De kleinen en de groten

1973-06-29
  • Jaargang 17
  • nummer 26
Psalm 136

Matth. 21 : 14-16


Voor Els en Laura, Dorit, Liesbeth, Pieter en Iddo. De meesten van u zullen ongetwijfeld begrepen hebben waarom ik zojuist psalm 136 en een stukje van Mattheüs heb voorgelezen.
In de eerste plaats psalm 136, die beurtzang waarbij een koor van priesters - je zou kunnen zeggen: van voorgangers, van leidende figuren in de gemeente - telkens één van Gods geweldige daden opnoemt.
En waarbij dan heel de gemeente telkens weer invalt met het refrein: want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

En dan verder Mattheüs 21. Daar denken de priesters er eenvoudig niet aan, de lof van God te zingen, Jezus kan voor hun ogen wonderen van redding en genezing verrichten, Jezus mag blinden het gezicht teruggeven en lammen weer doen lopen, - maar zij, de priesters, zwijgen. En ze verschansen zich in hun afkeer van deze rabbi.
Maar dan horen ze opeens een deel van de gemeente zingen. Ja, en wat voor een deel? Het zijn, nota bene, kinderen. En die kinderen zingen: Hosanna, de Zoon van David. Nou, dat vinden die priesters toch al te bar. Als er wat te zingen valt, dan zullen zij het wel doen. En dan mogen de kinderen hoogstens mee-zingen. Als deze Jezus werkelijk op zou treden als de Zoon van David, dan is het aan hen om dat te constateren.
Niet aan de kinderen.
En dus zeggen ze tegen Jezus: doet u daar niets aan?
Maar dan antwoordt Jezus: hebben jullie niet gelezen wat er in psalm 8 staat? Uit de mond van kleine kinderen en van zuigelingen hebt Gij lof bereid.
Want God weet het, dat de kleinen vaak spreken, waar de groten zwijgen. Dat het jongste deel van de gemeente vaak eerder klaar staat om Hem te loven dan al die bedachtzame en zelfverzekerde ouderen bij elkaar. God laat vaak de kinderen, de jonge garde vóórzingen. En dan mogen die oudere mensen, die voorgangers, die denken dat zij altijd de eerste viool moeten spelen, dan mogen zij als laatsten invallen.
En dat ze de laatsten worden, dat is natuurlijk wel beschamend. Maar dat ze, al is het dan op het laatst, tóch nog mogen invallen – dat is geweldig. Ze mogen toch nog meezingen. En misschien dat juist dát hen meezingen doet als nooit tevoren.

Nog eens: de meesten van u zullen het begrijpen, waarom ik juist deze twee gedeelten uit de bijbel met u las. Maar er zijn toch ook nog verschillenden onder u die niet weten of nauwelijks weten, wat zich de laatste week heeft afgespeeld. En daarom vertel ik het nog maar even.

Zes jonge mensen hebben gezegd: wij willen zo graag mee het avondmaal vieren en daarmee belijden, dat we het fijn vinden, bij Jezus te mogen horen en bij jullie te mogen horen. Maar juist omdat het meedoen met het avondmaal voor ons echt een belijdenis is, daarom zitten we een beetje met dat instituut van "openbare belijdenis". Moet dat nou?
En ze hebben gezegd: daar willen we graag met heel de gemeente over praten.

Nu, dat is de vorige zondag aan de gemeente bekend gemaakt. En vrijdagavond, op de gemeentevergadering, waren die jongelui er dan ook. En ze hebben het daar, zodat iedereen het horen kon, gezegd, waarom ze zo graag het avondmaal mee zouden vieren.
En ze hebben het zo gezegd dat iedereen er een beetje beduusd van was. En dat iedereen dadelijk en zonder aarzelen en dankbaar zei: wat is dat fijn, dat we jullie zó je geloof horen belijden. En wat zullen we aanstaande zondag graag met jullie om die ene tafel staan.
Wat is het geweldig dat jullie, nu zoveel jonge mensen van Christus vervreemd zijn, Hem kennen als je Heiland, de enige van wie je het leven verwacht.
En wat is het fijn dat jullie, nu je zoveel lelijks in de kerk hebt meegemaakt en nu we eigenlijk niet anders mochten verwachten dan dat jullie de gemeente de rug toekeert, -- dat jullie nu tóch je plaats onder ons wilt innemen. Bewust. Zelf kiezend. Mét ons jullie handen uitstekend naar het heil in Christus.
En wat is het beschamend dat jullie het zó hebben gezegd als wij het eigenlijk nooit zeggen, ook al voelen we het misschien net zo als jullie. Wat zij we God dankbaar dat we dit mogen beleven.
En wat wilden we graag dat al die gemeenteleden die hier niet op de gemeentevergadering zijn het ook hadden meegemaakt, het ook hadden gehoord, het ook zelf hadden beleefd.
Misschien – hebben we toen tegen jullie gezegd – misschien willen jullie het straks, aanstaande zondag (vandaag dus) nog eens zeggen, opdat ze het allemaal goed weten, dat God uit de mond van jonge mensen lof bereid.

Want natuurlijk, het blijft waar: wij hebben het jullie voorgezongen. En jullie gaat nu méé-zingen met ons. Jullie valt in bij ons lied.
Gelukkig blijft dat waar. En dat weten jullie ook. Daarom heb je ook gezegd, we willen met jullie ouderen, meedoen.

Maar terwijl jullie dát zeggen: we willen met jullie, ouderen, meedoen, - moeten w ij het tot onze beschaming én blijdschap zeggen: laat ons met jullie meedoen.
Laat ons het refrein mogen zingen bij jullie lied. Laat ons meedoen met jullie belijdenis.
Want als wij het ontdekken, dat God lof bereidt uit jullie mond, dan willen wij ons niet geërgerd afwenden, omdat wij toch de eersten hoorden te zijn. Dan willen wij het God niet kwalijk nemen dat Hij daar niets aan doet. Dan willen wij ons niet verzetten tegen Gods wonderlijke barmhartigheid.
Maar dan willen we ons slechts verblijden. En dan wéllen we zo graag meezingen met jullie: want zijn gunst, alom verspreid, zal bestaan in eeuwigheid.

Kijk, dáárom gemeente, zullen we straks, als we het avondmaal gaan vieren, eerst luisteren naar deze jonge mensen, als ze het tegen ons zeggen in Wie ze geloven.
Om dán, samen met hen, te belijden Hem in wie ook wij geloven mogen. Daarom zullen we straks, na het avondmaal, psalm 136 zingen, zij het lied en wij het refrein.
Daarom zijn we vandaag verbaasd en verheugd, als we met elkaar brood eten en wijn drinken, de kleinen en de groten, en elkaar aankijken: Jezus is onze redder.
En God gaat door. God gaat heus dóór. We durven het vaak haast niet geloven. Maar het is toch waar: Jerusalem, ik zie een nieuw geslacht opnieuw het feest van uw bevrijding vieren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief