DE AFGANG VAN DE PSYCHIATRIE
1973-08-24
Het is opvallend met wat 'n verwonderlijke snelheid de medische stand ontluisterd wordt en in de medische stand de psychiatrie met name.- Jaargang 17
- nummer 30
Het is voor de "leek" zichtbaar begonnen bij de verschijning van het boek van dr Jan Foudraine, in ons blad besproken door ds W. G. Rietkerk.
Een boek dat intussen al een oplage van 130.000 exemplaren heeft gehaald!!
Daarna verscheen het boek van Mevrouw C. A. van Eijk-Osterholt, getiteld "Laten ze het maar voelen". (Uitgave Van Gennep). Terwijl de triologie nu voltooid is met de verschijning van het boek "In het land der blinden", door Evelien Paull, ook uitgegeven door uitgeverij Ambo, waarbij het boek van dr Foudraine ook verscheen.
De volgorde is niet toevallig.
Foudraine is een man van het vak, die rebelleert tegen de behandeling van de schizofrenie en totaal nieuwe wegen wil inslaan.
Mevrouw Van Eijk beschrijft hoe zij als familielid de behandeling van haar zuster heeft gade geslagen en laat vrijwel niets heel van het inrichtingswezen op dit punt en dus ook niet van hen, die de inrichtingen besturen.
Evelien Paull is een schuilnaam.
Zij schrijft hoe ze als patiënte een behandeling heeft ondergaan.
Deze volgorde is helaas een logische.
Pas toen de vakmensen zelf bezwaar kregen tegen de huidige gang van zaken krijgt de patiënt de moed om ook het zijne ervan te zeggen. Helaas noem ik deze volgorde logisch, omdat je het tot voor kort wel uit je hoofd moest laten als patiënt je oordeel te geven over de psychiatrie. Tot voor kort werd immers alles wat je deed of zei als patiënt "ingepast" in je ziektebeeld en verloor daarmee voor de patiënt zelf alle waarde, Het was alleen maar aandragen van voer voor pychiaters, dat maar al te veel tegen je gebruikt kon worden.
Hoe minder je zei hoe beter.
Vooral ook niet weer te weinig zeggen, want dan werd dát weer tegen je gebruikt.
De rechteloosheid van een patiënt en daarmee de afhankelijkheid van de behandelende arts of van de inrichting was wel zo groot, dat je daarmee altijd rekening moest houden.
De machtstructuren, vrijwel ongeschreven, zijn of waren wel zo groot dat iedereen die een beetje slim was, daar rekening mee hield. Deed je dat niet dan verlengde dat alleen maar je verblijf.
In het boek van Mevrouw Van Eijk staat een nawoord van dr J. P. Teuns, een man van het vak, die tot de stelling komt: "Psychiatrische inrichting, gevangenis en concentratiekamp; het zijn alle dr.ie gesloten, autoritaire systemen .. die de patiënt of gevangene als onaangepast, ongewenst, gevaarlijk of overbodig uit de samenleving verwijderen".
Het lijkt me onbillijk deze drie instellingen op één rijtje te zetten.
Daarmee wordt onrecht gedaan aan de vele artsen en verplegers en verpleegsters die met veel liefde hun werk doen en werkelijk het belang van de "cliëntèle" (uitdrukking van dr Teuns) op het oog hebben en voor hen dag en nacht klaar staan Maar wel is juist dat de psychiatrische inrichting inderdaad een autoritair systeem vertoonde of vertoont, dat ontmenselijkend werkt.
• Anoniem
Het zal de lezer opvallen dat ik in de verleden tijd schrijf, - en de mogelijkheid aanwezig acht dat er nog zulke toestanden bestaan.
Ik schrijf óók anoniem, omdat in dit artikel ook een oudverpleegde aan het woord is. Zo lang geleden dat hij uit eigen ervaring geen oordeel kan vellen over de huidige toestand. Dat doen dr Foudraine en Mevrouw Van Eijk wel.
