Raadsels in Ezechiël 17

1973-07-20
  • Jaargang 17
  • nummer 27
Ra, ra ... wat is dat?

Kinderen houden ervan raadseltjes op te geven - en als je 't weet mag je 't niet zeggen ... !
Grote mensen houden ook van raadsels - oosterlingen niet 't minst.
God weet dat ook wel. En een van de vele manieren (Hebr. 1: 1) waarop Hij zich tot zijn volk richt is 't opgeven van raadseltjes. Natuurlijk (zeggen wij) doet Hij dat niet zelf. Hij laat het zijn knechten doen. Zoals Jezus later. En Ezechiël vroeger.
Ezechiël vindt het op den duur helemaal niet leuk meer. Hij beklaagt zich zelfs: ach Here Here, men zegt van mij: spreekt hij niet enkel in raadselspreuken? (20 : 49) Maar dat komt natuurlijk omdat het geen leuke raadseltjes meer zijn. Wie de oplossing hoort, gaat huilen of wordt boos.
Conferenciers geven ook vaak raadseltjes op - en lang niet altijd om te lachen, al lachen de mensen tóch, Toon Hermans, Wim Sonneveld, Fons Jansen, Wim Kan - ze kunnen er wat van. Je lacht - maar vaak denk je: die kan ik in mijn zak steken. Je moet de waarheid op een humoristische wijze aan de man brengen.
Dan worden de mensen niet boos en ze lopen de zaal niet uit.

Profeten op de planken

Conferenciers moeten 't hebben van volle zalen, van steeds nieuw publiek. Ze verstaan de kunst om te demonstreren waar ie bij zit: de wereld wil bedrogen zijn.
Profeten hebben vaak een veel ondankbaarder taak. Zij mogen zich niet bekommeren om "veel publiek, volle zalen". Ook niet om boze kritieken. Zij moeten de waarheid zeggen in een wereld die bedrogen wil zijn en zichzelf bedriegt met wrange grapjes (18 : 2). En zij mogen de bittere pil niet vergulden met zoete humor.
De raadsels van Ezechiël zijn meer springladingen - met een ontzaglijk schokeffect. Zij willen, zij moeten schokken. want de toehoorders zijn horende doof ge-
worden. Maar 't is zuur werk voor Ezechiël de aandacht van de mensen vangen en ze dan, als ze nieuwsgierig geworden zijn, de oplossing als een kettingbom voor de voeten gooien.

En nu 't raadsel

Toegegeven: 't is een vreemd raadsel dat Ezechiël aan de eerste ballingen in het eerste Tell Aviv in Babel opgeeft. De koning der vogels (adelaar) rukt van de koning der bomen (ceder) op de koning der bergen (Libanon) de top af en brengt de tere twijgjes naar een handelsland waar hij ze neerlegt in een handelsstad. Daar komt natuurlijk niets van terecht. Als hij ze nu nog bij een kweker gebracht had ...
Moeilijke beeldspraak? Simpel dit: Israëls top-figuren zijn door de koning van Babel naar zijn land gedeporteerd - de eersté ballingschap: een teken aan de wand ...
Machtip is dit arendsrijk. Maar hij, die arend, koning van Babel doet ook nog iets anders. Hij neemt een spruit van het land, plant het in een goed zaaivelden kijk, 't wordt een pracht van een wijnstok, die naar alle kanten uitschiet. Oftewel: hij maakt zo maar 'n telg uitDavids geslacht koning in Jeruzalem: Zedekia/ Mattanja. Enerzijds onder de meest gunstige omstandigheden, anderzijds in een volstrekt afhankelijke positie. In plaats van een koninklijke ceder een laag-bij-de-grondse wijnstok (maar zo was Israël ook begonnen!).
Maar wat doet die wijnstok? Die zoekt 't met zijn wortels (ondergronds, heimelijk) de andere kant uit. De kant van een andere grote arend.
De andere kant op: dus niet naar Babel, maar naar Egypte. En zonder reden: vs 8. Dus voert God de spanning op: gaat dat goed, zal dat lukken, zal die wijnstok (Zedekia c.s.) niet met wortel en tak uitgeroeid worden?
Wie 't weet mag 't zeggen! Willen ze 't wel weten? Ze zullen 't weten.

Een gróót raadsel ...


Nee, politieke overwegingen geven de doorslag niet. Alsof ze dat na zoveel eeuwen nog niet konden weten. Er is een ander criterium.
Góds naam is er mee gemoeid en dáárom zal de koning van Israël 't afleggen tegen de koning van Babel. Want Zedekia heeft trouw gezworen aan Babel.
Hij heeft in Gods naam een eed gezworen. Hij heeft in Gods naam een verbond gesloten. Hij heeft er de hand op gegeven, bij handslag. En God als getuige aangeroepen dat hij 't eerlijk meende.
Dus kan God zich niet onbetuigd laten. Hij is 't nu wel "aan zijn eigen eer verplicht geen ledig toeschouwer te blijven". Trouw- en verbondsbreuk van Israël kent Hij. Dat is helaas voor Hem geen nieuws, al streek Hij vaak de hand over het hart. Maar deze keer laat Hij het er niet bij zitten: "noch Zedekia en de zijnen, noch Nebukadnezar en zijn volk mogen menen, dat een verbond aangegaan in de Naam van Israëls God, geen rechtskracht heeft." Niet alleen Israël, ook Babel zal merken: zo waarachtig als Ik lééf. Gods volk heeft een levende God - daar kom je achter. Ten goede of ten kwade dat hangt van je betrouwbaarheid af, 't nakomen van eden en verbonden.
Er is geen ontkomen aan. Zedekia zal in de handen gegeven worden van de man aan wie hij alles te danken heeft. Erger nog: God jaagt hem op als een stuk wild. En niets zal hem baten (vs 19 v.v.).

Het grootste raadsel!

Dan is 't gebeurd.
Met Zedekia. Met zijn (on)handige politiek. Met zijn (on)heilige eden en verbonden.
En nu: einde? Het doek valt? Het publiek kan naar huis gaan? Is zó Gods conferencier? Geeft God zó raadseltjes op?
Nee. Want nu Hij zelf 't raadsel heeft opgegeven èn opgelost, en 't publiek al nijdig zich omkeert, geeft hij een nieuw op. Eén dat ze, dánk zij 't vorige - nu zèlf kunnen oplossen!
De arenden zijn van 't toneel verdwenen.
God zelf - veel majesteitelijker - komt in actie (vs 22 v.v.). Van de top (1) van een hoge (2) ceder (3) neemt Hij 'n twijgje. Dat wordt geplant op een hoge (4) en verheven (5) berg (6).
Op de hoge berg Israëls (7). 't Is duidelijk hoe hoog God grijpt! En wat een boom wordt 't nu. Hij overschaduwt op zijn hoge standplaats straks alles. De hele wereld gaat er onder schuil - kan er onder schuilgaan en schuilen.
Dat is pas een Koningsboom (vs 231!
Nog van de oude Davids-stam.
Een loot, een twijgje dat straks alles in glorie overtreft.
't Rijk van Nebukadnezar verdwijnt.
Even zeker als dat van Farao. 't Rijk van Davids Zoon overvleugeld alles. Dank zij een God die eden en verbonden (Ps. 89) heilig houdt.
Dat betekent een volkje als Israël, wat betekent Gods volk tussen al die grote rijken? En wat geeft de doorslag? Handige politiek of in Gods naam bezworen eden van kleine mensjes?
Laten we, groot en klein, 't maar bij een raadseltje houden: wat is klein (als een mosterdzaadje bijvoorbeeld) en toch 't grootst?
En als je 't weet, mág, nee móet je 't zeggen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief