De kerk als moeder

2013-03-09
  • Jaargang 57
  • nummer 5
Eerst het individu, dan de gemeenschap. Dat is doorgaans het denken in onze tijd. Vertaald naar de kerk is dat: eerst de christen, dan de gemeente. De rooms-katholieke traditie draait de volgorde echter om. En daar is veel voor te zeggen.

Wat komt eerst: de christelijke gemeente of de individuele christen?
Veel mensen zeggen tegenwoordig: ‘De christen natuurlijk.’ Immers: wat is een christelijke gemeente? De optelsom van christenen die geloven in hun eentje maar niks vinden. Zij zoeken elkaar op om samen te zingen, te bidden, bijbelstudie te doen, ervaringen uit te wisselen, enzovoort. De christelijke gemeente ontstaat doordat een aantal enkelingen ernaar verlangt om hun geloof met anderen te delen.
In de rooms-katholieke traditie wordt de volgorde echter omgedraaid. Daar zal men zeggen: ‘Het begint met de kerk, het lichaam van Christus. Dat is er eerst. Pas daarna komen de individuele christenen in beeld.’ Zo heeft de kerkvader Cyprianus gezegd: ‘Niemand kan God als Vader hebben die niet de kerk als moeder heeft.’ Dat wil zeggen: het individuele christelijk leven ontvang je door de vorming die je ontvangt binnen de christelijke gemeente. Van haar ontvang je de voeding die je nodig hebt om te groeien in het geloof. Je kunt God pas echt leren kennen wanneer je in de gemeenschap van het lichaam van Christus genade gaat ondervinden. Je christelijk leven zal zich pas goed kunnen ontwikkelen wanneer je samen de maaltijd van de verzoening houdt en meegenomen wordt in de viering van de liturgie.
Ook binnen de protestantse kerken kan het zo beleefd worden. Ik heb nogal eens van christenen gehoord dat zij in tijden dat hun eigen, individuele geloof op een laag pitje stond, zich opgenomen in en gedragen door de gemeente wisten. In zulke perioden kwam voor hen het behoren tot de gemeente het eerst en ontleenden zij vooral daaraan hun identiteit als christen. Het ligt in deze dingen dus niet zo zwart-wit als je misschien zou denken.

Levensgevoel
Beide benaderingen hebben bijbelse papieren. Bij de eerste moet ik denken aan de gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal (Matteüs 22:1-14). De bruiloftsgasten die de zaal vullen staan daar wel voor ‘de schare die niemand tellen kan’ (Openbaring 7:9). De nadruk valt hier op de beslissing van enkelingen om gehoor te geven aan Gods roeping.
De tweede benadering vinden we bijvoorbeeld bij Paulus, als hij spreekt over het lichaam van Christus, waarin de gelovigen als ‘ledematen’ hun plaats innemen (zie bijvoorbeeld Efeziërs 1:23, 4:16, 5:30). De individuele gelovigen hebben daarin wel allen een eigen taak en begaafdheid (1 Korintiërs 12:7-11), maar ontlenen hun identiteit toch duidelijk aan de gemeenschap waarin zij zijn opgenomen.
Niettemin is het model ‘eerst het individu, dan de gemeenschap’ in onze tijd dominant. Dat heeft te maken met de stemming die in onze westerse cultuur heerst. In het levensgevoel van veel mensen begint het toch echt bij henzelf, als enkelingen die allen, stuk voor stuk, een unieke positie hebben.
Dat ik deel uitmaak van een bepaalde familie is veel minder belangrijk dan vroeger. Ik leef mijn eigen leven en ga zo veel mogelijk mijn eigen relaties aan. Zo, in mijn individualiteit, ga ik er zelf over wie ik ben en maak ik mijn eigen keuzes. Ik word niet geleefd, maar geef in volle vrijheid mijn eigen leven vorm. Als ik christen ben, is het dus ook helemaal niet zo interessant of ik uit een gereformeerd of een katholiek nest kom. Ik trek mijn eigen spoor en kies de gemeente waarin ik mij het meest thuis voel. Zo bezien is de christelijke gemeente het product van de keuze van individuele christenen om een samenlevingsverband aan te gaan.

Bankensector
Maar klopt het wel dat wij in de volle vrijheid van onze eigen, unieke individualiteit onze keuzes kunnen maken? Daar worden steeds meer vraagtekens bij geplaatst. De ‘wij zijn ons brein’-mensen doen dat radicaal.
Zij zeggen dat wij ons verbeelden dat we in volle vrijheid onze keuzes maken. In werkelijkheid worden we ‘geleefd’ door ons brein.
Menigeen vindt dat te ver gaan, maar erkent wel dat wij bijvoorbeeld meer door onze afkomst bepaald worden dan we van onszelf weten. Anders gezegd: wij enkelingen, die denken dat we elk individueel ons leven aan het ontwerpen zijn, zijn meer het product van de gemeenschap waarin wij leven dan ons lief is.
Een sterk voorbeeld daarvan trof ik aan in een beschouwing van de journalist Joris Luyendijk. Hij schrijft in NRC Handelsblad al een tijd lang over zijn ervaringen in ‘de City’, het Londense zakencentrum. In zijn column van 6 december geeft hij het woord aan een vrouw van eind 30, die een aantal jaren bij een stuk of wat zakenbanken werkte, en wel keihard. Ze komt tot de volgende ontboezeming: ‘De bank heeft me bot gemaakt, en ongeduldig. Op de beursvloer gaat het zo snel en is de druk zo enorm, dat je extreem alert moet zijn. Er is gewoon geen tijd voor beleefdheid. Hoe minder woorden je nodig hebt, hoe beter. Dat is nu mijn persoonlijkheid geworden. Maar ooit zat ik zo niet in elkaar, voordat ik de sector inging.’ Let wel: deze vrouw beschuldigt niemand.
Integendeel, ze meldt dat ze veel collega’s aantrof die anders wilden.
Ze greep het interview dat Luyendijk haar afnam met beide handen aan, om aandacht te vragen voor hun verlangen om van de bankensector weer een respectabele bedrijfstak te maken. ‘Er zijn veel mensen zoals ik in de sector. We zoeken al tijden naar een stem en een podium van waaruit de verandering kan beginnen.
Dankjewel, namens de hele ‘banking community’.’
Wat dit met het voorgaande te maken heeft? Wel, die vrouw maakt duidelijk dat de gemeenschap waarin zij leefde veel vormender was voor haar persoonlijkheid dan haar lief was. Haar persoonlijkheid is veranderd, concludeert Luyendijk. Zij is een ander geworden dan zij eigenlijk wilde zijn.
In volle vrijheid je eigen leven vormgeven?
Het valt in de praktijk bar tegen. De Londense City-gemeenschap is niet het resultaat van het samenwerken van al die goedwillende, idealistische mensen. Het is veeleer omgekeerd. Het begint bij de gemeenschap. Die vormt die duizenden werknemers tot botte, ongeduldige mensen. Zo willen ze het niet, maar het gebeurt. En zo gaan zij op zoek naar een podium om zich samen te ontworstelen aan het systeem. Maar zal het lukken?
Joris Luyendijk ziet deze mensen als idealisten. Maar is idealisme genoeg om het systeem te veranderen en de ‘banking community’ om te vormen tot een respectabele bedrijfstak?

Moeder
Ik kan deze vraag niet beantwoorden omdat ik van deze dingen niet genoeg verstand heb. Maar wat ik wel weet, is dit: als een gemeenschap zó vormend inwerkt op de enkelingen die er deel van uitmaken, biedt dat ook kansen. Stel dat een gemeenschap haar mensen vormt tot geduldige, vriendelijke persoonlijkheden, wat zou er dan veel gewonnen zijn!
Daarmee zijn we terug bij Cyprianus.
Hij wist dat de kerk niet ontstaat doordat mensen er zelf voor kiezen om vriendelijk en geduldig te zijn. In dat geval zouden ze elkaar als gelijkgestemden opzoeken om elkaar in die levenshouding te ondersteunen en te versterken. Nee, volgens Cyprianus is het omgekeerd. De kerk is het lichaam van Christus, waarin bitse, licht ontvlambare types geleidelijk aan worden omgevormd tot mensen in wie de Heer gestalte krijgt (Galaten 4:19).
Ik geef een concreet voorbeeld. Hoe leer je om niet te oordelen en om mensen niet onbarmhartig af te rekenen op hun fouten? Ik denk dat enkel idealisme of een geloofsovertuiging niet genoeg is. Ik denk dat een mens dat het beste leert als hij deel uitmaakt van een gemeenschap waarin het er zo aan toegaat.
Ik vind de charme van de kerk dat het wat kan lijden. Je maakt een fout, maar je wordt vervolgens niet afgebrand. Je schiet uit je slof, maar het wordt je niet tot in het oneindige nagedragen. Je laat je een keer niet van je beste kant zien, maar ze laten je niet als een baksteen vallen. Als je in zo’n klimaat leeft, zal dat zijn uitwerking op je levensinstelling niet missen. Het is de beste manier om je te ontwikkelen tot een mild en genadig mens.

Gaat het altijd zo in de kerk? Was het maar waar. En toch: het is wel de ‘Christ community’. De Chef zelf geeft het voorbeeld. Hij bepaalt ook dat in het centrum van de kerk een tafel staat waar je geregeld met elkaar eet en ondervindt: hier kan het wat lijden. Dat is ‘de kerk als moeder’: ze is vriendelijk, geduldig, warm en troostend en voedt zo haar kinderen op. Af en toe, als het nodig is, kan ze je een draai om de oren geven, maar ook dan is ze je moeder.
Mij, christelijk individu, lukt het niet om in volle vrijheid te kiezen voor een christelijke levensstijl, in de navolging van Christus. Ik word meer bepaald door duistere machten en krachten dan mij lief is. Maar God zij dank, ook Hij is in de wereld aanwezig, met de vormende kracht van zijn Geest.
Christus vormt zich een lichaam waarin Hij mij inlijft en waarin van lieverlee ook mijn karakter gevormd wordt. Als kind van de Vader laat ik mij dankbaar opnemen in de gelederen van een moederlijke kerk.

Dr. Ad van der Dussen is predikant van de NGK Eindhoven en kerndocent aan de NGP.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief