegen beide bijdragen bedenkingen.
Maar de vrijgemaakte allure die er uit sprak! Om niet automatisch aan de rechtse kant te gaan staan in deze problematieken, maar zelf na te denken en met een eigen geluid te komen, dat 't overwegen ten volle waard is. Wij hebben een traditie, die ons tot het theologisch narekenen van rechts verplicht. Ook van links, natuurlijk. Maar wij behoren meer bij rechts, dat geef ook ik volmondig toe. En door rechts te corrigeren kunnen we wel eens recht doen aan wat links te berde brengt. Dat heb ik met bemiddelen bedoeld.
Maar ben ik dan meteen een geestelijke nakomeling van Erasmus geworden? Als Douma dat van Kamphuis en van Van Bruggen zou beweren, zou hij vast geen algemene bijval vinden. Wat denkt Douma dat het effect is van zo'n vergelijking bij mensen, die van Erasmus niet meer weten, dan dat 't een figuur is, die de striid schuwde, geen kleur bekende en verder een halve humanist was?
De ietwat theatrale tirade, waarmee Douma zijn artikel afsluit, is dus onnodig stemming-makend, vind ik.
De toon
Hier kom ik toe aan de vorm, de manier van polemiseren. Ik ben nog niet vaak voorwerp van bestrijding geweest in de binnenverbandse pers. Slechts twee keer, geloof ik. Eenmaal in het Kerkblad van Gelderland/Overijssel/ Utrecht, door ds F. Hey en nu in de Reformatie. Beide keren heb ik de indruk gekregen dat mijn persoon bij mijn bestrijders niet veilig is. Ik mis de achting, waarop ik reoht heb en dat niet vanwege een titel, maar vanwege Ohristus en zijn gemeente, die ik in het ambt dien. Ook nu moet ik weer denken aan een psalmwoord (ps. 7: 6) dat mij bij mijn schorsing vaak door het hoofd gespeeld heeft, over de vijand. die het leven ten aarde vertreedt en de ziel nederwerpt in het stof. Dat is een ernstige klacht, maar ik uit die toch maar eens.
En niet alleen voor mijzelf, maar ook voor de vele anderen, die op gelijke wijze in de Reformatie van de oprichting af, behandeld zijn. Dit verder hoogstaande en waardevolle blad staat in dit opzicht in een treurige reuk, al zijn er goede uitzonderingen. Ik denk bijvoorbeeld aan de zeer hoogstaande polemiek destijds tussen prof. Kamphuis en prof. Heering.
Dat was erg fijn. Maar hoe dichter bij huis, hoe meer dit uitzondermg wordt. (Ook Opbouw zelf trouwens heeft hier boter op z'n hoofd. Maar van de tegenstanders valt 't je meer op.) Ik wil me een ogenblik tot tolk maken van al degenen, wien de geestelijke mode van hun tijd niet toestond van hun gewondheid blijk te geven.
'Men mag zich niet laten kennen', was het devies of 'een man mag niet huilen'. Wij leven in een andere tijd en de mode heeft zich op die punt gewijzigd. Ik wil gewoon eens zeggen, dat 't zeer doet.
Van de messiaanse koning wordt in ps. 45 gezegd, dat genade, liefelijkheid over zijn lippen is uitgegoten.
Hiermee pleit deze psalm niet voor liefjesdoenerij, want verderop wordt gezegd, dat de pijlen van deze goddelijke held dringen in het hart van 's Konings vijanden. Er mag dus met scherp geschoten worden, maar als ik 't voor 't zeggen heb, verkies ik zo'n doorschieting met pijlen boven de dood door steniging.
Ik druk me nu wat schokkend uit.
Ik wil ook schokken. Laat men er eens over nadenken, want ik acht het niet uitgesloten, dat men op dit punt achteloos voortleeft in een traditie. Ik vind. dat. 't zo niet kan. Laat Douma nu niet onmiddellijk zeggen, dat de liefde tot de kerk hem tot verontwaardiging bracht, want heus, er zijn meer mensen met liefde tot de kerk, ook tot zijn kerk.
Eigen taak en roeping
Tenslotte nog een poging. iets positiefs te zeggen, naar binnen toe.
Voor de eigen mensen.
Prof. Douma schrijft: "Ik was van plan waarderende woorden in de rubriek 'Ethische Verkenningen' te wijden aan het besluit van de kerkeraad buiten verband Amsterdam-C, om geen huwelijken van gemeenteleden te bevestigen die reeds voor de burgerlijke huwelijksvoltrekking samen wonen. Maar de lust zou mij vergaan dat thans in ons blad nog te doen".
Zonder het te weten raakt Douma hiermee een teer punt aan van ons buitenverbanders. Velen bij ons leven bij alles wat er in onze kerken gebeurt of in onze bladen geschreven wordt, met de gedachte: wat zullen de binnenverbanders daarvan wel niet zeggen?
Ze zijn gelukkig met het goedkeurende woord van die kant, zoals ze de afkeuring vrezen.
Zo is hun geweten binnenverbands gebleven.
Als mijn redacteurschap van Opbouw iets zal betekenen in mijn eigen ogen, dan dit, dat ik onze mensen van onder deze gewetensdruk vandaan haal en hen op hun eigen voeten zet. Wij moeten niet proberen op binnenverbandse wijze buitenverbands te zijn. Dat verliezen we altijd. Met alle frustratie van dien. Ons is een eigen taak en roeping toegevallen. Wij zijn namelijk, door het wegvallen van de oude structuren, met onze gereformeerdheid op straat gezet.
Praktisch zonder behuizing. Wij zijn daardoor wel genoodzaakt het gereformeerde te gaan gebruiken in plaats van het te verdedigen.
Het moet nu tot ons doordringen, dat niet wij dienstbaar zijn aan het gereformeerde verleden, maar dat het gereformeerde verleden dienstbaar is aan ons. Het staat tot onze beschikking, (vgl. 1 Cor. 3: 23).
In het woord gereformeerd komt een welomschreven geloofsinhoud mee, zeg maar de drie formulieren van enigheid. Best. Maar in het woord gereformeerd zit ook een houding: het laatste woord aan de Schrift boven alle tradities uit. Volgens deze houding kun je gereformeerd zijn zelfs tegen de formulieren in en niettemin toch in eenheid van geloof met de vaders staan.
Natuurlijk, in het centrale is er continuïteit, daar staat de Heilige Geest borg voor, als we eerbiedig om zijn leiding vragen. Maar wat wij nodig hebben is de vrijheid van het experiment. Niet doldriest, niet onverantwoordelijk, ik weet dat allemaal wel. Maar toch, we hebben het nodig en we krijgen het ook. En zelfs als we fouten maken, krijgen wij het nog.
God heeft ons die ruimte gegeven langs een pijnlijke weg. Nu moeten we er erg zuinig en dankbaar mee omgaan. Bedenk: als de gemeente van Straatsburg uit Calvijn's dagen - een gemeente waaraan wij voor de eredienst zoveel te danken hebben - tot een vrijgemaakte classis binnen verband had behoord, dan was er daar nooit wat van de grond gekomen.
Er is iets opengebroken en nu moeten wij ook zo open mogelijk zijn.
En ons dan door degenen die van buiten komen (let wel: echt van buiten, zonder traditie), vragen laten stellen: waarom dit zus, waarom dat niet zo? En dan komt er een prachtige uitwisseling tussen de ervaring van binnen en het enthousiasme van buiten.
Een bijzonder gelukkig huwelijk kan dat worden, als de Here het zegenen wil. Mag ik hier eens zeggen, hoeveel ik geleerd heb van juist mijn buitenkerkelijke catechisaties?
Maar als wij met ons geweten binnenverbands blijven, verspelen we onze kansen, lopen we onze taak en roeping mis. Dat betekent niet, dat we met de rug naar het binnenverband gaan staan.
We blijven naar ze luisteren, want ze hebben veel te bieden. Maar we luisteren in vrijheid. In de vrijheid waarin Paulus stond, toen hij schreef: nu raakt het mij zeer weinig, of ik al door u of door enig menselijk gericht geoordeeld wordt." Hij, die mij beoordeelt, is de Here." (1 Cor. 4 : 3, 4).