Thomas van Aquino (1225-1274)

1974-06-07
  • Jaargang 18
  • nummer 23
De invloed van Thomas in kerk en theologie is geweldig. Nog steeds.
We wijzen in de eerste plaats naar zijn invloed in de r.k. kerk en theologie.
De thomistische wijsbegeerte is het systeem geworden, waarvan deze kerk zich bij haar onderwijs bij uitstek bedient. Zij kan naar het woord van paus Pius XI als de eigen wijsbegeerte van de katholieke kerk worden beschouwd, schreef dr F. Sassen in 1933. Daarin is bij alle verandering in de praktijk bij Rome, die we in ons land meemaken, niet veel gewijzigd. Dit houdt echter niet in, dat ook maar één wijsgerige theorie van Thomas als zodanig tot dogma zou zijn verheven of de bovenredelijke waarde van een geloofsartikel zou hebben verkregen.
De pausen hebben sinds de heiligverklaring van Thomas een bijzondere voorkeur voor het thomisme vertoond. Maar ook een pauselijke aanbeveling kan aan een wijsgerige stelling niet die innerlijke objectieve evidentie verlenen, die naar thomistisch inzicht nodig is om haar met zekerheid te bevestigen, maar zij dient voor "ieder die de waarheid lief heeft, een aansporing te zijn, om de leer, die wordt aanbevolen, met aandacht en zonder vooringenomenheid te onderzoeken, in het vertrouwen, dat het onderzoek niet zonder vrucht van waarheid zal blijven", aldus de r.k. Sassen.


Er zijn zelfs verbindingen en verbindingsmogelijkheden tussen neothomisme en moderne filosofie. Het neo-thomisme van thans benadert van grondslagen van Thomas uit, ook de vragen die in onze tijd aan de orde zijn. Met een zekere voldoening schrijft dr H. Robbers, S.J. in zijn opstel in Cultuurgeschiedenis van het Christendom, deel II,1) dat moderne wijsgeren niet langer stilzwijgend aan het scholastieke denken voorbijgaan. Bernard Russell heeft in alle eerlijkheid bekend, schrijft Robbers, dat thomisme niet slechts van historisch belang is, doch een levende invloedsfactor betekent, evenals Plato, Aristoteles, Kant en Hegel en in feite meer dan beide laatstgenoemden. Toen velen meenden boven de middeleeuwse filosofie uit te zijn gekomen en met Thomas te hebben afgerekend, bleek de beweging der geschiedenis niet alleen nieuws voor de dag te brengen, maar meermalen ook aan het oude een nieuwe betekenis te verlenen."
Het neo-thomisme dat wel een van de markantste wijsgerige richtingen is onder de Katholieken, wil teruggrijpen op de gedachten van de 13e eeuwse denker St. Thomas van Aquino en deze naar de moderne tijden voeren, menend dat daarin nog steeds vruchtbare kiemen liggen voor nieuw leven." Robbers in 1957.
Vragen we naar een verklaring van dit merkwaardige verschijnsel van de actualiteit van het denken van Thomas tot in onze moderne tijden toe dan willen wij hier volstaan met te wijzen op twee dingen. In de eerste plaats op de genialiteit van het denksysteem van Thomas.
Dat systeem is zó geniaal dat het de eeuwen door het volhoudt om wijsgeren te boeien en bezig te houden.
Dat is formidabel. In de tweede plaats wijzen we op de gemeenschappelijke basis die èn onder Thomas' denken èn onder het denken van veel moderne wijsgeren ligt, en dat, terwijl er eeuwen tussen de één en de anderen liggen. Die gemeenschappelijke basis is de waardering van de menselijke kennis. Thomas en deze moderne wijsgeren zijn van mening dat de menselijke kennis in staat is tot het gebied van de allerdiepste werkelijkheid door te dringen.
Schriftuurlijk genormeerd denken zal zulke geweldige uitspraken niet doen. Dat zal niet zulke verwaande posities innemen. Schriftuurlijk genormeerd denken zegt, dat de geschapen werkelijkheid niet te doorgronden is met onze menselijke kennis. En dan de Schepper Zelf?
Er is geen sprake van dat onze menselijke kennis Hem zou kunnen vatten.
God is groot en wij begrijpen het niet, om een woord van de apostel te citeren.
Thomas meent dat het zijn een gemeenschappelijke categorie is waaronder God en ook wij, schepsels, vallen. Er is volgens Thomas overeenkomst, analogie, tussen het zijn van God en het zijn van de schepsels.
Het zÏjil. hebben God en wij gemeenschappelijk. Hij heeft geen oog voor het oneindig kwalitatief onderscheid tussen de Schepper énerzijds en het geschapene anderzijds.
Daardoor komt het dat hij geen grenzen kent voor ons menselijk kennen. De allerdiepste werkelijkheid is te doorgronden met het intellect. Nou, hierin gaan allerlei humanistische wijsgeren van onderscheiden schakering met Thomas accoord. Er ligt, om zo te zeggen, een gemeenschappelijke denkbasis aan Thomas' systeem en aan moderne wijsgerige richtingen ten grondslag. Die ligt ten grondslag aan het r.k. kerk- en theologiesysteem in de meest brede zin van het woord.

In de tweede plaats willen wij wijzen op de invloed van Thomas in de protestantse en met name in de gereformeerde theologie en via de theologie in de kerk.

In de begintijd van de reformatie van de 16e eeuw is er een zéér radicale kritiek geweest op de grote kerkleraars van de middeleeuwen waartoe ook Thomas behoorde.
We denken bij de radicale kritiek vooral aan Melanchton. In de eerste uitgave van zijn geloofsleer, de eerste geloofsleer in de kring van de jonge reformatie, brak hij volledig met de scholastiek van Thomas.
Dat was in 1521.Men lette op dit jaartal. In 1520 was de pauselijke ban over Luther uitgesproken.
In juni 1520 was de pauselijke bul verschenen, waarin een-en-veertig uitspraken van Luther als ketters verworpen werden. Hij moest deze binnen zestig dagen herroepen. Zo niet dan zou hij als veroordeelde ketter worden beschouwd met al de gevolgen van dien. We kennen de afloop. In december van datzelfde jaar verbrandde hij de bul plechtig voor de poort van Witten berg in tegenwoordigheid van professoren en studenten. Dat was toen een geweldige
daad. Alle banden waren doorgesneden. In het volgende jaar kwam Melanchton's boekje dat een eerste korte, reformatorische geloofsleer bevatte. In mijn Duitse vertaling van Friedrich Schad, 1931, staat een woord ter begeleiding van dr Karl Heim, destijds hoogleraar in de theologie te Tübingen. Heim zegt daarin o.a.: "In klassiek Latijn, vrij van alle bestofte begrippen der scholastische schooltaal, met weglating van alle metafysische spekulaties, spreekt hier de praeceptor Germaniae (de leraar van Duitsland J.M.) zo eenvoudig en praktisch als maar mogelijk erover hoe goddeloos wij mensen zijn in de diepte van ons wezen, hoe wij ons ook in onze heldhaftigste daden niet uit de toverban van onze zelfliefde kunnen bevrijden en hoe groot de liefde Gods in Christus is, die ons in onze zonde aanneemt en ons zonder toedoen van onszelf, door de macht van de heilige Geest tot nieuwe mensen maakt." Een vertaling kan nimmer het frisse van het origineel weergeven. Toch dringt zelfs in vertaling wel iets door van de fonkelende klaarheid van het schriftuurlijke water dat Melanchton hier schenkt.
Melanchton zelf schrijft in het begin, dat het boekje ontstaan is uit voorlezingen voor zijn studenten over de Brief aan de Romeinen. Hij had zijn studenten de grondbegrippen van de geloofsleer en van de inhoud van de Brief in een kort uittreksel gegeven. Zonder zijn voorkennis was dat uittreksel publiek in omloop geraakt. Nu vindt hij het beter zelf maar een geschrift uit te geven dat niet zoveel gebreken vertoont als dat door een anonymus in omloop gebrachte dictaat.
Dan zegt hij, en dat geef ik woordelijk weer: "De jeugd moet begrip krijgen voor de vragen die bij de bestudering van de heilige Schrift van bijzonder belang zijn. Ook mag de jeugd wel duidelijk zien hoe verschrikkelijk gedachtenloos al die mannen (in het verleden) gesproken hebben, die in theologische zaken, Aristotelische wijsgerige begrippen in de plaats van de leer van Christus hebben doorgegeven.
Ik behandel alle vragen kort en bondig. Want ter voorkoming van dwalingen is meer gelegen aan een inleiding in de heilige Schrift dan aan een kommentaar". (Hij heeft hier het oog op de kommentaren zoals die van Thomas, die verschrikkelijk uitvoerig, stroef en tekst-verwoestend werkten zodat je wel Thomas, maar niet Paulus te lezen kreeg. J.M.) Verder zegt hij: "Vandaar dat ik slechts een leiddraad met de grondbegrippen van de Brief van Paulus heb samengesteld. Ik probeer in weinig zinnen de grondwaarheden te geven waaraan de totaal-inhoud der christelijke leer hangt. Ik doe dat niet om de studerenden van de heilige Schrift weg te roepen naar duistere en moeilijke uiteenzettingen.
Mij staat veel meer voor ogen om hen zoveel mogelijk tot de bestudering van de heilige Schrift als tot een vreugdevol feest uit te nodigen.
Want in het algemeen ben ik helemaal geen vriend van kommentaren.
Ook de oude uitleggers bevallen mij niet. Vandaar dat het verre van mij ligt ergens iemand door een van mijn grotere werken van de bestudering van de kanonieke Schrift af te willen voeren.
Ik voor mij heb geen hartelijker wens als deze, alle christenen, als dat mogelijk zou zijn, frank en vrij in de heilige Schrift thuis te zien geraken en in het beeld van de heilige Schrift veranderd te mogen zien. Want alleen in die heilige Schrift heeft de Godheid zijn beeld volmaakt ten toon gespreid."

Ook dit citaat geven we: "Hoe ver verwijderd is het niveau van de kommentaren van dat van de reine berglucht van de heilige Schrift.
Hier vindt u slechts aanbiddelijke waarheid. In de kommentaren zoveel leengoed uit de filosofie en waarde-oordelen van het menselijk intellect die alle aan het oordeelswoord van de Geest precies diametraal tegengesteld zijn."

Om het karakter van de kommentaren te zien, waarop Melanchton doelt, zou het zeer de moeite waard zijn een en ander te vertellen over Thomas' kommentaar op de brieven van Paulus en met name over Thomas' kommentaar op de Brief aan de Romeinen, dezelfde brief die Melanchton in hoofdzaken heeft weergegeven in zijn korte geloofsleer van 1521. We hebben geen ruimte om een vergelijking van beide soorten in dit artikel te geven. Laten we onze .lezers, die er belang in stellen, mogen wijzen op een college dat in het kader van de theologische etherleergang over Thomas' Pauluskommentaren gegeven is door de r.k. prof. dr O. H. Pesch op 14 nov. 1970.2) De ordeningswoede van de scholastieke theoloog-wijsgeer ging zo ver dat het levendige en levende van Paulus' geschriften volledig werd vermoord door de exegese. Alles met de beste bedoelingen natuurlijk.
Daar niet van. Pesch, zelf van de orde der Predicatoren, zegt: Zo kan men geen preek maken, geen catechese geven, geen meditatie maken, wel een "expositio", een z.g. "wetenschappelijke uitlegging en verklaring van de tekst geven."
Hier werd het levende Woord krachteloos gemaakt door een schools-wetenschappelijke bewerking.
Waarlijk de reformatoren hebben tegen geen windmolens gevochten in de 16e eeuw, De Geest des Heren had hun de ogen geopend voor de majesteit van het levende Woord!
Dit is de achtergrond geweest van de strijd tegen de misstanden in de toenmalige r.k. kerk.

