Bidden voor de vrede van Babel

1973-08-03
  • Jaargang 17
  • nummer 28

Lied van de opgang of van de nedergang?

Toen de sprinkhanen-zwermen van het Groot-duitse-rijk in 1940 op Nederland neerstreken, koesterde Hitler het plan de hele nederlandse bevolking naar de Oekraïne of daaromtrent te deporteren.
De uitvoering van dat plan zou ter elfder ure verhinderd zijn door Felix Kersten, de lijfarts van Himmler, een man die jarenlang in Den Haag had gewoond.
Stel eens dat dit verhaal op waarheid berustte en dat die deportatie was doorgegaan ... En dat dan een profeet ons had opgewekt te bidden voor de vrede en het welzijn van het Groot-duitse-rijk ...
De min of meer défaitistische brochure van Colijn "Op de grens van twee werelden" verwekte al grote verontwaardiging je kreeg het gevoel dat je hele wereld ineenstortte. Laat staan dat een profeet het gewaagd had ons op te wekken tot een hartstochtelijk gebed voor Hitlers germaanse rijk met eeuwigheidsallures.
De boodschap van Jeremia (cp. 29 : 9) per bevriend gezantschap meegegeven, moet dan ook als een bom zijn ingeslagen onder Babels eerste contingent ballingen.
Misschien was Psalm 122 toen al in het psalter opgenomen. Dát is tenminste verstaanbare taal - zeker later als één der liederen van de opgang:
bidt met een algemene stem
om vrede voor Jeruzalem!
Maar bidden met een algemene stem om vrede voor Babel tégen Jeruzalem - dat is zoiets als een apocrypte tekst in een canoniek boek. Je zou bijna zeggen: àls er dan onder Israël al valse profeten waren (27: 14 v.; 29: 8 v.), dan stond Jeremia toch zeker als nummer één op de zwarte lijst.

Hoor, Babel, hoor ... ?

Een en ander speelt zich af zo rond 600 v. Chr. ruim tien jaren voor de totale verwoesting van Jeruzalems stad en tempel. Een deel van Juda is al gedeporteerd door Nebukadnezar.
Voorop (Je)Chonja (Jojachin), de zoon van David, van wie Jeremia had moeten profeteren: schrijf deze man in als kinderloos ... (22 : 30).
Dan ook de koningin-moeder, als zo vaak de stille macht achter de schermen, de ministers en raadslieden en, blijkens vers 1 de voornaamsten van de oudsten, priesters en profeten. En om te demonstreren dat de politiek van de ontmanteling niet pas in 1945 werd uitgevonden: ook de handwerksHeden en de smeden. Juda was politiek, militair en economisch op deskundige wijze machteloos gemaakt.
Maar: Jeruzalems muren, poorten en tempel stáán nog. En een andere zoon van David, Zedekia, zit op de troon. Bovendien voorspellen profeten Babels ballingen: Maak je niet druk, want de dagen onzer plagen, lieve broeders, gaan voorbij (29: 8 v.v.).
In die stemming leefden de joden in Babel, en 't is aan hen te merken geweest. Ze hielden zich vijandig-
afzijdig. Ze stonden bij wijze van spreken elke nacht klaar om te vertrekken - als ware 't Pascha, tijd voor de uittocht 't feest dat ze ánders niet of nauwelijks vierden. Maar nu vertrouwden ze er klaarblijkelijk ten volle op. En dat zal aan hun houding en taalgebruik opperbest te merken geweest zijn: Onze God zal jullie wel klein krijgen, trotse babyloniërs - wij zijn niet bang!
Ten bewijze behoefden ze alleen maar plechtig de thorah te citeren.
Had Nebukadnezar hen gedeporteerd omdat ze bekend stonden als een lastig, oproerig volk ze waren er, in 't hol van de leeuw, niet minder roerig om. En sloegen met wellust in Babel op de grote trom van de bijbel: God krij,gt jullie wel, en jullie koning óók!

Hoor, Israël, hoor ... !

