Mijn broer

1973-06-29
  • Jaargang 17
  • nummer 26
Mijn broer, gij leedt
Een einde, waar geen mens van weet.
Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik
Begrijp het slecht, en tast en schrik.

De weg met iepen liept gij langs.
De vogels riepen laat.
Iets bangs
Vervolgde ons beiden.
Toch woudt gij
Alleen gaan door de woestenij.

Wij sliepen deze nacht weer saam.
Uw hart sloeg naast mij.
'k Sprak uw naam
En vroeg waarheen gij gingt.
Het antwoord was:

" .....
Te vreeselijk om zich in te verdiepen.
"Zie: 't Gras "
Ligt weder dicht met iepen
"Omkringd."

Dit gedicht van Hendrik de Vries, geschreven in de tijd vlak na de eerste wereldoorlog, is weleens het "beste gedicht in onze taal" genoemd.
Over de achtergrond en de bedoeling ervan is, vooral in het literaire tijdschrift "Tirade", enorm gediscussieerd.
Het is interessant te vernemen wat anderen in zo’n gedicht lezen.
Ieder las er wat anders in.
Graag geef ik U door wat ik er in lees, anders gezegd, hoe ik het wonder van dit woord dat vol is van een angstaanjagende beklemming, beleef.

Twee broers van gelijke, of bijna gelijke leeftijd, die, zoals dat vroeger in kinderrijke gezinnen met weinig woonruimte ging, naast elkaar sliepen, hebben een vreselijke tijd meegemaakt.
Hendrik had het al een poos in de gaten: Zijn broer was somber aan 't worden. Hij zag het niet meer zitten. Je kon met 'm praten zoveel als je wou, 't hielp niets. Hij bleef down, zag nergens meer een lichtpunt.
Het was ook altijd hetzelfde onderwerp: die rot wereld.
"Waarom is het mogelijk dat mensen, hoor je dat, mensen elkaar in massa afmaken"? Beesten doel' dat met. Maar mensen wel."
"Ja, hoor eens, dat weet ik ook niet. Maar de mensheid is nu wel zo geschrokken, dat het heus niet weer gebeurd."
,,0 ja? Dat dacht je zeker? Nou, vergeet 't maar, optimist. Je moet die boeken over de oorlog eens lezen. Dan gaat er iets kapot in je."
"Ik kijk wel uit. Je kunt alle ellende toch niet op je nek nemen."
"Nee, je moet met je ogen dicht gaan lopen. Daar schiet je wat mee op."
En zo ging dat. Steeds weer de donkere kanten van het leven.
De broer las alles wat hij over de oorlog te pakken kon krijgen.
"Van het westelijk front geen nieuws", "Kogels en kruisen", "Katrien wordt soldaat".
Hij werd met de dag somberder.
Op een keer zegt ie: "Ik voel me eigenlijk een schurk, dat ik nog leef. Als je een beetje gevoel hebt, stap je eruit."
Wat is Hendrik van die opmerking geschrokken.
"Gek" heeft ie gezegd, "doe niet zo idioot. Ga vechten tegen die gemeenheid."
Maar de broer was niet te overreden.
"Ik zeker? Dat zal wat helpen."
"Ja, natuurlijk helpt dat. Je bent alleen maar laf als je niet meehelpt om er iets moois van te maken."
Zo is er gebekvecht, gevochten.
Want juist als je echt van elkaar houdt, vecht je. Dan laat je de ander niet naar de kelder gaan.
Maar 't werd steeds erger met de broer. Hij bad niet meer voor zijn eten als vader en moeder niet thuis waren. Buiten op straat vloekte ie. In het dorp werd er over gepraat.
Hendrik leed er onder. Maar wat moest hij? Over die dingen kon je met vader en moeder toch niet praten. "Dat gaat wel weer over" zouden ze zeggen ..
Toen kwam die vreselijke avond.
Die avond die telkens terugkomt vóór het inslapen. 't Is dan net of de broer weer naast hem ligt.
