Daalt hij met mij af in het dodenrijk?
2005-06-03
Ik las ergens dat de Duitse componist Samuel Scheidt in 1636 bij een pestepidemie in Halle vier van zijn zeven kinderen verloor. Onvoorstelbaar als je je probeert in te denken, wat het is om je vierde kind onder je handen te zien sterven. Stel je vervolgens eens voor dat je als vriend, buur of ouderling bij zo iemand op bezoek zou moeten gaan ...- Jaargang 49
- nummer 11
Het boek Job is in grote lijnen een impressie van zo’n onvoorstelbaar moeilijk bezoek. Vier vrienden nemen het besluit (!) om de zwaar getroffen Job op te zoeken. Dat is een eerste en al niet gemakkelijke stap. Bijzonder is het vervolg: Ze delen in de rouw en ‘zeven dagen en zeven nachten bleven ze naast hem op de grond zitten zonder iets te zeggen, want ze zagen hoe vreselijk hij leed’. En uiteindelijk verbreken niet zij, maar Job de stilte van een lange lijdensweek.
Wegen
Het blijft helaas bij dat veelbelovende non-verbale begin, want daarna zie je de vrienden vastlopen in hun poging om deze lijdende medemens te bereiken met hun woorden. Tineke Plooij schrijft: ‘Hoe help je een mens in nood? Dat is één van de vragen die het boek Job oproept. Wat de vrienden zeggen is niet altijd onwaar, maar ik heb de indruk dat ze niet echt bij Job zijn. Is het niet allereerst nodig om ook in geestelijk opzicht zo dicht mogelijk bij de ander te komen en daar iemand verder te helpen.’ Dat zie je inderdaad mislukken in deze ontmoeting. Je proeft het al in de reactie van Job op de eerste uiteenzetting van zijn vriend Elifaz: ‘Weeg mijn verdriet en mijn boosheid, leg mijn lijden erbij in de weegschaal’ (6:2). Job zit niet te wachten op antwoorden en oplossingen (‘Wie weet dit soort dingen niet’, 12:3). Hij verlangt in zijn bitter lijden naar inlevingsvermogen en steun (‘Zaten jullie op mijn plaats .... mijn woorden zouden mild en troostend zijn’, 16:4,5).
Verwijtend
Daar komen Elifaz, Bildad en Sofar niet aan toe. Elihu - hij neemt als jongste pas in Job 32 het woordkomt Job het meest nabij, richt zich veel persoonlijker tot Job, noemt hem een aantal keren bij naam en probeert echt in te gaan op de hartekreten van Job (in de NBV zijn deze citaten goed te herkennen, beter dan voorheen in de NBG).
De andere drie hebben het meer ‘over Job’ dan tegen hem. En als dat laatste wel gebeurt is het suggestief en verwijtend.
Direct al als Elifaz het woord neemt: ‘Velen stond je bij met raad en daad ....nu treft jou het onheil en je geeft het op. Vertrouw je niet op je ontzag voor God, geeft je onbesproken levenswandel je geen hoop?’ (4:3-6). Scherp veroordelend is ook de toon richting Job, telkens als weer een ander van het drietal het woord neemt (Job 8,11,15,18, 20).
Vuur van de zonde
Het meest frontaal is de aanval van Elifaz in hoofdstuk 22. En dat op het aangelegen punt, dat het lijden van Job wel een (zondige) oorzaak moet hebben. Waar je de rook van het lijden waarneemt moet wel ergens het vuur van de zonde gebrand hebben.
Dat maakt Elifaz ook concreet als hij Job beschuldigt van grove nalatigheid in de verhouding tot de arme, de weduwe en de uitgeputte. Daarin doet hij Job groot onrecht, zoals later blijkt (Job 29-31) en pijnlijk is ook dat Elifaz de relatie tussen Job en God zeer vertekend weergeeft -als was Job in zijn goede dagen een goddeloze, die zijn gang ging onder het mom dat God het toch niet in de gaten had (22:13,14).
Zo uitgesproken is het in de eerdere hoofdstukken (3-21) niet. Maar je krijgt bij de algemene beschouwingen van het trio over goddelozen en rechtvaardigen wel het gevoel dat het óók ‘over Job’ gaat. Zoals in de eerste woorden van Elifaz: ‘Ken jij onschuldigen die hij te gronde richtte? Werden rechtschapenen ooit in het ongeluk gestort?’ Daarin wordt toch onuitgesproken doorgevraagd naar de zonde achter Job’s lijden?
A-pastoraal
Het is boeiend om het boek Job door te lezen op de pastorale uitglijers. Ik geef een paar voorbeelden: de ongevraagde adviezen, waarmee de vrienden komen (zoals je proeft uit Job’s reactie, 6:22), de herhaalde oproep tot bekering tegenover iemand die juist met hart en ziel vasthoudt aan zijn onschuld (11:13, 22:11), de gladde belofte van een stralende toekomst, met voorbijgang aan alles wat Job geleden heeft (8:7,21; 11:15). En dan soms zo maar de kleine zinnetjes, waarin het gaat over een aangevreten huid, verwoest bezit en een huis zonder overlevenden (18:13,15,19). Of de dodelijke zin: ‘Is God dan onrechtvaardig?
Zou de Ontzagwekkende het recht verdraaien? Als je kinderen tegen hem gezondigd hebben, gingen zij te gronde aan wat zij zelf misdeden’.
Het verbaast je niet als Job ze vraagt: ‘Hoe lang blijven jullie mij nog pijnigen, hoelang nog martelen met woorden? (19:2). Het is het tegendeel van wat pastoraat - extreem gezegdmoet hebben: daalt de ander met mij af in het dodenrijk?
‘Over God’
Van Job staat in het eerste hoofdstuk geschreven dat hij voor zijn kinderen bad en aan het eind van het boek ook voor zijn vrienden, ondanks alles.
Nooit eerder had ik in de gaten bij de lezing van het boek Job, dat de woorden van Job in de tussenliggende hoofdstukken zo vaak richting God gaan. Dat het dus ongemerkt overgaat van ‘hij’ in ‘u’, van ‘over God’ wordt het ‘tot God’ (in hoofdstuk 7 begint dat al in vers 8). Daarin zijn de vrienden dus getuige van een direct strijdgesprek tussen Job en God. Des te meer valt op hoezeer de inbreng van de vrienden ‘over God’ gaat. Niet dat altijd zo verkeerd is, maar soms trekt het beeld van God lelijk scheef.
Bob Wielenga reageert al bij hoofdstuk 4: ‘Wat een beeld van God schildert hij hier: een God die zelfs naar engelen argwanend kijkt, laat staan naar mensen. Er zit altijd wel iets fout bij die mensen. Ze zijn allemaal strafja doemwaardig. Dus lijden is altijd straf op de zonde’. Verderop schrijft hij: ‘Wie is God werkelijk, dat lijkt me het kernthema in dit boek. Voor de vrienden lijkt hij toch vooral een ‘kille rechter’, maar de grote vraag is dan of de vrienden de harde werkelijkheid van deze wereld werkelijk onder ogen durven te zien. Wielenga nog één keertje: ‘Dat is zo aangrijpend bij Job: hij weet wie God werkelijk is, maar dat kan hij niet rijmen met de werkelijkheid van zijn eigen leven en dat van zoveel anderen in deze wereld.
Als het kwaad goede (niet: zondeloze) mensen treft, waar blijven we dan met ons geloof in God als Vader wiens hand ons leven onderhoudt?’
Middelaar
Het meest wonderbaarlijk in dit boek vond ik de messiaanse trekken. Als Job op zoek gaat in zijn rechtszaak met God naar iemand, die voor hem zal pleiten (9:33), eindigt die zoektocht ergens bij God zelf. En dat in het zestiende hoofdstuk waar de vonken van afspatten en God Job’s grote tegenstander lijkt, daar volgt dan toch: ‘Maar nog heb ik in de hemel mijn getuige, nog heb ik daar mijn pleitbezorger’. Wonderbaarlijke wending vanuit diepe nood. En zo kom je het nog vaker tegen: ‘God, stel u borg voor mij, wie staat er anders voor mij in?’ (17:3). En natuurlijk het meest bekende: ‘Ik weet: mijn redder leeft’, wat menige meelezer linea recta bij de Messiah van Händel bracht. En dan toch ook de slotregels van hoofdstuk 17, waarvan u de eerste als titel boven dit artikel aantreft. Maar dan ‘hij’ geschreven in hoofdletters. In de middelaar Jezus is het nog waar geworden ook!
Gevecht
Het laatste woord is aan God met een en al vragen vol van zijn scheppingsmacht.
Wat kan een mens daar tegenover zetten? Opvallend is wel dat God in twee rondes komt. Na de eerste legt Job de hand op de mond (40:4,5), maar later (42:1-6) klinkt het overtuigder, meer van binnenuit. In de hoofdstukken 40 en 41 zie ik ook meer dan een krokodil of nijlpaard de contouren van een grote tegenstander, draakachtig. Waar een mens het tegen aflegt en God de handen aan vol heeft. En dan zit ik ergens ook weer met mijn gedachten bij het begin van het boek.