Maar ze komen van een koude kermis thuis. Jeremia's instructie luidt dat ze zich - in Gods n:aam - zullen hebben te gedragen als nette, welopgevoede burgers van het Groot-babylonischrijk.
Ze zullen de overheid onderdanig moeten zijn.
Sterker nog: ze moeten zich maar in Babel "settelen", huizen bouwen, tuinen aanleggen en de vrucht daarvan eten. Hoe lang duurt 't bok alweer voor het boompje groot is? Ze moeten maar rekenen op een langdurig verblijf tussen die gehate babyloniërs: tot in het derde geslacht (vs 6): geen enkele trouwdag hoeft uitgesteld te worden. De jongelui van nu zullen in Babel grootouders worden.
Ja meer dan dat: ze moeten de vrede (metterdaad) zoeken voor de stad van hun ballingschap. Op de meest apocrypte manier: bidt voor haar tot Jahweh ... Jona vloekte al toen Nineveh toch gespaard bleef. Wrat zullen die ballingen in Babel dan gevloekt hebben.
Dat Babel van Ps. 137, met z'n uitdagende trots, z'n vernederende spot over Jahweh, met z'n schitterende paleizen en tempels en daktuinen.
En toch zullen ze niet vloeken, maar bidden. Niet om de vloek over Babel, maar om de vrede van de stad Jahweh smeken: moge Babel vrede hebben, moge het Babel wèl gaan ...
Alleen zó zullen zij zelf vrede hebben, alleen zó zal ',t hun zelf wel gaan. En dat op de lange duur: Jahweh heeft Babel 70 jaren gegeven (vs 10).

... want God blijft (mee)spreken

Een bittere pil. Inderdaad. Maar verdiend. Want zelfs in ballingschap luistert Israël nog graag naar brood profeten.
Anderzijds: God laat hen nog steeds niet los: "op velerlei wijze (Hebr. 1) spreekt Hij hen aan.
Soms met harde, soms met zachte woorden. En met de rekels die 't wagen in Zijn naam het volk rebels te houden, rekent Hij persoonlijk af (vs 21 v.v.), omdat ze het wagen Zijn naam ijdel te gebruiken.
Mogen de motieven van Nebukadnezar voor de deportatie van dit volk in het politieke vlak hebben gelegen, die van God liggen in het religieuze vlak. En ze dienen zijn doel: nog steeds laat Hij dit volk niet in zijn eigen wegen wandelen.
Moet straks het woord van Jes. 55 (vgl. Jer. 29: 11-14) de kleinkinderen lokken om hen uit Babel weg te .krijgen, nu moet het woord van Jeremia hen bewegen zich in Babel "thuis" te voelen.
Zij het niet zonder uitzicht (vs 10), al blijft 't waar dat uitgestelde hoop het hart krenkt.
... met sprekende overeenkomst ... want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn. Dat komt op een vreemde manier wel zo ongeveer overeen met wat Paulus eens in een barre en boze tijd (Nero?!) aan Timotheüs schreef.
Wat dacht u van 't volgende: ik vermaan u dan allereerst (!) smekingen.
gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid (1 Tim. 2: 1, 2). De daarop volgende motivering moge een andere ziin, het gemeenschappelijke element is duidelijk. Vooral als we bedenken dat oude namen in een nieuw licht komen te staan.
Israël, Gods volk, kinderen van Abraham - zijn die benamingen niet uitgebreid tot alle mensen uit alle volken die dé Zoon van David als hun Heer erkennen? En is 't toeval dat namen als Babel en Babylon in gebruik genomen worden als het eerste en tweede Babel definitief verleden tijd zijn?
Waar de vroegere beperkingen sinds het grote Pinksterfeest uit de weg zijn geruimd, krijgen oude begrippen wereldwijde proporties.
Zou het "Israël" van nu niet met Paulus en Timotheüs bidden om de vrede van het "Babel" van bijv. Op. 18? Opdat wij een. stil en gerust leven zouden hebben?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief