Gezag (2)
1973-06-29
Gezin, staat en kerk zijn institutaire levensverbandten, ze zijn door God ingesteld. Daarnaast kennen we ook andere verbanden die berusten op de vrije instelling door mensen. Zo is er het bedrijf: een arbeidsgemeenschap die men sticht om daardoor het dagelijks brood te verdienen. Zo'n bedrijf wordt gekwalificeerd door het economische. Binnen die economisch gekwalificeerde gemeenschap spelen ook allerlei andere factoren een rol. Er is een rechtsfactor: we kennen in onze wetgeving het arbeidsrecht en daaraan moet een bedrijf zich houden. Er is ook een sociale factor: 't is een arbeidsgemeenschap,en de verschillende deelnemers, hoger of lager geplaatst, hebben in het oog te houden dat de ander hun socius, hun genoot is. Ook in het bedrijf is gezag: de werkbaas heeft iets te zeggen over degenen die onder hem staan, en de directie zit oaam de top. Bij déze gezagsuitoefening staat het economisch belang op de voorgrond, hoewel Met geïsoleerd van de andere factoren. Wanneer een employé lui is en tengevolge daarvan niets betekent voor het bedrijf, ja door zijn voorbeeld ook nog anderen meesleept en dus de economie van het bedrijf ondermijnt, zal het gezag zich tegen hem doen gelden. En evenzo wanneer iemand door aan te zetten tot langzaam-aan-acties, tot staking etc. de arbeidsverhoudingen verstoort en daarmee tevens de economie schaadt.- Jaargang 17
- nummer 26
Er zijn verder nog allerlei vrije gemeenschappen, organisaties, partijen en wat niet al, waarin een zeker gezag aanwezig is, maar het voert te ver daarover uit te weiden. Wél moet nog even genoemd worden dat er ook een soort van gezag is dat niet gebonden is aan een al of niet institutair verband. Iemand kan een autoriteit zijn op een of ander gebied, in de kunst, in een wetenschap, in de sport, in de politiek etc., zonder dat hij een functie heeft waarin hij met gezag op dat gebied bekleed is. Maar wat hij op zijn gebied zegt heeft gezag, heeft invloed, geniet vertrouwen.
Een vertrouwen dat natuurlijk niet op één lijn staat met het religieus vertrouwen op de beloften van het Evangelie, zie het eerste gebod. Dit gezag van op een bepaald gebied gezaghebbende personen is van enigszins andere aard dan het gezag waarmee men bekleed wordt in een bepaald verband. Het gezag dat een man van wetenschap geniet in de kring van zijn vakgenoten is anders dan het gezag dat hij als hoogleraar heeft over zijn studenten, aan wie hij met autoriteit bepaalde eisen oplegt voor tentamen en examen, Het is een gezag dat hij zich langzamerhand door zijn vakbekwaamheid, door de uitgebreidheid van zijn kennis en de grote mate van zijn inzicht verworven heeft, een gezag dat hem in vrijheid wordt toegekend.
Het is niet van "ambtelijke" aard.
Zulk "moreel" gezag kan ook iemand in ondergeschikte positie zich verwerven in de kring waarin hij verkeert door met inzicht en wijsheid te spreken en op te treden in die kring. Het is mooi wanneer juist mensen die zich al enigermate zulk een autoriteit verworven hebben geplaatst worden in "ambtelijke" gezagsposities.
Hierboven is al even aangestipt dat de autoriteit van de politieman verhoogd wordt wanneer hij er blijk van geeft in zijn beoordeling van de zaken waarmee hij in aanraking komt boven het strikt juridische uit te grijpen.
3. Gezagsdragers
Wanneer we spreken over "het gezag" dan plegen we eigenlijk een zekere abstractie ván de concrete volle werkelijkheid. Want "het gezag" bestaat in de werkelijkheid niet los van de personen die er de dragers van zijn. In de Bijbel staat niet dat we "het ambt" moeten eren, maar wel dat we de ouderlingen die wél regeren dubbele eer waardig zullen achten. En aan die ouderlingen worden óók bepaalde opdrachten gegeven, b.v. 1 Petr. 5: 2-3: Hoedt de kudde Gods die bij u is, niet gedwongen maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is maar als voorbeelden der kudde. De ouderling mag niet naar willekeur te werk gaan en dan maar zeggen: Ik heb het ambt en u moet u aan het ambt onderwerpen!
Zo worden ook opdrachten gegeven aan andere gezagsdragers. De Bijbel zegt niet alleen dat de kinderen de ouders moeten gehoorzamen, maar ook: Vaders, prikkelt uw kinderen niet. Niet alleen dat de slaven hun heren gehoorzaam moeten zijn, maar ook: Heren, betracht Jegens uw slaven recht en billijkheid. En het "wee" wordt uitgeroepen over rijken die het loon van hun arbeiders hebben ingehouden. Aangaande de overheden wordt niet alleen gezegd dat we ons aan hen moeten onderwerpen, maar óók wordt gezegd dat de overheid Gods dienares is, ons ten goede.
De overheidspersonen moeten er dus aan denken dat zij geroepen zijn zó hun ambt te bekleden, ten goede van degenen over wie zij gesteld zijn.
Nu weet ik wel dat de Schrift heel ver gaat in het vragen van gehoorzaamheid. De slaven moeten niet alleen de goede en vriendelijke meesters maar ook de verkeerde onderdanig zijn, en dat kunnen we bij analogie ook toepassen op de staatkundige verhoudingen.
Toen Paulus schreef over de onderworpenheid aan de overheden regeerde de nog altijd beruchte keizer Nero.
Dat neemt echter niet weg dat in de tweeheid van gezagsdragers en ontzagbieders beide "partijen" een roeping hebben, dat van beide kanten de ander als de naaste gezien moet worden. We moeten de roeping niet op de ene partij alleen leggen. Het streven naar rechtvaardige verhoudingen in de wereld van de arbeid mag niet belemmerd worden met verwijzing naar Bijbelteksten die spreken van onderworpenheid. Alsof er voor de "heren" geen roeping zou zijn! Dat is misschien in christelijke kring wel eens wat op de achtergrond geraakt. Hoé dan precies de strijd voor sociale gerechtigheid gevoerd moet worden is natuurlijk een aparte vraag, die waarlijk niet zo gemakkelijk te beantwoorden is.
Dat zal ook telkens in nieuwe situaties weer apart bekeken moeten worden. Fout is in elk geval een strijd die z'n uitgangspunt neemt in de ontkenning van gezag of in een a-priorische tégenstelling tussen gezagsdrager en ontzagbieder. En dát is toch tegenwoordig wel de geest des tijds die z'n duizenden verslaat. Het van hiéruit strijden tegen ongerechtigheden is veel meer, gaat veel verder en dieper dan het strijden tegen wat de zonde in de samenleving bedorven heeft. Het is een aantasting van de fundamenten, de structuurprincipes van de samenleving. Het woord "structuurprincipes" heeft een diepere zin dan het woord "structuren".
De geest destijds zegt: we moeten niet maar vechten tegen bepaalde ongerechtigheden binnen de bestaande structuren, maar we moeten de structuren zélf aanpakken, De "structuren", dat wtil zeggen: hoé iets opgebouwd is, in elkaar gezet is, de concrete vormgevingen. Het zal best waar zijn dat in de concrete structuren van bedrijven etc. verkeerde elementen. zitten, en het is goed die op te sporen en dan verandering van structuur aan te brengen. Maar er zijn structuurprincipes die gegrond zijn in de scheppingsorde, structuurprincipes voor gezin, staat, maatschappij, kerk. En bij die structuurprincipes behoort ook de gezagsverhouding.
De concrete structuren moeten beantwoorden aan de structuurprincipes, dat is te zeggen: daar moeten we naar streven.
Want wij mensen hebben verantwoordelijkheid met betrekking tot de concrete realisering der structuurprincipes. Wanneer nu tegenwoordig geroepen wordt: we moeten de structuren zélf aanpakken, dan is het maar de vraag wat men bedoelt. We moéten inderdaad de concrete structuren aanpakken inzoverre zij niet beantwoorden aan de boven-willekeurige structuurprincipes.
En we moeten degenen die om hervorming roepen niet met een kluitje in het riet sturen door te zeggen: het zit hem niet in de structuren, maar in het menselijk gedrag binnen de structuren.
Neen, de structuren kunnen ernstige fouten en gebreken vertonen.
Maar de roep om verandering van de structuren gaat vaak verder. Hij bedoelt menigmaal: omverwerping van de structuurprincipes.
Dáártegen moeten we "neen" zeggen, Gezagsdragers zijn zondige mensen.
We zijn allemaal zondige mensen. Het kwaad is in de wereld gekomen en heeft doorgevreten en blijft doorvreten. Daarom zal er ook geen heilstaat komen, hoezeer in elk mensenhart iets van het verlangen naar verlossing van het leven aanwezig is: het ganse schepsel zucht. De aanwezigheid van het kwaad mag echter geen excuus zijn om ons nu maar bij de standen van zaken neer te leggen. We zullen vanuit de verlossing in Christus hebben te staan naar vernieuwing. Vanuit de verlossing in Christus die de schepping herstelt! Dat brengt tweeërlei met zich mee: 1. dat de gezagsdragers zondige mensen zijn mag ons niet doen besluiten: het gezag is uit den boze; 2. het koninkrijk Gods waarin het herstel gerealiseerd wordt werkt als een zuurdesem en als een zoutend zout; niet met kracht en geweld; en hoewel het er is blijft de bede: Uw koninkrijk kome, dat is: Geef dat wij en alle mensen ons hoe langer hoe meer aan Uw wil onderwerpen.
4. Vrijheid
Gezag brengt begrenzing van de individuele vrijheid met zich mee.
Wanneer een overheidsinstantie voor een weggedeelte en maximum-snelheid voorschrijft heb ik niet de vrijheid daarboven te gaan. Ik mag niet maar doen en laten wat ik wil, handelen zoals het mij goeddunkt. Wie hiérvan uitgaat maakt zichzelf tot souvereine mens en distantieert zich van zijn medemensen: Ik doe wat ik wil en ik heb met een ander niets te maken.
Echter - we staan niet alleen in het leven, we verkeren er samen met anderen, en het behoort tot de taak van de overheid het leven van haar onderdanen te beschermen en daarin állen ten goede werkzaam te zijn. Wanneer zij ergens een maximumsnelheid voorschrijft heeft zij daarvoor haar reden: de desbetreffende weg is een gevaarlijke, bochtige weg, en hogere snelheid zou een bedreiging vormen voor het leven van degene die met die hogere snelheid rijdt én een bedreiging voor het leven van de andere weggebruikers; of: aan een weggedeelte worden werkzaamheden verricht en dáárom zijn gevaren verbonden aan hogere snelheden, of nog weer anders.
In elk geval de overheid is er met haar snelheids-beperking op uit mijn leven en dat van de ander te beveiligen. Daar moet ik niet over klagen maar daar moet ik blij om zijn. De overheid legt mede hierdoor een vloer waarop mijn leven en dat van de ander verder kan gaan, zich kan ontplooien.
Zij dient daarin het algemeen belang én het belang van ieder individueel binnen de gemeenschap waarin haar gezag fungeert, en daarmee dient zij de ware vrijheid. Mét haar snelheidsbeperking doet de overheid ook een beroep op ieders verantwoordelijkheid in vrijheid. Dat vergeten wij wel eens: vrijheid is niet alleen vrijheid om iets te doén maar ook vrijheid om iets te láten. Met betrekking tot de snelheid op die weg geldt niet: ik láát me niet voorschrijven hoe hard of hoe langzaam ik zal rijden, ik doe het zoals ik het wil, ik ben vrij!, maar: in mijn verantwoordelijkheid, die oog heeft voor zelfbeveiliging en beveiliging van de naaste, kies ik overeenkomstig hetgeen aangegeven staat voor een lagere snelheid.
We hebben op die weg heus de macht wel om harder te rijden.
Het gaspedaal laat zich heel gemakkelijk indrukken. En als er juist op dat moment niet gesurveilleerd wordt kunnen we er ook nog zonder bekeuring afkomen.
Maar we hebben dan toch een ernstige kans gelopen onszelf onnodig in gevaar te brengen en een gevaar voor een ander te betekenen.
De ervaring leert dat een groot deel van de verkeersongelukken veroorzaakt wordt door te grote snelheid op wegen die gevaarlijk zijn, onder omstandigheden die zo'n vaart niet gedogen - mist! -, door roekeloos inhalen enz. Het is voor de overheid niet mogelijk alles te voorzien. Zij kan niet, wanneer zich plotseling mist voordoet, haastig op alle wegen een snelheids-beperking voorschrijven.
Zij kan ook niet, omdat het op onverwachte momenten op bepaalde wegen erg druk kan zijn, voor die momenten daar een inhaal-verbod van kracht maken.
We zullen vaak in eigen verantwoordelijkheid onze snelheid moeten bepalen, daarbij uitgaande van de liefde tot onszelf en tot de naaste. Maar wannéér dan de overheid ergens een voorschrift geeft dan zullen we eveneens in verantwoordelijkheid voor opvolging van dat voorschrift moeten kiezen.
Het komt me voor dat zo spreken over de vrijheid in de lijn der Schrift is. Wanneer Paulus schrijft over het al of niet geoorloofd zijn van het eten van vlees dat in het vleeshuis, bij de - heidense - tempel, verkocht wordt, vlees van dieren die eerst aan de afgoden gewijd zijn, dan laat hij de vrijheid werken naar twee kanten: vrijheid om wél van dat vlees te eten, en vrijheid om niét van dat vlees te eten ook al is men overtuigd dat eten wel geoorloofd is. En Paulus' vermaningen en onderwijzingen in dit opzicht, gevolgd door wenken op andere gebieden, lopen uit op het aanwijzen van de "uitnemender weg", de weg der liefde (1 Cor. 13). Daarmee zijn we terug bij ons uitgangspunt: over gezag, over vervulling van het vijfde gebod kunnen we alleen maar wijs spreken, wanneer het alles is ingebed in het gebod van de liefde die de vervulling der wet is.