Persschouw
1973-08-03
• Oude-persschouw - Jaargang 17
- nummer 28
Zetter vergeet vooral niet dat kleine streepje in het opschrift!
Want wat er nu volgt is niet een oude, lang geleden in elkaar gezette, persschouw, maar een "schouw" uit "oude pers", dus een oude-persschouw en niet een oude persschouw. Die oude-persschouw heb ik beloofd in het artikel in "Kerkelijk Leven". En die volgt nu. 1) Ik wil hier een paar stukjes uit de pers van de Afgescheiden Kerken overnemen. En wel uitdie van de bloeitijd ervan. Dus ongeveer uit de jaren 1850-1890. In die tijd beleefden de "naar Gods Woord ge-re-formeerde kerken" zij waren de "Afgescheiden Kerken" en voerden sinds 1869 als officiële naam "Christelijke Gereformeerde Kerk" - een ongewone bloei. Zo indrukwekkend als geen kerk ooit in ons land vertoonde.
Ik geloof dat dat kwam omdat die kerken, na een periode van allerlei ruzies, eindelijk de gestalte van Christus gingen vertonen en zo als een magneet werkten op allen die de HERE in oprechtheid liefhadden.
Als men nu de kerkelijke bladen van die Afgescheiden Kerken leest dan rijzen daaruit - ik laat de docenten van de Theologische School buiten beschouwing vooral twee figuren hoog boven alle kerkbladenvullers uit. Vooreerst ds W. H. Gispen, de grootvader van de emeritus-hoogleraar van de V.U., en ds J. van Andel.
• de "oude Gispen"
Eerst wil ik iets citeren van de eerstgenoemde.
Ik heb, geloof ik, wel zo wat alles gelezen wat deze geschreven heeft. En er zijn weinig schrijvers van wie ik zo heb genoten. Ik hou van die man.
Gispen was in de volle zin van het woord "singulier". Hij was de enige zoon van zeer eenvoudige Amsterdammers. Zijn moeder was een innig vrome vrouw. Steeds weer noemt hij haar met warme dankbaarheid. De jonge Gispen was buitengewoon intelligent. En hij bezat een ongelofelijke scherpe opmerkingsgave. Daarbij was hij zeer humoristisch. Onder die humor leefde evenwel een zwaarmoedig pessimisme, geboren uit het besef van de zonden en de dwaasheden der mensen. Maar dat pessimisme was tegelijk ook de keerzijde van een optimisme van rotsvast geloof!
Reeds zeer jong was Gispen een oprecht en diep gelovend christen.
En van jongs af had hij ook maar één begeerte: de verkondiging van het evangelie. Daartoe kwam hij dan ook al bizonder gauw. Nog vóór hij meerderjarig werd was hij nota bene al dominee!
Zijn lagere schoolopleiding was pover. En direct .na zijn schooltijd werd hij leerling bij een zilversmid. Hij moest voor thuis mee de kost verdienen! Maar na een jaar lang wat theologie te hebben gestudeerd onder leiding van de "kruisdominee" Kloppenburg werd hij op 17 aug. 1856 predikant in De Lier. 3) De "ster" van ds Gispen rijst dan al heel gauw aan de kerkelijke hemel. Vanzelf komt hij naar voren.
Of liever - hij zei het meermalen nadrukkelijk - hij werd al heel gauw, ondanks zichzelf, naar voren geschoven. Zonder enige twijfel was hij een van de vroomste, fijnste, wijste, knapste en geestigste figuren in de Afgescheiden Kerken van die dagen.
Toen hij dominee was geworden zei zijn vrouw tegen hem: "Willem je moet nu eerst een leerboekje van de Nederlandse taal kopen, want je kunt die echt nog niet goed spreken en schrijven!" En Gispen studeerde en studeerde.
Vooral in de tijd toen hij in Kampen predikant was heeft hij alle kansen die de School hem daartoe bood volledig uitgebuit. 4) En zo werd de "artikel-achter" Gispen meer dan dertig jaar de meest geliefde scribent in en zelfs jarenlang de hoofdredacteur van "De Bazuin"! Bovendien was hij meermalen praeses van de generale synode en jarenlang ook curator van de Theol. School. Uiteindelijk werd hij zelfs ere-doctor in de Theologie. Daarvoor zorgde het Hope-College in Amerika!
Maar - echt Gispen - "dr" voor zijn naam zetten deed hij nooit!
Gispen was in hart en nieren Amsterdammer. Hij was innig gelukkig toen hij na 25 jaar “op het land" dominee te zijn geweest weer in zijn "stad" terug was, Hij heeft daar nog meer dan vijf en twintig jaar als dominee met-altijd-volle-kerken gewerkt.
Wat Gispen in De Bazuin aan de Afgescheiden broeders en zusters zeggen wilde bood hij hun aan in de vorm van "Brieven aan een vriend te Jeruzalem.". Daarmee schiep hij een eigen genre van journalistiek. Het doet mij altijd denken aan de "kronkels" van Carmiggelt. Even fijn van observatie en dictie en humor. Het is wel nagebootst. Maar dat werd altijd een mislukking, Bavinck schreef over Gispen na diens aftreden als hoofdredacteur van "De Bazuin":
Wars van eenzijdigheid, liet hij beurtelings naar de éne en naar de andere kant zijn stem waarschuwend tegen alle overdrijving uitgaan. Begiftigd met iets van die fijne geest, die onder de naam humor bekend staat, zag hij in de wijsheid der mensen nog altijd iets van hun dwaasheid en ijdelheid doorgluren en speurde zijn oog in der mensen dwaasheid nog altijd een trek van hogere wijsheid. Daarom behoorde hij nooit tot de ene of andere partij.
Waar een ander de lichtzijde zag, merkte hij de schaduwzijde op; en als menigeen niets dan gebreken ontdekte schiep hij er behagen in om de deugden in het licht te stellen. Hij zag de dingen, de vraagstukken, de personen anders dan ieder ander. Hij had een eigen visie en gaf die in zijn "Brieven aan een Vriend te Jeruzalem" weer. En daarom waren deze zo geliefd en werden zij zo gretig gelezen. Ze hadden een frisheid en oorspronkelijkheid, welke iedereen boeide, ook degene die er soms de dupe van was."
• humor over humor
Ja, die frisse, oorspronkelijke humor was vooral het boeiende in Gispens perswerk.
Wat humor is heeft hij zelf eens in één van de genoemde brieven verteld. Wat hij daarover schreef is humor over humor! Hoor maar: Humor is geen volkszaak, maar alleen te genieten door enigszins ontwikkelden van geest, en die er een natuurlijke vatbaarheid of gevatheid voor hebben. En deze gave is niet aller, zo min als de gave des geloofs.
Aan een weinig echt humorisme hadden we anders wel behoefte.
Het leven is zo verschrikkelijk ernstig, dat de gulle lach steeds meer van onze mond heen gaat. Wel zijn er nog humoristen, maar of hun humor is zo tranenwekkend, dat de humor geen humor meer is, of hun ernst is zo humoristisch, dat de ernst geen ernst meer is. Als iemand een humoristische ader dn zijn wezen heeft en daarbij een Christen hoopt te zijn, draagt hij een Ezau en een Jacob bij zich om, en zegt hij duizend maal tot zichzelf: ben ik dus waarom ben ik zo? 5) De Jacob in hem vreest het woord: voor ieder ijdel woord, dat de mens gesproken zal hebben zal hij rekenschap moeten geven; ijdelheid en zot geklap betamen niet, maar veelmeer dankzegging.
En de Ezau roept hem onophoudelijk toe: zie nu eens, hoe gek dit en dat is; lach er om, en laat anderen met u lachten!
• het "Predikbeurtenblad"
Gispen hield van mensen. Na de zware zondagen - dikwijls lange einden lopen naar de kerken waar hij preken moest! 5) - ging hij 's maandags graag naar de Amsterdamse markten om daar naar de mensen - vooral naar de joodse kooplui - te kijken en te luisteren. Wat heeft hij genoten van de fenomenale welsprekendheid van de "kokadorussen". 6) In zijn brieven komt telkens iets voor van wat hij met grote pret in Amsterdam zag en beleefde.
Ik zal daar een enkel staaltje van doorgeven.
Toen Gispen in Amsterdam kwam verscheen daar wekelijks een beroemd "Predikbeurtenblad". Dat was de opvolger van het evenzo beroemde "domineesbriefje".
Ik begrijp heel goed dat deze namen de mensen van onze verlichte tijd niets zeggen. En daarom wil ik er iets van vertellen.
Het "domineesbriefje" was de echt amsterdamse typering voor wat officieel "Predikbeurtenlijst"
heette. Op dat wekelijks verschijnend "domineesbriefje" - het was een lang smal stuk papier 7) - stond in geregelde volgorde welke dominee in elk van de vele kerken van Amsterdam de e.k. zondag zou preken. In heel veel winkels werd in het weekeinde dit domineesbriefje in een kastje achter glas te kijk gehangen. En zaterdags verdrongen zich de mensen ervoor om van het geestelijke menu voor de komende zondag kennis te nemen en daaruit een keuze te doen. Het is bijna niet te geloven, maar het is waar, een eeuw geleden was het werkvolk in Amsterdam nog zeer kerks!
Het "domineesbriefie" werd na verloop van tijd vervangen door het "Predikbeurtenblad". Dat was een uniek weekblad. Een uitvinding van Kuyper : Een oecumenisch orgaan avant la lettre.
Daarin werden namelijk alle in Amsterdam te houden predikbeurten afgedrukt. Voorts allerlei officiële mededelingen van de verschillende kerken. En daarbij van alles en nog wat dat voor kerkeraden, commissies en kerkleden van belang kon zijn. Er werden ook artikelen in opgenomen - maar alléén zulke waaraan niemand zich ergeren kon: historische bijdragen, fragmenten uit de zendingsgeschiedenis, levensberichten van personen uit vroeger en tater tijd, enz. Het blad hield zich zorgvuldig buiten iedere kerkstrijd. Het was geweldig in trek!
Toen Gispen dominee in Amsterdam was geworden werd hij natuurlijk nok een trouw lezer van het "Predikbeurtenblad". En het sprak van zelf dat hit over deze bizondere krant ook eens zijn zegje moest weggeven. Hij deed het in een Jaarboekje voor de Chr. Geref. Kerk. Ik zal er iets uit overnemen.
Het leeuwenaandeel van het predikbeurtenblaadje is voor de advertenties!
Advertenties zijn de goud- of zilvermijn voor de mannen der pers en de H.H. uitgevers. En Amsterdam is nog altijd een koopstad, en de koopmansgeest verloochent zich niet, zelfs niet in de kerkelijke wereld!
Op het stuk der advertenties onderscheidt het predikbeurtenblaadje zich in niets van andere bladen, dan alleen hierin, dat er niet in voorkomen aankondigingen van publieke vermakelijkheden, Hop-bitter, en kwakzalverij. Als naar gewoonte wordt de rij geopend door gelukkige mensen die bekend maken dat ze getrouwd zijn, een zoon of een dochter of beiden tegelijk hebben gekregen. Dan volgen de dankbare kinderen, behuwd; en kleinkinderen die zonder dat belanghebbenden er iets van weten, mededelen, dat hun ouders 12 1/2 jaar of langer in een gelukkige echt verenigd zijn.
De tegenstelling met dezen wordt gevormd door de bedroefden, die het verscheiden van echtgenoot of kind, van vader of moeder, van vriend of maag bekend maken. Deze advertenties doen mij altoos het meest aan. Wat een onuitsprekelijke smart is in een paar regels soms neergelegd! Een bont allerlei volgt nu. Juist zoals het leven is. Een strijd om het bestaan, zeggen sommigen, Vraag en aanbod. Een osseslager, d.i. iemand die ossen doodslaat (wij, Amsterdammers, houden niet van die sluit u, zelfs niet in de pluralis, en eten geen ander vlees dan dat afkomstig is van vette ossen, waarom wij een rundvleesverkoper of slachter in tegenstelling roet een varkensslachter gewoonlijk een osseslager noemen), een osseslager dan vraagt een dienstbode P.G., d.i. van Protestantse godsdienst. Nevens hem doet een aanzienlijke koopmans., of bankiersvrouw van de Heren; of Keizersgracht dezelfde vraag. Wie geld over heeft wordt de weg gewezen naar de spaarbank, en wie last heeft van wandgedierte of andere schadelijke insecten, alsmede van eksterogen behoeft die last niet langer te dragen dan hij verkiest, want tegen billijke conditiën kan hij er dadelijk van bevrijd worden. Buen Gusto wordt ons voor., gesteld als een heerlijke sigaar, en waar men de netste en goedkoopste beklede luiermandjes kan kopen, is voor een lezer van het predikbeurtenblad geen raadsel meer. Zonder ernstige bestrijding te duchten, durf ik vrijmoedig beweren dat er nergens een plekje is, waar kerk en maatschappij zo vreedzaam en harmonisch te zamen wonen als in het Amsterdamse predikbeurtenblad, En bedenkt men daarbij, dat men al deze lectuur heeft voor één enkele gulden in een geheel jaar, dan verwondert het zeker niemand, dat er vrijdagsavonds, heel Amsterdam door, door ouden en jongen, door kerkelijke en wereldlijke personen gevraagd wordt: "Is het Predikbeurtenblad er al?"
Op deze wijze gaat Gispen door.
Hij merkt o.a. op dat het Predikbeurtenblad ook een afspiegeling is van het "vrederijk". Want de meest "linkse" predikant staat soms broederlijk vlak onder of boven de zwaarst orthodoxe!
Gispen wijst er dan speciaal op dat het Predikbeurtenblad vooral ook laat zien hoeveel er toen in kerkelijk Amsterdam ten goede was veranderd. In het "dominees briefje" kwam jaren lang op de lijst van de kerkdiensten in de Ned. Herv. Kerk maar één enkele orthodoxe predikant voor (Hasebroek - e.v.). Maar in de week van 16-23 sept. 1883 b.v. vond men in de 24 aangegeven predikbeurten de namen van slechts 3 modernen en 1 oud-liberaal, de overige waren orthodoxe predikanten. Gispen was er zeer blij mee. Hij schreef kort voordien in een brief aan zijn vriend te Sion: Het Amsterdam van Trigland en Smout bestaat ook nog, en herleeft weder in vele opzichten, Gode zij dank! 'Men kan tegen de wijze waarop soms gestreden wordt voor de ere Gods, over waarheid en recht (door Kuyper c.s. - C.V.) bezwaren hebben, maar dat er gestreden wordt en onze God getuigenis geeft aan die strijd, is onmiskenbaar. In onze volkrijke stad woont ook veel volk, dat met zijn hand heeft geschreven: Ik ben des Heren. Dat ik niet zeer Hervormde-Kerk gezind ben, is algemeen bekend. Maar toch (het bloed kruipt, waar het niet gaan kan) vervult het mij menigmaal met stme blijdschap als ik zie, dat ook in die kerk de waarheid vorderingen maakt, en de belijdenis der vaderen bij velen weder in ere komt, en men streeft naar hetgeen wij, tot roem van Gods genade, bezitten."
Tot mijn schrik merk ik dat ik al ver over de maat van een Persschouw gekomen ben. En dat betekent: ruzie met onze beste zetter.
Maar ja - als je ook over de “oude Gispen" begint!
Ik troost me met de gedachte dat deze Opbouw een zomernummer is. En een redacteur zei eens dat de mensen die toch niet lezen.
En voorts: de rest, het beste, houden de lezers in ieder geval nog tegoed!
1) Deze persschouw was bestemd voor het voorafgaande nummer maar moest wegens plaatsgebrek overstaan.
2) Reeds tijdens zijn leven werd deze ds Gispen de "oude Gispen" genoemd. Dat kwam ook omdat twee van zijn zoons, W. H. Gispen Jr., en J. Gispen predikant waren geworden, ten slotte resp. in Scheveningen en Groningen. Een zoon van W. H. Gispen Jr. is de bekende emeritus-hoogleraar van de V.U. Deze laatste had ook een zoon die predikant was. Deze - een begaafde pre; diker - is helaas jong gestorven.
En zo leeft de afgescheiden Gispen voort als de "oude Gispen". Het gaf mij een schok toen ik onlangs ook over mij als over de "oude Veenhof" hoorde praten.
3) De “kruiskerken” waren een groep kleine "afgescheiden" kerken die zich van de hoofdgroep had afgescheiden omdat deze een nieuwe kerkorde invoerden. Later hadden de "kruiskerken" bezwaar tegen de autorisatie van de gescheiden kerken door de overheid. In 1869 kwam het tot hereniging van deze kerkengroepen.
Gispen had zich met zijn tweede gemeente, die van Vlissingen, reeds eerder bij de hoofdgroep der Afgescheiden kerken aangesloten.
4) In die tijd werd aan de Theologische School elke week een “krans" gehouden. Daar waren alle docenten en studenten aanwezig. Een "literarisch" student leverde een opstel en een theologisch student een "preek". Die werden door studenten en docenten gecritiseerd. Op deze krans ontbrak Gispen in zijn Kamper periode nooit!
5) Toen Rebekka merkte dat zij zwanger was van een tweeling zei zij, naar de lezing van de Statenvertaling: "Is dit zo? waarom ben ik dus? - Gen. 25 : 22.
6) Toen eens aan Gispen gevraagd werd waarom hij niet per tram naar de verafgelegen kerkgebouwen ging wees hij eerst met zijn vinger naar boven en zei: "Mijn Vader vindt dat wel goed, maar - en toen wees hij op de ouderlingen die bij hem stonden - mijn broers willen dat niet."
7) "Kokaidorus" was een beroemde, ongelofelijk goed gebekte en zeer geestige "standwerker'' in Amsterdam.
8) De geestige Amsterdammers typeerden dikwijls een lange, magere man wel als: "dat domineesbriefje”.