Hij tast naar hem. Voelt de lege plaats en schrikt.
En toch kan hij het niet laten met hem te spreken. Hij moet iets zeggen tegen de "verschijning".
"Wat erg, wat erg! Wat moet jij een vreselijk einde hebben gehad.
Dat zal geen mens begrijpen."
En dan ziet hij zich weer samen met z'n broer lopen. Die laatste avond, even buiten het dorp. Op de weg met iepen.
Eerst hadden Ze niets tegen elkaar gezegd. De vogels waren erg druk. Ze riepen nog laat. Iets heel erg bangs was er in. Je voelde het, er gi:ng iets vreselijk gebeuren.
Dan, opeens, zegt de broer: "Joh, ga jij nou maar terug. 't Gaat jou niks aan wat ik ga doen."
"Waarom terug?"
"Nou, omdat ik alleen verder wil!"
Wat is er op die landweg gepraat en gesmeekt. "Doe toch niet zo gek. Ga nou mee terug. Wat moet je nou alleen verder?"
Maar er was geen praten aan. Hij moest en zou alleen verder. Nou, dan moest ie 't ook zelf maar weten. Zo ging hij terug.
Wat is er op die terugweg ontzaggelijk veel door hem heengegaan.
Eén ding wist hij zeker: Hij liet zijn broer alleen gaan door de woestenij. De woestijn in.
Hij kan er niet over zwijgen. Hij moet het ons zeggen. Zeggen hoe hij te1kens die vreselijke avond opnieuw beleeft.
"We sliepen deze nacht weer saam. Uw hart sloeg naast mij.
'k Sprak uw naam en vroeg waarheen gij gingt."
Zo spreekt de dichter met de broer die er ndet meer is, maar die hij toch bij zich weet. "Joh, waarom deed je dat toch? Waarom praatte je niet door met me?"
In die eindeloze gesprekken praat hij de wroeging weg die er bij hem is vanwege het alleen laten gaan van de broer.
Ook is er de brandende vraag: "Waar ging je nu eigenlijk heen?
En wat is er nu precies gebeurt?"
Maar daar komt geen antwoord op. "Ga jij je daar nu maar niet in verdiepen. Dat is te vreselijk."
Maar als hij er steeds op doorhamert, omdat hij daar niet van loskomen kan, is het alsof de broer zegt: "Kijk nu maar naar de werkelijkheid van vandaag.
't Gras ligt alweer dicht. Met iepen omringd."
Tot zover het gedicht, U moet het nu eerst nog eens lezen.
U bemerkt dan hoe de broer wordt aangesproken met het deftige "Gij". Dat suggereert de eerbied voor de "verschijning".
Dat maakt mede het gedicht zo beklemmend.
Ook drie laat zingende vogels. Iets bangs is daar in. Maar dat zegt de dichter niet. Er is iets bangs dat hen beiden vervolgt. Maar 't hoort ook bij de vogels.
En dat einde. Hoe dat was weten we niet. Ook de dichter niet. Geen mens weet er van. Maar 't was vreselijk Te vreselijk om zich in te verdiepen.
Het gedicht spreekt mij nu meer aan dan het mij vroeger deed. Je hoort de laatste tijd teveel over jonge mensen die het niet meer zien zitten. Ook in de kerk.
Ze kijken naar de T.V. en zien zoveel ellende dat ze het niet meer aankunnen.
Voor hen is er, evenals voor de ouderen, maar één weg. De weg van het Woord. Van het Woord dat oneindig meer te zeggen heeft dan dit al zo geweldige woord van de dichter.
De weg die onze Heiland ging was zo vreselijk. Daar kun je je nooit genoeg in verdiepen. Maar 't was geen weg die dood liep. 't Was een weg die door de dood heen, de dood overwon.
"Zie: 't Graf is leeg. De steen is weg."
De Heer is waarlijk opgestaan. De enige reden om het leven te blijven liefhebben.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief