Doorstroming in het hoger onderwijs
1973-08-03
Wie in de huidige onderwijsstraten en -stegen de weg nog goed kan vinden, verdient wel een griffel en een zoen van de juffrouw. Om te voorkomen dat u daarin verdwaalt, worden twee van die onderwijsstraten in dit artikel bekeken. Het zijn namelijk straten waarin op het ogenblik nogal wat breekwerk aan de gang is. De bedoeling van dat breekwerk is ze beter begaanbaar te maken. Verder is er een verkeersplan opgesteld om de twee straten beter op elkaar te laten aansluiten en op die manier de doorstroming van de verkeersdeelnemers. Zo gladjes mogelijk te doen verlopen.- Jaargang 17
- nummer 28
Het gaat over de straten van het hoger beroepsonderwijs (h.b.o.) en het wetenschappelijk onderwijs (w.o.), Tot het h.b.o. worden o..a. gereikend de pedagogische akademies, door sommigen nog hardnekkig kweekschool genoemd, de sociale akademies, het hoger technisch onderwijs en de hogere landbouwscholen, Tot het wetenschappelijk onderwijs behoren de universiteiten, technische hogescholen en de landbouwhogeschool in Wageningen: h.b.o. en w.o. samen worden het tertiair onderwijs genoemd.
De stroom studenten naar dit tertiair onderwijs wordt steeds groter.
Maar van die stroom krijgen de universiteiten en hogescholen veruit het grootste deel te verwerken. Alle geslaagden voor het eindexamen gymnasium of atheneum kunnen voor de meeste studierichtingen aan de universiteiten nog wel toegelaten worden. Maar zij kunnen (met de h.a.v.o. mensen) veel minder gemakkelijk toegelaten worden tot de h.b.o-instellingen. Om allerlei redenen, bij voorbeeld gebrek aan ruimte, kan het hoger beroepsonderwijs nieuwe leerlingen weigeren.
Het is duidelijk dat de minister van onderwijs ervoor verantwoordelijk gesteld wordt, als er in de komende jaren een steeds grotere stagnatte gaat optreden in de stroom, omdat alles vol zit. Aan de andere kant heeft hij, bij een steeds toenemend budget, toch onvoldoende geld om de kapaciteit van de onderwijsinstellingen maar steeds te vergroten. Daarom doet hij zijn best het onderwijs steeds sneller en soepeler te laten verlopen en hij laat zich daarbij door vele deskundigen van adviezen voorzien.
Sommige instellingen van beroepsonderwijs en bepaalde studierichtingen van wetenschappelijk onderwijs liggen nogal dicht bij elkaar.
Te denken is aan de h.t.s. en de technische hogeschool, de sociale akademies en de sociologie, de hogere landbouwschool en de landbouwhogeschool.
Het verschil is dat het wetenschappelijk onderwijs meer gericht is op de theoretische vaardigheden op een bepaald terrein, terwijl het hoger beroepsonderwijs meer de op een bepaald vakgebied liggende praktische vaardigheden benadrukt. Toch zijn de bestaande overgangsmogelijkheden van het h.b.o. naar het wetenschappelijk onderwijs beperkt. In de regel zal een h.b.o. student, als hij een h.a.v.o. vooropleiding heeft, zijn studie volledig moeten afmaken om over te kunnen stappen naar de verwante studierichting in het w.o. Daar zal hij die studie weer vanaf het begin moeten doen. Hij krijgt geen kompensatie in zijn studieprogramma voor de al verworven kennis. Dit betekent voor hem aanzienlijk tijdverlies.
Recentelijk heeft de minister van onderwijs een voorontwerp van wet ingediend om deze bezwaren te ondervangen. Doel van deze voorstellen is een onderwijskundige samenwerking tot stand te brengen tussen het w.o. en het h.b.o., zodat het gemakkelijker tot een wederzijdse doorstroming kan komen. Op basis van vrijwillige samenwerking kan tussen verwante h.b.o.- en w.o.-instellingen een gemeenschappelijk toporgaan ingesteld worden, dat bindend advies geeft over de inrichting van het onderwijs, de inrichting en omvang van het propedeutisch examen aan de h.b.o. instelling, de inrichting en omvang van het daarop volgend h.b.o.baccalaureaatsexamen. Verder geeft dit orgaan adviezen over inrichting, onderwijsprogramma’s en examen eisen bij het wetenschappelijk onderwijs en stelt regels vast voor degenen die van een instelling van h.b.o, naar het w.o. gaan en voor hen die andersom omzwaaien.
De h.b.o.-scholen die zo'n samenwerkingsverband aangaan worden uit de 'mammoetwet' gelicht en heten dan instellingen van hoger onderwijs.
Afgestudeerden aan, deze instellingen van hoger onderwijs krijgen de titel van baccalaureus (bc), behalve degenen die afstuderen aan een h.t.s. of h.l.s, die 'ing' voor hun naam krijgen, hetgeen staat voor ingenieur.
De pedagogische akademies zijn van de voorgestelde regeling voorlopig nog uitgesloten, De tendens van deze voorstellen is duidelijk Door de instellingen van het relatief goedkopere h.b.o, meer status en prestige te geven, hoopt de regering een om!buiging tot stand te brengen in de stroom studenten naar het tertiair onderwijs ten gunste van het hoger beroepsonderwijs.
Of deze verwachting uitkomt, moet uiteraard worden afgewacht.
Deze opzet is te begrijpen uit de toenemende behoefte aan een effektief onderwijsbeleid; In 1973 wordt 28% van de rijksuitgaven aan onderwijs besteed en daarmee is een bedrag van 12 miljard gulden gemoeid. De uitgaven voor het onderwijs hebben de neiging te blijven stijgen en kostenbewaking is dan ook bitter nodig. In dit kader moeten de maatregelen ter verkorting van de kususduur bij het W.O. de geplande centralisering van het onderzoeksbeleid en de hierboven uiteengezette maatregelen bezien worden.
Naast deze ontwikkeling is er nog iets anders aan de gang bij het tertiair onderwijs. Dat is de demokratisering, waarvan de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB) een voorbeeld is. Een van de elementen van de demokratiseringsgedachte is de wens ook die maatschappelijke lagen., die in het hoger ondierwijs nog ondervertegenwoordigd zijn, een kans te geven, De vraag of deze vermaatschappelijking van het onderwijs zich laat verzoenen met een efficiencyverbetering is tot op heden niet beantwoord.