Een stukje Nederlandtsche gedenckclanck

1973-07-20
  • Jaargang 17
  • nummer 27
Het vorig jaar gaf Querido een novelle uit, waarvan u de titel hierboven hebt gelezen. De ondertitel luidt: novelle uit het revolutiejaar 1572. Het werk is geschreven in opdracht van een "Comité Herdenking Statenvergadering 1572 te Dordrecht". En ja, als uw geheugen u niet in de steek laat moet in 1572 in Dordt de eerste prinsgezinde statenvergadering van Holland zijn gehouden. Hetgeen een duidelijke rebellie tegen het Spaanse schrikbewind moet hebben ingehouden.

De tachtigjarige oorlog, nog maar enkele jaren in gang, kreeg hier een min of meer duidelijk karakter: deels een oorlog om godsdienst- en gewetensvrijheid, deels een rebels onbehagen over Spaanse uitbuiting, deels ook een bewustwording van wat later ons goede vaderland zou gaan heten; deels dus ook de eerste steenleggingen van een onafhankelijk, souverein Nederland. Van een land, dat aan den lijve gevoeld heeft wat verdrukking, vervolging en ballingschap betekent; een land dan ook, dat altijd voor verdrukten, vervolgden en ballingen openstond; een land eindelijk, dat aan zijn intenationalistische gastvrijheid te gronde dreigt te gaan.

Het moet u in het buitenland - neem nu maar Duitsland, Frankrijk en vooral Engeland - zijn opgevallen: hoe zeer de nationale geschiedenis de belangstelling zelfs van eenvoudige lieden heeft. Iets, dat van ons volk bepaald niet kan worden gezegd. Behalve als obligaat en vervelend schoolvak komen wij als volk maar zeer weinig aan spontane geschiedvorsing toe. Dacht ik. En warmeer de discussie even over de vaderlandse historie zo weiruig algemeen is, is het mogelijk dat diverse bevolkingsgroepen totaal verschillende beelden kunnen ophangen van dezelfde episoden uit ons verleden.

Neem nu bijvoorbeeld de martelaren van Gorcum. Weet u wie dat waren? Wie ze gemarteld heeft? Of dat te Gorcum of te Utrecht is geweest? Om welke reden ze ter dood gebracht zijn? En op welke wijze? Dien tegen een dat u ze op één bloedige hoop veegt met al die andere vervolgden-om-den-gelove, de wederdopers over wie Muus Jacobse zijn ontroerend dichtbundeltje schreef, de geuzen van wie in het Geuzenliedboek zulke stoute en vrome liederen zijn verzameld, en de velen die door Adriaen Valerlus zijn te boek gesteld. - Maar dan moet u een encycIopaedie doorlopen. De Gorcumse martelaren waren helemaal geen ketters, aanhangers van de "nye lere" - maar 19 roomse geestelijken! En ze zijn uitermate gemarteld, daarna deels onthoofd, deels verbrand, onder verantwoordelijkheid van Lumey, graaf van der Marck, vlootvoogd der Geuzen, vertegenwoordiger van de málitia' Christi! Het was niet te Gorcum of Utrecht maar in den Briel, de stad die drie maanden tevoren door de Geuzen was bezet.
Waarom eigenlijk? Om de Geuzen te plezieren en het roomse volk te imponeren? Geen beste motieven, vindt u wel?

Wanneer u zich het vorstelijk gedicht van Anion van Duinkerken contra Mussert herinnert (met het refrein: Jawel, Mijnheer, ik noem mij katholiek!) dan zou u de Martelaren van Gorcum in één zin met Lumey's Geuzen zijn tegengekomen. En kijk, daar hebt u nu die onvervalste historietekening van ons land; nog wel een episode van de oorlog, die ons land tot ons land maakte. Wij weten van die Gorcumse martelaren weinig of niets af - maar ze zijn een eeuw na dato nog door een paus zalig verklaard en na drie eeuwen door een andere paus heilig verklaard. Tot voor enkele jaren stond 9 juli als hun herdenkingsdag op de heiligenkalender.

Ja, die moord op de "Gorcumse martelaren" is en blijft een zwarte bladzij in de geschiedenis van ons volk. Maar we moeten, als we daarover spreken, toch ook niet vergeten dat hij plaatsvond nadat Lumey een bevel van de Prins van Oranje had ontvangen om onder geen beding een "geestelijke" om zijn geloof te "bekommeren"; voorts dat Lumey die afschuwelijke moord vermoedelijk ook doorzette om de Prins te tonen dat hij zich door een Oranje niet liet commanderen en ten slotte dat de gruwelijke verhalen over deze executie afkomstig zijn van Pontus Heuterus, één van de Gorcurnse geestelijken, die evenwel uit angst zijn geloof afzwoer, daarna in dienst van de Geuzen trad, naderhand uit Den Briel ontsnapte, weer rooms werd en toen zijn verhaal schreef! Lumey werd spoedig na deze moord vanwege zijn beestachtig gedrag door Prins Willem ontsdagen en gevangen gezet. En ook hij keerde tenslotte naar de "moederkerk" terug. Het volk zong later: "Lumey van der Marchen, hij leefde als een hond en stierf als een varken!"
Zou bij de onlangs in Den Briel gehouden oecumenische herdenking van de moord op deze arme Gorcummers ook in herinnering zijn gebracht dat Prins Willem in 1568 schreef: "door Placaten zijn eene ontalrijke menigte der ingezetenen, ja over vijftig duizend personen, deerlijk ter dood gebragt"?

Theun de Vries is niet van het protestantse en näer van het roomse vooroordeel uitgegaan. Die is marxist en schreef een novelle. Nu ja, de historiekennis, het gewicht van de motieven, de karaktertekening van zijn personen boden voldoende materiaal voor een forse roman.
Maar goed, laat het bescheiden een novelle mogen heten. Als u het maar leest - zij het 401 jaar te laat. En de schrijver heeft geprobeerd een boekje te schrijven ... als van een ooggetuige uit Dordt!
De zich-ik-noemende verteller stelt een arme notartsschrijver voor, die zijn verleden en zijn heden dooreen weeft. Zijn vader was een kuiper op de Zeeuwse eilanden; een man die tersluiks een Liesveldtbijbel uit Antwerpen kocht en daaruit aan vrouwen kind voorlas; die, in de greep van de Wederdopers gekomen, "de Rechter uit de hemel tegemoet liep" en die te Munster of daaromtrent bij de opstand moet zijn omgekomen. Zijn moeder was een vrome, zachtaardige vrouw, die haar man tevergeefs van wapengeweld trachtte af te houden en zich later als weduwe terugtrok in een begijnhofje. Bart, de verteller, die de introverte aard van zijn moeder en de koppige vasthoudendheid van zijn vader had geërfd, verdient zijn kostje als schrijver bij een Delfts notaris. Hij herkent zijn patroon als ketter - maar komt zelf met zijn gevoelens pas voor de dag als zijn patroon dat uitlokt. Via geheime religieuze samenkomsten ontmoet hij Clan, de dochter van zijn baas: het wordt meteen een grote, zuivere, geheime liefde tussen die twee. Voordat ze wreed gescheiden worden door het bazige standsbesef van haar broer brengt haar levendig en moedig geloof Clara in het gevang. De notaris en zijn vrouw hebben de beulsknechten afgewacht en zijn even l:ater met hun dochter terechtgesteld. De verteller, die bepaald niet wilde vluchten voor het gevaar, is door de roomse oudere klerk bij zijn oren de poort uitgesleept.

Die komt later in Dordt terecht, waar hij een eenzaam armzalig leven leidt als schrijver; belast met wroeging en verdriet, in de smeltkroes van geloof en vaderlandsliefde, Zijn verrader houdt hem in de gaten en begeleidt hem tot zijn ondergang.

De bezetting van den Briel door Lumey, de verschijning van geuzenschepen op de binnenwateren, de weigering van de stad Dordrecht om admiraal de Bossu te ontvangen, de uitmergeling van de kleine man door de gehate Spanjaard. de inspectie door Alva van deze witgezochte vestingstad en de lang verhoopte komst van de Geuzen naar Dordt vullen als historische achtergrond dit verhaal.

Maar de boeien sluiten zich alom de polsen van Bart. Hij is als schrijver en hoeder de vertrouwensman van alle belangrijke bestuurders en kooplieden ter plaatse, die beramen de stad aan de Geuzen uit te leveren. Als de Geuzen op komst zijn wordt Bart verhoord: hij moet de namen van alle betrokken Oranje-gezinden noemen.

Bart is geen held: hij vlucht in zijn "slakkenhuis", verschanst zich in zijn introvertie. De afgrijselijkste foltermethoden kunnen hem wel levenslang invalide maken, maar geen naam komt over zijn bange lippen. Of ja - misschien hebben zijn beulen de naam van Clara opgevangen, wier marteldood hij wil boeten. Bezwijken aan helse pijnen ziet hij namelijk in een visioen zijn geliefde, roept haar, verzoent zich met haar en meent nu met haar in de dood te zijn. En als hij later bijkomt, bevrijd door de Geuzen, meent hij wedergeboren te zijn, de toegang tot een tweede leven te hebben ontvangen in de martelkamer.
Hier zit het grootste misverstand van Theun de Vries. Wanneer de Schrift van wedergeboorte spreekt dan is dat: opdat we ons aardse bestaan op gans andere wijze zullen inrichten dan we van nature zouden doen. Dat niet wij ons leven voortzetten - maar dat Christus in ons gaat leven, vorm aan ons leven geeft. Maar voor de schrijver is de wedergeboorte een duister theologisch begrip gebleven, welk misverstand hij op naam van Bart wil stellen. Dat zag hij mis: Barts leven is door de folterkamer niet veranderd. Hij was voorheen geen held, was het larter ook niet. Had voorheen de Heiland lief, had het later ook. Was voorheen getrouw tot de dood en dat bleef hij. Hij was van kinds af aangeraakt door de adem van het Evangelie, en dat bleef zo. Daarom is de naam van het boek een misverstand.

Het mooiste dat ik in dit boek vond was de christelijke houding van Bart. In een geuzenofficier herkende hij de broer van Clara, Toen CIara en haar moeder, in zakken gebonden, verdronken waren, en de notaris onthoofd, was zoonlief... hem gesmeerd. Die kwam bij de Geuzen terecht en brandde en blaakte onverzoenlijk. Maar Bart gaf zijn vroegere patroon deze les: dat een christen geen kwaad met kwaad vergeldt maar zich voorbeeldig moet gedragen; vooral de liefde en zachtmoedigheid van Christus moet uitdragen in deze rumoerige wereld.

Bart kon dat zeggen. Hij was zelf beproefd in het vuur. Dat was de geuzenofficier niet.

Maar Bart was ook wat Salomo noemde: "een arbeider, bekwaam tot zijn werk; hij is aan de hand van vorsten gesteld." Hij werd notularis op de eerste statenvergadering van Holland, Dordrecht 1572.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief