Woord zonder belijdenis

1974-06-07
  • Jaargang 18
  • nummer 23
Er zijn christenen, die het hebben van een belijdenis afkeuren, omdat dit volgens hen tekort doet aan de genoegzaamheid en het gezag van de Bijbel. En er zijn christenen, die de belijdenistrouw betrachten en eisen op een manier, die ons haast doet vergeten, dat Gods Woord alléén de kracht tot behoud is. Het trieste is, dat deze uitgesproken tegenstanders elkaar in de kerkgeschiedenis zowel bestrijden als oproepen!
Zij betreuren elkaars optreden van harte. En tegelijk bestáán ze er in zekere zin van! We zullen het nu hebben over de eerstgenoemde stroming.

• Een "motto" getoetst

"Het Woord alleen, de belijdenis is maar mensenwerk!" Dat lijkt een ijzersterk motto. Maar is het dat ook? En is het wel zuiver?
Men is het er algemeen over eens, dat het belijden bij het christenzijn inbegrepen is. Dat blijkt uit Matth. 10: 32-33, uit Rom. 10: 9-10 en vele andere plaatsen. In Zondag 12, vr./antw. 32 wordt aan deze Schriftgegevens dan ook recht gedaan. We moeten altijd bereid zijn tot verantwoording aan al wie ons rekenschap vraagt, zegt Petrus (I Petr. 3: 15). Dat betekent op zijn minst, dat we niet mogen volstaan met een simpel: "Wat ik geloof staat in de Bijbel". Dat zou in de konkrete situatie vaak praktisch neerkomen op een verschuiven en zelfs op een ontwijken van het antwoord.
Neen, het is onze taak kort, puntig en duidelijk te zeggen wàt we geloven. De beschikbare tijd zal vaak in minuten te tellen zijn! We hopen van harte, dat onze verantwoording de ondervrager zo "pakt", dat hij naar de bron zelf, de Bijbel, zal grijpen.
Onze belijdenis mag dan een introductie zijn. Niet meer, maar ook niet minder! Ook hier is ons belijden mensenwerk! Maar niemand kan het zien als een "concurrent" van de Bijbel. En het is ook allerminst zinloos! Natuurlijk denkt niemand eraan in dit verband het "mensenwerk-motto" te gebruiken. Maar waarom dan eigenlijk wel tegen het hebben van een belijdenis?

• De eigenlijke bezwaren

Wat is het verschil tussen het doen van belijdenis en het hebben van een belijdenis? Ik zou op drie punten van belang willen wijzen:
1. Het element van verduurzaming.
Ik treed belijdend in het spoor van de vaderen. Ik sluit me aan. Ik gebruik hun woorden als de mijne. Wordt op deze wijze het spontane van de "verantwoording-
Inééns" niet gedood? Treedt er geen bevriezing en verstarring op?
2. Het element van gemeenschappelijkheid.
De verantwoording die Petrus bedoelt zal heel vaak een zeer persoonlijk karakter dragen. Ook in dit opzicht zou men van "spontaan" kunnen spreken. Maar de kerkelijke belijdenis vangt aan met: "Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond ... " (Art. 1 NGB). Is die "vergemeenschappelijking"
ook niet een faktor die tot bevriezing en verstarring moet leiden?
3. Het element van de geldigheid.
Het al dan niet meedoen aan het belijden is in de kerk geen zaak van vrijblijvendheid! De belijdenis heeft ook een kritische functie. Wie niet meezingt of "vals" zingt in het koor wordt daarop aangesproken. Maar is het nog wel mogelijk spontaan en van harte te belijden, als de belijdenis deze "bij-functie" krijgt?
Dreigt hier ten derden male niet het gevaar van verstarring en bevriezing?
Driemaal dus verstarring en bevriezing.
Wanneer deze elementen werkelijk tot de onvermijdelijke bagage van een kerkelijke belijdenis zouden behoren, dan zou die belijdenis inderdaad een sta-in-de-weg zijn voor de werking van het Woord dat levend en krachtig is! Dàn wel, ja. Maar moeten we het zo stellen?

• De Heilige Geest het moment en de duur

Wanneer de apostelen gebracht zullen women voor rechtbanken, dan zal hun in die ure gegeven worden, wat ze moeten spreken - door de Geest des Vaders (Matth. 10: 19-20). De Heilige Geest is actief tegenwoordig in het unieke spanningsmoment van hun loopbaan. De "ure" - het moment!
De Vader zal aan de discipelen een andere Trooster geven, de Geest der waarheid, om tot in eeuwigheid bij hen te zijn - blijvend (Joh. 14: 16-17). En "blijvend" wil toch op zijn minst zeggen, dat de Heilige Geest niet op elk moment weer begint alsof er niets gebeuro is. alsof er geen geschiedenis is. Daar hebben we de continuïteit, de duur!
Haalt u moment en duur niet uit elkaar! "In die ure" doet de Geest de discipel spreken als een kind van zijn Vader (met grote V) - wonderlijke hulp in nood!
Het moment!
Maar die discipel zal tegelijk kunnen en mogen spreken als een kind van zijn vader (met kleine v), als iemand die instemt met een lied dat er in de kerk al was.
De duur!
Het wonder van de Geest is, dat dit lied de discipel geheel "eigen" geworden is. Dat het spontane van zijn belijdenis niet wordt gedoofd.
We mogen de Heilige Geest niet maken tot iemand die alleen maar per moment- en per impuls aanwezig kan zijn en die ons alleen maar tot een soort "wegwerpbelijdenis" zou kunnen brengen.
Hij is er in de "ure" èn voortdurend.
Hij schenkt hier en nu en duurzaam de zegen van zijn kracht.

• De Heilige Geestenkeling en gemeenschap

In Hand. 4: 32 lezen we dat de menigte van de gelovigen één van hart en ziel was. Weer een wonder van de Heilige Geest. In de wereld brengt men het hoogstens tot uniformiteit - éénheid van vorm. In de gemeente gaat het dieper. De enkeling lééft in de gemeenschap; de gemeenschap is gericht op de enkeling in zijn nood (zie het vervolg). Eénheid van hart mag leiden tot een éénstemmig lied, waarin het méézingen met de anderen geheel samenvalt met het eigen geluid.
Hoe vaak heeft de gemeente de Geest bedroefd en haar rijkdom niet beseft! Dan verdween die rijkdom ook. En dan werd ook het probleem enkeling-gemeenschap levensgroot! Maar we mogen in het bestaan van dat probleem niet berusten!
Daarom moeten we de Heilige Geest niet maken tot iemand, die ons alleen maar brengen kan tot een strikt-individuele belijdenis en niet tot een gemeenschappelijke.
Deze scheiding mag begrijpelijk zijn, als men alleen maar ziet op het menselijke reilen en zeilen van de gemeenteleden.' Maar ze is niet door geloof ingegeven! En daarom zal ze ook de verschraling van het geloof in de Heilige Geest en van de gemeenschap bevorderen!

De Heilige Geest -- kritische beoordeling

In 1 Thess. 5: 19-21 zegt Paulus: "Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede". Paulus heeft het daar over de genadegave van de profetie. waardoor de Geest zich uitte in het midden van de gemeente. Men mag die profetie niet van onwaarde achten; men moet haar ook niet zonder meer laten gelden. "Toetst alles ... ". Het is opmerkelijk, dat , dat Geest hier niet een aparte en zelfstandige geloofwaardigheid voor Zich opeist. Hij wil zijn eigen uitingen laten toetsen aan het evangelie van Christus. Hij begeert geen gezag naast het Woord van God! Hoeveel temeer moet dan elke profeet, elke belijder de toetsing aanvaarden! En ook elke belijdenis. Maar de Geest gééft wat Hij eist. De voor ons onoverbrugbare kloof tussen de hartelijkheid van de vreugde en de onderworpenheid aan kritische beoordeling overbrugt Hij.
De belijder-in-vrijheid verlangt ernaar uit te komen als een slááf-van-Christus!
Daarom moeten we ook de kritische functie van de belij denis niet verwerpen. Evenmin als we haar moeten verabsoluteren. Zij mag het éérste signaal geven. Zij heeft niet het láátste woord. Dat is voorbehouden aan het Woord van God.

Gevaar en tegenstand

Het "mensenwerk-motto" blijkt niet zo sterk te zijn. Als we ons achter deze banier begeven gaan we - meest onbedoeld - op een gevaren-weg:

1. Actualisme (het moment tegenover de duur);

2. Individualisme (de enkeling of de "sin·guliere" groep tegenover de gemeenschap);

3. Autonomie (de spontaneïteit als uitbanner van de beoordeling).

We moeten ons dan ook niet verbazen als we op deze weg niet maar tegenstand in het algemeen maar ook een geduchte "tegenpóól" ontmoeten: het Confessionalisme.
Daarover iets een volgende maal.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief