Getuigen

2013-03-09
  • Jaargang 57
  • nummer 5
Op een zaterdagmorgen staan ze weer eens voor de deur.
Twee mensen, keurig in de kleren, de aktetas onder de arm geklemd. Je herkent ze in één oogopslag: getuigen van Jehova.
Meestal probeer ik ze, zonder onvriendelijk te worden, zo gauw mogelijk kwijt te raken. Maar dat zit me nooit helemaal lekker. Dan denk ik aan die tekst waarin staat dat je bereid moet zijn rekenschap af te leggen van de hoop die in je is.
Die morgen schoot die tekst door mijn hoofd toen ik de deur opendeed. Aardige mensen. Of ik ook vond dat het er in de wereld maar slecht aan toe ging? En of ik ook graag wilde weten wat daar allemaal over in de Bijbel staat en waar het met onze planeet op zal uitlopen?
Ja, ik weet wat er in de Bijbel staat en ik weet dat we hard op weg zijn naar het einde. En ik kijk uit naar de terugkomst van de Here Jezus. Zoiets zei ik. Dat vonden ze fijn. Maar of ik dan toch ook eens wilde lezen wat er in hun blad over geschreven staat? Want vaak lezen mensen de Bijbel verkeerd.
Goed. Ik accepteer de Wachttoren met de belofte dat ik die zal lezen. Zij zeggen dat ze erop terug zullen komen.
Oei, waar begin ik aan, denk ik. Nu moet ik het ook echt doen. En dus lees ik. Ik kom onderwerpen tegen die ik ook geloof. De overwinning op de dood door Jezus. Het herstel van de schepping. Het wonen op de nieuwe aarde.
Maar dan komt de aap uit de mouw. Die heerlijke toekomst moeten die arme getuigen wel zelf verdienen. Hier is Jezus helemaal buiten beeld. Het is hard werken voor ze om Gods goedkeuring te krijgen. En dan maar hopen op de beloning, het mogen wonen op de nieuwe aarde, in het paradijs. Maar daar ben je nooit zeker van… Veertien dagen later zijn ze er weer. Ik heb intussen met hulp van de onvolprezen, ooit uit mijn hoofd geleerde Heidelbergse Catechismus helder voor ogen wat ik geloof.
Antwoorden op de vragen ‘wat is uw enige troost in leven en sterven’ en ‘hoe bent u rechtvaardig voor God’ heb ik voor ze uitgeschreven, met daarbij de ondersteunende teksten en dit briefje:

Uit bovenstaande geloofsbelijdenis leest u dat ik geloof dat God mij door het offer van Jezus Christus aan het kruis aanneemt als zijn kind. Ik mag rusten in het volbrachte werk van mijn Heiland. Natuurlijk betekent dat niet dat ik nu maar raak kan zondigen (teksten uit Efeziërs en Galaten). Uit liefde en dankbaarheid voor wat Jezus voor mij gedaan heeft, wil ik het goede doen en God liefhebben en dienen. Maar ik blijf een zondig mens tot mijn dood en merk duidelijk dat ik nooit en nooit Gods goedkeuring zal verwerven. Ik heb de Heer Jezus nodig.
Ik mis in uw blad dit voor de wereld en voor mij bevrijdende verlossingsplan van God de Vader. Je moet je eigen zaligheid verdienen en zo blijft het onzeker of je wel aan de voorwaarden voldoet. Galaten 5:4: ‘Als u probeert door God als een rechtvaardige te worden aangenomen door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt en hebt u Gods genade verspeeld. Want door de Geest hopen en verwachten wij dat we op grond van geloof als rechtvaardigen worden aangenomen.’ Uit die genade leef ik. Ook u wens ik die genade en vrede van God onze Vader en onze Heer Jezus Christus toe.

Het worde gezegend.

Ytje Veefkind is pastoraal medewerker en lid van de NGK Amersfoort-Noord.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief