Paulus' brief aan de Galaten

1973-06-22
  • Jaargang 17
  • nummer 25
Abba, Vader 4 : 6, 7

Paulus heeft in het voorgaande gezegd dat de Here Jezus Christus gekomen is en Zijn heilswerk heeft volbracht opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen.
En het bewijs ervan? Wel: God heeft de Geest Zijn Zoons uitgezonden in onze harten. De Heilige Geest is gekomen met Pinksteren om ons toe te eigenen wat we in Christus hebben. Hij is de Geest des Zoons. Hij heeft Hem gezonden (Joh. 16 : 7). Hij is het, Die de apostelen en andere predikers van het Evangelie de wereld over zendt om door de prediking van het Evangelie, die zeer blijde boodschap, het geloof te ontsteken in onze harten.
Bij "hart" moeten we hier wel denken aan het middelpunt van al ons denken, van al ons weten, van al ons begeren en wat er verder maar op te noemen zou zijn.
Spr. 4: 23. Vanuit het hart zijn de uitgangen van het leven. Dat hart is van zich zelf boos en geneigd van God af te gaan. Het is de H. Geest, als God almachtig, Die ook in staat is dat boze hart te veranderen en het ook wil veranderen.
Hij brengt tot ons het vertrouwen op Christus' volbrachte werk. Dan krijgen we ook de vrijmoedigheid om tot God te gaan. Om te zeggen Abba, Vader.
Het woord Abba is Aramees. Het betekent ook vader. Het is opvallend dat het niet veel gebruikt wordt in het N.T. De Heiland gebruikt het woord tijdens Zijn worsteling in Gethsemané. Marc. 14 : 36. Het komt ook voor in Rom. 8: 15.
De kanttekeningen op de Staten Vertaling geven bij Rom. 8: 15 deze verklaring van het woord Abba. Het is een woord, "hetwelk de apostelen hier gehouden heeft, omdat het een woord is vol aandoening, hetwelk de jonge kinderen bijna in alle talen behouden; en hij zet daarbij het woord vader, niet alleen om hetzelfde te verklaren, maar ook om de beweging en zonderlinge deelneming der gelovigen in dit roepen tot God beter uit te drukken." Het heeft dus wel de gevoelswaarde van ons woord pappa. De Heiland roept in de taal van Zijn moeder, als Hij in grote benauwdheid is.
Nu het is de Geest die voor ons roept Abba Vader. Ons reddend uit de grote benauwdheid van de zonde en van de wereldgeesten.
Het verschil tussen Gal. 4 : 6 en Rom. 8 : 15 is dit dat hier gezegd wordt dat de Geest roept en in Rom. 8 : 15, dat de gelovigen roepen.
Maar in wezen is er natuurlijk geen verschil, De Geest roept en Hij leert ons roepen. Wij roepen, dank zij het werk van de Geest. Maar de H. Geest roept ook voor ons. En dát mag dan toch wel een bewijs zijn, dat we inderdaad zonen zijn.
En als we zonen zijn dan zijn we ook erfgenamen. Zie bij Gal. 3: 29 en vergelijk het verband in Rom. 8.

Verleden...heden 4 : 8-11

Bestaan de afgoden? Nu in wezen niet. Maar wie de afgoden dient dient de demonen. Daarom geldt ook: in wezen zijn er goden en heren in menigte. 1 Cor. 7: 5.
Nu de Galaten hebben een tijd gekend dat ze God niet kenden en de afgoden dienden. Maar toen dienden ze de demonen. Ze waren toen zonder God en zonder hoop in de wereld. Ef. 2 : 12.
Welk gevaar lopen ze nu door te luisteren naar de dwaalleraars?
Nu dit, als je de ene ware God de voordeur uit doet, komen de afgoden met drommen de achterdeur binnen. En als ze nu werkelijk gaan denken dat ze door het onderhouden van dagen, maanden vaste tijden en jaren menen iets tot eigen zaligheid te kunnen toedoen, dan keren ze terug naar de duisternis van de zelfverlossingsreligie, waaruit ze getrokken waren. Dan worden ze weer slaven.
Slaven van de duivel, die ze opjaagt van de ene godsdienstig inspanning naar de andere en dan is het werk van Paulus, die hen het Evangelie verkondigde nutteloos geweest. In plaats van het zachte juk van Christus komen ze dan weer terecht onder het harde juk van de duivel. We hebben al eerder gezien dat Paulus het judaïsme in wezen heidendom vindt. Dat scherpe verwijt komt hier nu weer terug.

Paulus' voorbeeld 4 : 12

Het is nogal wat als een mens een ander oproept net zo te zijn, of te worden, als hij zelf is. Toch mocht Paulus dat doen. Hijis een voorbeeld.
1 Tim. 1 : 16. Dat wil niet zeggen, dat we allemaal dezelfde bekeringsweg dienen te hebben als Paulus, maar wel hem dienen na te volgen wat het wezen van de bekering betreft. Juist hij, die de weg van het Farizeïsme tot het bittere einde heeft bewandeld en toen tot stilstand werd gebracht, werd de grote apostel der heidenen, om de heidenen en de joden te leren alleen op Christus te vertrouwen.
Zowel Joden als heidenen moeten leven onder het Evangelie en uit het Evangelie.
Behartigingswaardig zegt Van Stempvoort bij dit vers "Onze veinzende bescheidenheid die zo iets niet durft te zeggen, ons zelf niet tot voorbeeld - in Christus - waagt te stellen, is slechts het masker van een nog niet tot de grote vreugde van de vrijheid in Christus wedergeboren leven".

Melodie en woorden 4: 12-20

Paulus' toon verandert hier iets.
Het woord "broeders" geeft dat aan. Ook zijn zeggen dat ze hem geen ongelijk hebben aangedaan.
Het gaat ook niet om zijn gelijk of iets dergelijks, als hij ze zo scherp aanspreekt, als hij gedaan heeft, maar om het Evangelie van Jezus Christus. Paulus heeft zelfs veel goeds van de Galaten ondervonden, toen hij hen voor het eerst het Evangelie verkondigde.
Paulus is kennelijk ziek geweest.
Zo ziek dat zijn lichamelijke toestand een verzoeking was voor de Galaten om niet naar hem te luisteren.
Welke ziekte dat geweest is is niet te zeggen. Het verband maakt de indruk van een oogziekte.
Maar dan toch wel in zulk een ernstige mate dat het voor de hand lag dat ze niet naar hem geluisterd zouden hebben. Misschien moeten we hier ook wel denken aan het feit dat in heidensdenken ziek zijn ook iets te maken had met boosheid van de afgoden.
Toch hebben ze hem ontvangen als een bode van God, als Christus Jezus en ze hebben zich zelf gelukkig geprezen dat Paulus in hun midden het Evangelie kon verkondigen.
En als hij hen nu "hard" aangesproken heeft dan is dat dus niet vijandschap of iets dergelijks. Dat hadden de Galaten niet aan hem verdiend. Integendeel.
Hard zijn de dwaalleraars. Want die willen de Galaten buitensluiten.
Het is goed hier te denken aan Matth. 23 : 15.
IJver genoeg.
Maar daarom is het nog niet goed.
Alle eigenwillige godsdienstigheid doet de prijs juist missen en iemand daartoe verleiden dat is een harde zaak. Daarom zou Paulus wel weer graag oog in oog met hen spreken. Zijn woorden zouden niet anders kunnen zijn, maar zijn toon wel.
Paulus is in zorg over de gemeenten.
De dwaalleraars niet. Die werven hun eigen aanhang en dat alleen vinden ze belangrijk. Het kenmerk van de sectariër.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief