EUTHANASIE
1974-06-14
Aan het verzoek van een van de redactieleden van "Opbouw" om een aantal artikelen te schrijven waarin het euthanasie-vraagstuk vooral van medische zijde wordt belicht, wil ik gaarne trachten te voldoen.- Jaargang 18
- nummer 24
Onder het grote aantal publicaties die reeds verschenen zijn, neemt de brochure van de Kamper hoogleraar in de ethiek, Dr. J. Douma, een mijns inziens vooraanstaande plaats in.
Op heldere en overzichtelijke wijze wordt hier van theologische zijde het euthanasie-vraagstuk benaderd. De auteur heeft zich bijzonder goed georiënteerd op het raakvlak van de theologie en de geneeskunde, hetgeen voor het juiste begrip waaróm het in het euthanasie-vraagstuk gaat zo noodzakelijk is.
Douma toetst voortdurend in zijn brochure zijn visie op de euthanasie aan de Heilige Schrift en laat duidelijk zien dat men zich bij het denken en spreken over euthanasie niet te véél op de dood moet concentreren.
"Dit kan van een mijlpaal snel een eindpaal maken", stelt hij.
Zeer terecht schrijft Douma aan het einde van zijn brochure: "De christen, die met de apostolische belijdenis van de opstanding des vleses en een eeuwig leven niet wenst te breken, zal van perspectief getuigen.
Ook hij aanvaardt dankbaar, dat er pijnstillende middelen zijn bi lichamelijke benauwdheid; maar zijn vreugde is groter over de sanerende kracht van het evangelie, dat hem verlost van de geestelijke benepenheid, die het doek wil laten vallen bij de dood.
Het probleem van de euthanasie ontspruit niet aan een ons boven het hoofd gegroeide medische techniek, evenmin aan het fenomeen van de pijn alleen. Het heeft alles te maken met de geestelijke instelling van de mens. En dan is het zaak niet alleen symptomen te bestrijden, maar de kwaal zelf aan te pakken.
Vanuit onze geestelijke gezondmaking in Christus zullen wij veel kunnen verwerken wat anders ondraaglijk, zinloos en niet-menswaardig gaat heten".
Aangezien de brochure van Dr. J. Douma mij zeer heeft getroffen en en volg deze nu "op de voet" geboeid, koos ik als leidraad voor dit artikel voornamelijk zijn publicatie
• Absolute eerbied voor het leven
Het woord euthanasie is afgeleid van de griekse woorden eu (= goed) en thanatos (= dood).
De term werd bîj enkele griekse en romeinse schrijvers in de laatste eeuwen vóór Christus gebruikt in de betekenis van "gelukkige" of "nobele" dood, het "waardig sterven".
Door Bacon (1561-1626) werd het begrip heringevoerd in een nieuwe betekenis: het actief beeindigen van een door ernstig lijden ondraaglijk geworden leven.
Sindsdien is het begrip euthanasie meestal in deze betekenis gehanteerd; eraan toegevoegd werd, dat het doden alléén op uitdrukkelijk verzoek van de lijdende mens mocht geschieden.
Het begrip euthanasie wordt tegenwoordig Zeer verschillend gedefinieerd, waarmee men tegelijkertijd in de problematiek daarvan terecht komt.
De moraal-theoloog, P. Sporken verstaat onder euthanasie: "Het opzettelijk verkorten van het op gang zijnde stervensproces".
Deze definitie kan de vraag oproepen, wat is precies het "stervensproces"?
Als voorbeeld van gewettigde euthanasie noemt Sporken het niet behandelen van een longontsteking bij een demente bejaarde voor wie deze (onbehandelde) longontsteking dodelijk zal zijn.
Douma stelt zich terecht de vraag of hier inderdaad van een "stervensproces" gesproken kan worden.
Hij stelt als argument hier tegenover, dat indien het hier een patiënt zou betreffen die dertig jaar jonger zou zijn en nog in de kracht van zijn leven, niemand dat beweren zou. "Een longontsteking moge in heel wat gevallen een ernstige aandoening zijn, maar haar gelijk stellen met "een op gang zijnd stervensproces" gaat veel te ver", zegt Douma.
Ik citeer Douma verder, wanneer hij zegt: “Smokkelt Sporken dus, zodra hij van zijn definitie naar de voorbeelden gaat geen andere elementen binnen, die verder reiken dan de medische constatering: deze patiënt bevindt zich in een stervensproces? Is het niet veeleer zo, dat hier in plaats van gecónstateerd getàxeerd wordt: deze patiënt heeft als demente bejaarde een ernstige longontsteking en dáárom behandelen wij hem niet verder?
Het blijkt in de praktijk bijzonder moeilijk het begrip "stervensproces" te definiëren.
Wanneer volgens Sporken het feit, dat bij een bejaarde de "geest" reeds geheel of grotendeels is gestorven, een genoegzame reden is om van deze bejaarde in zijn totaliteit te verklaren, dat hij zich reeds in de "stervensfase" bevindt, hoe is het dan met de zwakzinnigen en de krankzinnigen gesteld?
Moet men van hen óók zeggen, dat zij indien zij bijvoorbeeld een longontsteking krijgen zich reeds in de "stervensfase" bevinden?
In dit verband merkt Douma op: "het maakt nogal wat uit of iemand het terrein van de zijns inziens geoorloofde euthanasie beperkt tot het sterfbed of verbreedt tot soms tientallen jaren in een mensenleven. Wij merken hoe moeilijk het is een definitie te geven én haar te hanteren".
Ook Sporken zelf wil die "brede kant" niet uit. Hij spreekt over het "georganiseerd en systematisch toepassen van actieve euthanasie op ongeneeslijke zieken, demente bejaarden, krankzinnigen of op personen die anderszins de samenleving "tot last" zijn en noemt dit "ethisch volkomen onaanvaardbaar."
De juriste H. A. H. van Till-d'Aulnis de Bourouill omschrijft het toepassen van euthanasie als volgt: "Trachten door een levensverkortende opzettelijke medische gedraging een goede, zachte dood mogelijk te maken bij een ongeneeslijk zieke patiënt die ondraaglijk lijdt".
Hierover zegt Douma het volgende: "Het valt op dat in deze definitie niet het "stervensproces", maar het ondraaglijk lijden centraal staat. Euthanasie wordt alleen geoorloofd geacht als ondraaglijke pijnen een ongeneeslijke zieke martelen. Dat betekent een geweldige beperking, omdat alle bewusteloze patiënten hier buiten vallen. De schrijfster plaatst dan ook het woord euthanasie, wanneer het gebruikt wordt voor het laten sterven van ongeneeslijk bewusteloze patiënten, tussen aanhalingstekens".
"Zolang de patiënt bewusteloos is, is de zachte dood reeds mogelijk", schrijft Mevrouw Van Till-d'Aulnis de Borouill.
Douma merkt terecht op: "Als euthanasie slechts geoorloofd wordt geacht voor die categorie ongeneeslijke patiënten die daarenboven nog ondraaglijke pijnen lijden, is euthanasie dan nog wel een probléém? Immers bij de huidige stand van de moderne geneeskunde is het thans mogelijk elke zware lichamelijke pijn voldoende te bestrijden" .
De farmacoloog O. M. de Vaal zegt dan ook: "Bij deze stand van zaken kan men zich terecht afvragen waarvoor wij ons dan druk maken. Wat vóór de komst van de moderne pijnstillende middelen een reëel probleem voor duizenden kon zijn is nu, omdat slechts in uitzonderlijke gevallen nog van “ondraaglijk lijden” gesproken kan worden, tot schijnprobleem geworden.
Uit dit dilemma tracht Mevrouw van Till zich te redden door te stellen dat onder “ondraaglijk lijden”niet alleen lichamelijk maar ook psychisch lijden op de voorgrond treedt? Of is er geen verschil in veld van aandacht tussen euthanasie en zelfmoord? De vragen vermenigvuldigen zich!".
In zijn commentaar op haar definitie stelt Douma: "Het komt ons voor, dat zij daarin niet geslaagd is. Want men verstaat onder euthanasie toch wel heel wat meer en vaak ook heel wat anders dan de schrijfster in haar inhoudrijke dissertatie doet vermoeden wanneer zij zelf gaat definiëren".
Tenslotte nog een derde definitie van euthanasie en nu belicht van medische zijde. Het hoofdbestuur van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst heeft een bijdrage willen leveren, door in 1972 een werkgroep ter bestudering van het euthanasie-vraagstuk in te stellen, .die inmiddels een verslag van haar bevindingen aan het oofdbestuur heeft uitgebracht.
Het beraad over dit onderwerp heeft een nieuwe fase bereikt, door de verschijning van het interimrapport van de Gezondheidsraad.
Het hoofdbestuur merkt hierover het volgende op: "Alvorens het hoofdbestuur op de merites van het rapport van de Gezondheidsraad in wil gaan, wil het met nadruk er op wijzen dat het nog steeds onverkort van mening is, dat het de taak is en blijft van de arts om zich volledig ten dienste van de patiënt te zetten.
Deze inzet zal altijd in eerste instantie op het genezen van de aan zijn zorg toevertrouwde patiënten gericht zijn, alsmede 00 het naar vermogen voorkómen van ziekte en lijden. Omtrent dit uitgangspunt mag geen enkele twijfel bestaan bij de patiënten. Euthanasie kan voorts niet los worden gezien van het gehele proces van de stervensbegeleiding, waarvoor de arts zich ziet gesteld".
Onder euthanasie wil de Gezondheidsraad verstaan: "Een opzettelijk levensverkortend handelen of een opzettelijk nalaten van levensverlengend handelen bij een ongeneeslijke patiënt in diens belang".
Bi; deze definitie van euthanasie maakt het hoofdbestuur de volgende kanttekening: "De definitie spreekt over een ongeneeslijke patiënt.
Een zodanige patiënt bevindt zich niet altijd in een "stervensproces".
Niettemin is het hoofdbestuur van mening dat euthanasie bij een ongeneeslijke patiënt slechts mag worden overwogen, indien het "stervensproces" is ingetreden. Daaronder wil het, hoofdbestuur verstaan dat er sprake is van het bestaan van een ziekte die onherroepelijk en binnen afzienbare tijd tot de dood leidt. In sommige gevallen zal hieromtrent geen twijfel bestaan, in andere gevallen zal wellicht verschil van inzicht kunnen bestaan over de vraag of het "stervensproces" reeds is ingetreden.
Bij het antwoord op deze vraag zal overigens het eigen inzicht van de patiënt hieromtrent van het grootste belang zijn.
In die gevallen van ongeneeslijke ziekte, waarin niet vàn het ingetreden zijn van het "stervensproces" zal kunnen worden gesproken, zal naar de mening van het hoofdbestuur euthanasie niet mogen worden toegepast.
Hoewel het hoofdbestuur, zoals gesteld, de definitie van de Gezondheidsraad wil volgen, is het van oordeel dat de hierboven gemaakte kanttekening nauw aan deze definitie dient te worden verbonden.
Voorts wil het hoofdbestuur nog aantekenen dat in het rapport van de Gezondheidsraad bij handelen in het kader van euthanasie uitsluitend wordt gedacht aan handelen door of onder directe verantwoordelijkheid van "de behandelend" medicus.
Het hoofdbestuur onderschrijft de opvatting in het rapport dat de bestaande wetgeving onverkort dient te worden gehandhaafd, met name het artikel 293 van het Wetboek van Strafrecht, luidende: "Hij die een ander op zijn uitdrukkelijk en ernstig verlangen van het leven berooft, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaren".
In deze omschrijving van het begrip euthanasie komt dus nadrukkelijk de behoedzaamheid en de voorzichtigheid naar voren, waarmede het hoofdbestuur het begrip euthanasie hanteert. Bovendien wordt de toepassing ervan uitsluitend door de behandelend medicus aan het "sterfbed" van de ongeneeslijk zieke patiënt, dat zich bovendien nog slechts - naar menselijke maatstaven gerekendover een korte "spanne tijds" zal moeten uitstrekken, verantwoord geacht.
In deze kanttekening wordt door het hoofdbestuur het terrein van de "brede euthanasie" dus duidelijk afgewezen.
Het zal intussen wel duidelijk geworden zijn dat een definitie van de euthanasie niet gegeven kan worden.
Indien iemand verklaart vóór euthanasie te zijn is daarmee nog weinig gezegd, indien hij/zij niet omschreven heeft wat hij/zij met euthanasie bedoelt.
Douma zegt hierover: Wij zullen daarom niet proberen alle opvattingen over euthanasie in één definitie te vatten. Zelfs een grootste gemene deler is nog niet te geven.
Immers reeds aan het begin van zo'n definitie - of het een actief of passief beëindigen van het leven moet heten - gaan de meningen uiteen" .
• Het begrip euthanasie
Hierover maakt Douma zeer behartenswaardige opmerkingen, wanneer hij schrijft: "Er is een radikale regel die ons uit alle moeilijkheden schijnt te helpen: de absolute eerbied voor het menselijk leven".
Douma citeert de woorden van een Frans medicus, die gezegd moet hebben: Eén minuut, al was het per vergissing, ontnemen aan de existentie waarop het niets van de dood loert, schijnt ons de grootste van alle misdaden toe".
Men zou. ook met de woorden van een Nederlandse jurist kunnen zeggen: "De eerbied voor het leven, zelfs voor het laatste sprankje leven, moet het uitgangspunt zijn voor denken en doen, en voor het behoud daarvan moeten zo mogelijk ook buitengewone middelen worden ingezet".
"Het is gemakkelijk in te zien, dat geen arts onder de last van de regel: absolute eerbied voor het leven (als die regel tenminste strikt genomen wordt) gebukt kan gaan zonder te bezwijken", zegt Douma en vervolgt absolute eerbied voor het menselijk leven zou immers betekenen, dat alle menselijk leven genivelleerd, op één lijn gesteld werd. Het moet voor de arts niets uitmaken of hij met het leven van de vrucht of dat van de moeder te maken heeft; of hij een bloedtransfusie tot redding van het leven van een kind of tot rekking van het leven van een honderdjarige zal toedienen; of hij de levensgeesten van een drenkeling moet opwekken of nog enkele uren aan het leven van een stervende moet toevoegen.
Leven is leven, en alles zal met de laatste bloedige ernst moeten geschieden.
Elke minuut telt immers.
Tegen zoiets is geen mens opgewassen en de abstracte theorie van de absolute eerbied voor het leven breekt stuk op de werkelijkheid, waarin de arts wel degelijk niet alleen kwantificeert, maar ook kwalificeert. En dan zal hij, voor de keus gesteld, eerder pogen iemand die in de kracht van zijn leven is te redden dan om de dagen van een stervende te verlengen.
Dit alles gold reeds in sterke mate vóór de medische wetenschap haar grote vlucht nam. Maar het komt nog indringender op ons af sinds de medische macht talloze gevallen, die vroeger moesten worden opgegeven, nu zó kan behandelen, dat het stervensuur niet meer wenkt doch wijkt. Dit is - laten wij dat niet vergeten - meestal tot heil van de patiënt, en alleen dáárom reeds heeft het geen zin hier de klok te willen terugdraaien.
Maar met de vreugde komt ook de moeite! Moeten wij, nu wij zo knap zijn geworden, altijd onze medische macht demonstreren door b.v. mensen, die vroeger allang zouden zijn gestorven, nu door de ene na de andere ingreep te helpen, terwijl de verlenging van hun leven slechts uitstel van sterven betekent? De regel: absolute eerbied voor het menselijk leven zal het antwoord op deze vraag niet kunnen geven".