Waarom anoniem? Vlak na de tweede wereldoorlog heb ik eens een, naar ik meen deense, film gezien, die handelde over de terugkeer in de maatschappij van genezen tbc-patiënten. Die film had als titel "mensen die men schuwt". Het was voor vele genezen tbc-patiënten niet meer mogelijk om ergens aan de slag te komen, ja verschillenden werden door eigen omgeving geschuwd, uit vrees voor besmetting.
Zo'n vrees was te begrijpen.
Maar de ontslagen (hoe sprekend is het woord) psychiatrische patiënt behoort vaak nog tot de categorie van mensen die men schuwt. Uit zelfbescherming moet je wel anoniem blijven of trachten te blijven. Want hoe lang het ook geleden is, dat je verpleegd bent, na tientallen jaren word je nog nagezeten met dit stuk van je verleden.
Als je rijbewijs verlengd moet worden, om maar een klein voorbeeld te noemen, moet je een lijstje invullen (met ja of nee).
Daaronder is ook de vraag of je wel eens psychiatrisch verpleegd bent. Moet je daar "ja" op zeggen, dan dien je gekeurd te worden en dan ga je maar weer naar een vreemde dokter, - je eigen dokter mag je immers niet keuren - en moet je hem je verhaal weer vertellen. Een stuk discriminatie dat tot vandaag toe geldt.
Geen enkele partij is zo "progressief" om dit onrecht aan de kaak te stellen.
Een andere reden waarom het noodzakelijk is anoniem te blijven is gelegen in het feit dat ik niet verpleegd ben in een inrichting die te vergelijken valt met de inrichting, waarin de zuster van Mevrouw Van Eijk verblijft.
Hoewel ik op dit punt niet gau verbaasd meer ben, was ik het wel toen ik haar boek las. Dat zulke toestanden bestonden en bestaan - haar boek sluit ze af in het jaar 1972 - had ik niet voor mogelijk gehouden. Een pluspunt voor de inrichting waarin ik behande1d ben en die ik dus niet graag in een kwaad daglicht wil stellen. AHe inrichtingen zijn kennelijk niet eender geweest, gerekend over de periode van zeg maar na de oorlog.
• Machteloos
Waar de inrichting die Mevrouw Van Eijk beschrijft en "mijn" inrichting wel overeenkomen is de volslagen machteloosheid van de patiënt. Je hebt totaal niets te vertellen over wat ze met je doen.
Ik ging vrijwillig.
De behandeling "buiten de muren" was ik zo zat en hielp zo weinig dat ik arre moede maar besloot om het nu maar eens "binnen de muren" te proberen.
Een soort wanhoopssprong. Maar daarmee gaf je je vrijheid dan ook op.
Het begint met een domme verpleger die je koffer uitpakt. Alsof je dat zelf niet zou kunnen.
Die bovendien sommige zaken confisceerde. Dat moest de dokter uitmaken of ik die houden mocht. Vervolgens wilde hij me in bed stoppen. Wat ik niet wilde.
En waarom ik hem vroeg waar hij het recht vandaan haalde me in bed te willen stoppen, De volgende keer dat ik met de behandelende arts sprak, was één van de vragen "waarom bent u zo agressief" geweest tegen die verpleger?
Nu was ik helmaal niet agressief geweest tegen de man.
Ik had alleen iets geweigerd, wat me nog gelukt was ook. Maar je bent dus afhankelijk, merkte ik de eerste dagen, van de rapporten die het verplegend personeel maakte.
In dat eerste rapport stond dus kennelijk dat de patiënt zich agressief getoond had.
Gelukkig trof ik het met de dokter, want toen ik vertelde wat er in werkelijkheid gebeurd was, gaf hij me gelijk. Maar, dat werd er meteen wel bijgezegd. ik moest het de verpleger maar niet kwalijk nemen, want het was wel regel dat een patiënt de eerste dagen in bed verbleef, op een zaal, zo lang het lichamelijk onderzoek duurde. Ze hadden voor mij een uitzondering gemaakt.
Dezelfde eerste dag ontdekte ik dat het óók een regel was dat je tussen negen en half tien naar bed moest. Om tien uur ging het licht uit. En - zonder te vragen of ik het wel wilde - wilde men mij een slaapnaald geven. Nu had ik van slapeloosheid geen last. Ik weigerde dus. Alleen, zo werd me de volgende dag gezegd: je hebt toch wel lang wakker gelegen.
Op het heel eenvoudige antwoord dat ik met gewend was om om negen uur naar bed te gaan en dat ik dus inderdaad, ondanks het vreemde van de omgeving, op mijn gewone tijd ben ingeslapen - zo tegen twaalf uur - werd me weer meegedeeld dat de regel van het huis nu eenmaal zo was dat je op dat uur naar bed ging. Dat kon niet anders met het oog op de wisseling van de dagen de nachtdienst van het verplegend personeel. Ik kon daar begrip voor opbrengen en vroeg toen om een lampje, waarbij ik zou kunnen lezen en dat ik op "mijn" tijd dan wel uit zou doen.
Maar dat was er niet bij, zo lang ik op een zaal moest liggen. Op mijn vraag of de inrichting en het personeel er nu voor mij was of ik voor de inrichting, kreeg ik wel te horen dat ik me kennelijk moeilijk kon aanpassen. "Onaangepast gedrag". Een aanmatiging van de arts, die voortvloeide uit het autoritaire systeem.
"Kleinigheden" zal wel iedere lezer zeggen. Nu, dat waren het ook, zeker als ik mijn ervaringen vergelijk met die welke Mevrouw v. Eijk beschrijft, maar wel symptomen van een systeem. En was het maar bij "kleinigheden" gebleven!
Over je eigen behandeling had je óók niets te zeggen. Die behandeling werd je na ongeveer een week praten en observeren meegedeeld.
Ik maakte geen bezwaren.
Daarvoor ga je immers naar de vakmensen. Bij die behandeling hoorden ook wat medicijnen.
Welke dat waren mag joost weten.
Maar op een kwade dag kreeg ik ineens wat anders. Tegen de zuster die me ze gaf, zei ik dat er waarschijnlijk een vergissing in het spel was. Nu: het antwoord was dat de dokter overgegaan was op andere medicijnen.
Ik heb toen geweigerd, omdat ik wilde weten waarom. Maar toen was in die werkelijk goede inrichting de beer los. Ik moest bij de dokter komen en kreeg de vraag voorgeschoteld: wat ik me wel verbeelde? Of ik meer van de psychiatrie afwist dan hij. Nu, dat was natuurlijk niet het geval.
Op mijn antwoord dat ik vrijwillig gekomen was en dat ik verwachte en meende ook te mogen verwachten dat alles met me besproken werd, was het antwoord weer: het systeem. Voor dat bespreken was geen tijd. En ik had maar te kiezen of te delen. Ik kon ook vrijwillig weer weg gaan. En dat werd dan gezegd tegen iemand, die als noodsprong zelf was gekomen. Wat deed je? Je legde je neer bij het systeem.
Nogmaals: het was een goede arts en kennelijk een beste inrichting, na lezing van Mevrouw Van Eijk's boek "Laten ze het maar voelen".
Mammon
Wat wel onrechtvaardig was, hoewel ik daar zelf geen last van had, was de "sleutelbos".
Na enige tijd ontdekte ik dat op de tweede en de eerste klas niet met sleutels werd gewerkt, maar in de derde klas wel. Daar ging wel alles op slot. Er was maar één uitzondering: als je in de eerste klas of in de tweede klas te agressief werd, of gevaarlijk voor je zelf of voor anderen, dan werd je overgeplaatst naar de derde klas.
Tegen die uitzondering wil ik niets inbrengen. Zo iets kan noodzakelijk zijn.
Maar iemand die zich de luxe van de tweede of de eerste klas niet kon permitteren, die kwam wel in d.e derde klas en kreeg dus wel te maken met de sleutelbos. Ook dat deed men daar vrij humaan.
Maar het is afgedacht van de uitzondering, natuurlijk een bloedrood schandaal dat ie financiële mogelijkheden bepalend waren of de deur achter je op slot ging of niet. Ik heb dan ook meegemaakt dat iemand uit de derde klas dwars door een raam heen sprong, omdat hij niet tegen het opgesloten idee opkon. Wie kan het wel? Welke patiënt kan het wel? Een inbreker rekent met de mogelijkheid dat hij achter de tralies komt. Dat is het risico van zijn "vak". Maar waarom moet een patiënt opgesloten worden er waren geen tralies - die meestal toch al last genoeg heeft van angsten. Ik was van plan me in de derde klas te laten opnemen.
Ik ben de dokter die me dat ernstig afraadde nog steeds dankbaar, dat hij tegen me zei: dat moet u niet doen, want dat zal u niet veel helpen. Waarom ik het niet doen moest, dat zei hij maar niet. Maar dat heb ik dan wel ontdekt.
Is psychiatrie een wetenschap?
De vraag. die hierboven staat is niet ironisch bedoeld. Natuurlijk zijn de artsen meestal bekwame vakmensen. Maar dat is een goede timmerman ook. Want wat je nooit ontdekte was de geestelijke achtergrond, waaruit men dacht en dus handelde. Verstokte Freudianen liepen er niet rond. Maar de ideologie, waaruit de behandeling werd vastgesteld was in ieder geval aan de patiënt niet duidelijk en je moest er ook maar niet naar vragen.
Het jammerlijke van Foudraine's boek en ook het jammerlijke van het nawoord in het boek van Mevrouw Van Eijk door dr J.F. Teuns geschreven, is dat zij puur materialistisch denken.
Letterlijk citaat: "ook als men afziet van het individuele geval, en de patiënten als groep bekijkt, ziet men dat het hier om een specifiek sociale categorie gaat het gaat om slachtoffers van een te groot geworden psychische druk die het resultaat is van sociale fenomenen: moraal, opvoeding, arbeidsomstandigheden, werkeloosheid, eenheid. Dit wil meteen al zeggen dat ieder van ons, dus alle leden van de samenleving, potentiële kandidaten zijn om psychisch patiënt te worden." (blz. 131). Het citaat is innerlijk tegenstrijdig. Als de groep inderdaad een specifiek sociale categorie is, dan is het niet waar dat iedereen de kans loopt om patiënt te worden. En als iedereen wèl kans loopt om patiënt te worden, dan is er geen sprake meer van een specifiek sooiale categorie.
De oplossing van Foudraine is het opleiden van een nieuw typevan hulpverlener. Maar dat is ook dokteren aan de buitenkant. Je zou met even veel recht kunnen zeggen: het aantal godsdienstwaanzinnigen zal verdwijnen als we de godsdienst afschaffen.
De psychiatrie zal zich toch eerst wel eens bezig moeten houden met de voorvragen, wil het werkelijk een wetenschap worden en wil men werkelijk de mensen kunnen helpen. Zo lang men dat niet doet blijft het klungelen aan de buitenkant en verdient het de naam wetenschap niet, hoe offerbereid men zijn werk ook doet.
En rekening houdend met het Evangelie van onze Here Jezus Christus, rekening houdend met Gods almacht en met Zijn Vaderlijke zorg, zal men niet zo spoedig meer komen tot het opplakken van etiketten of zelfs tot het "ongeneeslijk" of "wel geneeslijk".
Ik wil daarmee niet ontkennen dat men bij de huidige lage stand van wat men werkelijk weet, toch moet komen tot het "ongeneeslijk". Maar laat men dan zoeken naar oorzaken en gevolgen.
Dan zal men ook niet vervallen van de Freudiaanse aberraties tot de neo-marxistische verklaringen. Ook hier kan alleen het Evangelie redden. Deze "wetenschap".
En déze patiënten.