Paulus' brief aan de Galaten
1973-08-24
Zachtmoedigheid 6 : 1- Jaargang 17
- nummer 30
We moeten ons door de indeling in hoofdstukken, vers en of pericopen niet in de war laten brengen.
Die zijn nl. allemaal van mensen. Deze indelingen zijn erg gemakkelijk om een bepaalde plaats in de H. Schrift aan te geven, maar ze kunnen ook op een verkeerd spoor brengen. Ik meen dat Paulus in 6 : 1 niet in eens op een ander onderwerp over gaat.
In het vorige hoofdstuk ging het duidelijk over de vraag hoe we met elkaar dienen om te gaan in de gemeente. En daarover gaat dit vers ook.
Legalisme, moralisme, wetticisme, Judaïsme maakt harde mensen. De legalist is er altijd op uit bezwarend materiaal tegenover een ander te verzamelen. Om hem te pakken te nemen. Dan krijgt men het bijten en vereten en door elkaar verslonden worden. 5: 16; 5 : 26. Zo mag het in de gemeenschap der heiligen niet toegaan.
Daar moet de liefde heersen en daarom de zachtmoedigheid als vrucht van de Geest. 5 : 22. Er is alle reden om zachtmoedig te zijn, als iemand op een overtreding betrapt wordt.
In de eerste plaats om de waarheid van het Evangelie. We zijn door Christus verlost. Uit genade alleen zonder de werken. Dat alleen al moet een mens tot zachtmoedigheid brengen. "Genade maakt mededeelzaam". Wie van genade weet te moeten leven, wil die genade aan een ander ook graag gunnen.
De tweede reden om zachtmoedig te zijn, is het feit dat we allemaal zondaren zijn en tot alle kwaad geneigd. Wie zijn eigen gebreken kent valt het niet moeilijk om met de gebreken en zonden van een ander rekening te houden, zelfs al is het nodig om iemand terecht te wijzen.
De gulden regel voor alle onderlinge vermaan. Deze zachtmoedigheid verdoezelt de zaken niet, maar weet uit de Geest van Christus handelend, de zonde aan te wijzen om de zondaar te winnen.
Zodra de zachtmoedigheid in het vermaan verdwenen is, is de scherpe punt van het vermaan ook stomp gemaakt en .zal men niet meer bereiken wat men moet bereiken: de zondaar winnen voor Christus.
Lasten 6 : 2-5
De St. Vert. heeft in vers 2 "draagt elkanders lasten". De vertaling van het N.B.G. "verdraagt elkanders moeilijkheden". Het woord kan ook betekenen die "dingen waarin iemand aanzien heeft" (Van Stempvoort), Het verband doet me kiezen voor deze betekenis. In 5 : 26 werd de gemeente gewaarschuwd niet praalziek te zijn, elkaar niet te tarten en niet te benijden. Er is nu eenmaal verscheidenheid van gaven.
In de eerste brief aan de Corinthiërs spreekt Paulus ook over deze zaken. We behoeven niet jaloers te zijn. Dat is in strijd met de wet van Christus. Dat Christus het einde van de wet is (Rom. 10 : 4) en dat Hij de wet vervuld heeft betekent niet dat Hij aan ons geen enkele eis meer stelt. We dienen naar de wil des Heren te leven, ook onderling. Christus was dienende onder de mensen. In het dienen van elkaar vervullen we de wet van Christus. Hier heeft het woord wet een gunstige betekenis.
Niet een leven "uit de wet" om een eigen gerechtigheid op te bou wen, maar leven uit genade om elkaar op te bouwen.
In 6, 3, 4 wordt dit nader uitgewerkt.
We mogen niet jaloers zijn, niet praalziek, want dan hebben we niet de rechte zelfkennis. Ieder heeft het druk genoeg om zijn eigen werk te toetsen. Ieder heeft ook eigen gebreken. En als iemand wat denkt te zijn tegenover God zit hij er echt wel helemaal naast, zoals in héél deze brief gezegd is.
En als er stof tot roemen is dan is het alleen roemen op Gods genade.
Dat dient niet vergelijkenderwijs te gaan. Want ook in het oordeel zal het niet vergelijkenderwijs gaan. Ieder zal zijn eigen last dragen.
Zo is vers 5 ook niet in strijd met vers 2. Er worden in het Grieks ook verschillende woorden gebruikt.
Kerkelijke bijdragen 6 : 6-10
De catechisant moet zorgen voor het onderhoud van de catecheet, zo zouden we vers 6 kunnen parafraseren.
Want die woorden worden gebruikt. We moeten dan niet denken aan de betekenis, die wij aan die woorden hechten.
Maar wel aan dit: de behoeften nodig voor de verkondiging van de vrijspraak uit genade, de waarheid van het Evangelie, moeten gemeenschappelijk gedragen worden.
De boodschap van het Woord dient uitgedragen te worden, naar goede orde en regel. 1 Cor. 9: 7-14. Al heeft Paulus voor zich zelf van de regel met opzet geen gebruik gemaakt, hij verordent deze regel wèl voor wie verder het Evangelie verkondigen.
Wel gewichtig willen zijn (vers 2) en niet mee willen dragen aan wat nodig is voor de verkondiging van het Evangelie is spotten met de HERE.
Ook dit heeft te maken met de tegenstelling tussen de werken van het vlees en de vrucht van de Geest.
Die gemeenschappelijkheid eindigt niet bij de zorg voor de verkondiging van het Evangelie, maar die omvat al de noden van de huisgenoten van het geloof en de niethuisgenoten.
Het is gewoon onmogelijk dat een geestelijk mens onaandoenlijk door de wereld gaat en door de kerk gaat.
Slot 6 : 11-18
Paulus blijft bij het onderwerp van deze brief. En met alle ernst. Paulus dicteerde veel van zijn brieven, zo niet allemaal. Rom. 16: 22; 1 Cor. 16: 21; 2 Thess: 3 : 17.
Ook nu pakt hij zelf de pen. En met grote letters schrijft hij het slot eraan. Kon hij misschien niet zo goed zien? 4 : 15.
In ieder geval maakt hij dan van dat gebrek nu gebruik om indruk te maken. Hij herhaalt wat al gezegd is. De drijfveer van de dwaalleraars, die de gemeenten in verwarring brachten, waren niet goed. Ze wilden roemen op hun aanhang en de grootheid daarvan.
Maar Paulus wil nergens anders in roemen dan alleen in wat Christus voor ons aan het kruis heeft geleden. Toen op Golgotha viel voor hem de beslissing al. De dwaalleraars wilden ook ontkomen aan de vervolging. Waarschijnlijk van Joodse zijde, waarvan Paulus zo veel last heeft gehad (vers 17). Door je te laten besnijden bleef of werd je een jood.
Dat was een toegestane religie in het Romeinse Rijk. Maar dan had je ook geen last van stokslagen in de synagoge. 2 Cor. 11 : 24 vv .
Daarom verzoekt hij nu dringend niet langer lastig gevallen te worden.
Dragend de littekenen van Christus kan en mag hij dit verzoeken.
Al zijn verdriet en boosheid over deze gemeenten belet hem niet om hen te groeten met de genade van onze Here Jezus Christus.
Vrede en genade wenst hij toe aan allen, die zich richten naar wat hij gezegd heeft. Ook aan Israël. Gods volk. Rom. 9 : 1-5.