Helaas, is dit radicaal-kritische standpunt van de jonge beweging der reformatie, vrij spoedig weer verlaten om opnieuw ruimte te geven aan de scholastieke methode in de theologie. We kunnen in de beperkte ruimte die we hebben niet meer dan enkele vluchtige notities maken over de invloed van de scholastiek in de gereformeerde theologie.
In de 16e eeuw begon het al.
Wanneer men kennis neemt van de verklaring die een man als Ursinus, een van de opstellers van de catechismus van Heidelberg. gegeven heeft bij de catechismustekst, dan ziet men op een onrustbarende manier de "terugval" in de schoolse methode van mensen als Thomas.
Met name, om een enkel voorbeeld te noemen, in zijn visie op het geloof, (Zondag 7) en de befaamde onderscheiding van historisch geloof en rechtvaardigmakend en zaligmakend geloof en hoe die soorten zich onderling verhouden. Men ziet het in zijn verklaring van antwoord 57 in de omschrijving die hii daar geeft van het begrip "ziel". Hoe hij via Thomas meer bij Aristoteles in de leer is geweest met betrekking tot deze zaak, dan bij de heilige Schrift.
Men ziet de invloed van de schoolse methode van de middeleeuwers zelfs bij een hooggeroemd en bekwaam exegeet als H. Zanchius wanneer men kennis neemt van zijn werk. Dat was in de 17e eeuw. En wat te zeggen van een man als Maccovius, die in Franeker, zoals in de eerste druk van de Chr. Encyclopedie woordelijk staat: ..begon met een nieuwe leermethode aan onze vaderlandsche hoogescholen".
Hij is, zo lezen we, ten onzent de baanbreker van de scholastieke theologie. Tot nu toe was de theologie meer eenvoudig en bijbelsch behandeld, maar Maccovius, die zeer wijsgerig was, stelde de filosofie ten dienste der theologie, gebruikte filosofische termen", enz.
Misschien is dat "baanbreker" niet overdreven, maar de methode was er geruime tijd voor Maccovius. En Voetius? Hij was een vrome scholasticus.
Hij combineerde de scholastieke methode met een vroom piëtisme, dat hij vooral door invloed van Engelse puritanisten had.
Tot op onze tijd toe is de invloed van de scholastiek in de gereformeerde theologie niet verdwenen.
De dogmaticus aan de Vrije Universiteit, die aan Berkouwer voorafging, dr. V. Hepp, was een scholasticus.
Bekend is de schools-wetenschappelijke bewerking van een "godsbegrip" in de dogmatiek van Hepp.
Bekend mag worden verondersteld de kwestie van de wedergeboorte der kleine kinderen, die in de veertigerjaren op de toenmalige synodes van de Gereformeerde Kerken in den brede is besproken. Men poneerde toen toch maar de stelling, door bekwame gereformeerde theologen geformuleerd, dat In de hartjes der kleine kinderen, die gedoopt waren, een onverderfelijke levenskiem moest worden aangenomen.
Woelderink heeft in die tijd eens geschreven, dat in deze leer van de veronderstelde wedergeboorte, een waarde wordt gehecht aan de geschapen en ingeschapen genade, die, zo schreef hij, m.i. afgodisch is. Wij zijn van mening dat zulke theologische stellingen teruggaan naar het schools, intellectualistisch bezig zijn met het werk van de heilige Geest als ware Hij te vereenzelvigen in Zijn werk-in-de-harten, met dat wat psychologisch te onderzoeken valt. Dat deed Thomas. Het gehele zijn was te analyseren en te onderzoeken met het menselijk intellect.
Zoals we boven schreven aan dat zijn had de Schepper èn de schepselen beiden deel. Thomas sprak over geschapen en ingeschapen genade.
(gratia creata) Tot in de termen toe zie je de verwantschap.
Een groot gevaar voor de gemeente van Christus. Dat hebben mensen als Luther en Melanchton vooral in zijn eerste periode onvoorstelbaar scherp doorzien.

1) Elsevier, Amsterdam/Brussel, 2e druk 1957.
2) Theol. Etherleergang van de N,C.R.V. Dertiende jaargang no. 1 (febr. 1971).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief