lets over het Bijbelvertalen 2)

1973-09-14
  • Jaargang 17
  • nummer 33
Ik heb nog meer kritiek. Deze methode zegt dat er een bijbelse taal is, de tale kanaäns. Prof. J. v. Bruggen heeft daar een haarscherp boekje (Bijbeltaal? Amsterdam 1971) tegen in geschreven, dat ik hierbij aanbeveel en, zonder het te citeren, ook gebruik.
Is er! een specifieke taal van de Bijbel, met eigen kenmerken, zodat je daar om zo te zeggen een grammatica en een woordenlijst van zou kunnen samenstellen?
Laten we zeggen: het bijbelse hebreeuws, is dat een apart soort hebreeuws geweest, dat zich van het alledaagse hebreeuws heeft onderscheiden? De vraag is daarom al erg moeilijk, omdat wij eigenlijk zo bitter weinig van het alledaagse hebreeuws uit de bijbelse tijd afweten. Maar toch herinner ik mij, dat ik destijds de zgn. Lachisj-brieven las, kleine berichten op potscherven geschreven, waardoor israëlietische militairen t.t.v. het babylonische beleg met elkaar communiceerden, - en waarin je dus geen litteraire taal mag verwachten - dat ik toen uitdrukkingen tegen kwam, die ik tot dan voor exclusieve bijlbeltaal gehouden had. Bijvoorbeeld de zinswending: wat is uw knecht, een hond, dat mijn heer ... ? aan zijn knecht gedenkt ... ? (cf H. Donner - W. Röllig, Kanaanäisch eend Aramaïsche Inschriften, 11, 189 v.v. (Hebr. Inschriften 192)) Zeker aan zijn knecht beantwoord, maar het is misschien toch wel een waarschuwing voor degenen die vanuit een naïeve indruk de stelling dat er een bijbelse taal is, zouden willen bijvallen. Naar mijn gevoel zullen we een genuanceerd antwoord moeten geven op de vraag of er 'n aparte bijbeltaal bestaat: nee, wat betreft de uitdrukkings-mógelijkheld en, ja, wat betreft de uitdrukkings-werkelijkheid.
Anders gezegd: hoe lager we afdalen in het taal-lichaam van het hebreeuws, dus terecht komen op de niveau's van morphologie (woordvorming) en syntaxis (zinbouw), des te meer zal het hebreeuws dat in de Bijbel gebruikt wordt blijken een gewone taal als alle andere te zijn. Maar als het gaat over het taalgebruik, zeg maar de stijl, dan zal de Bijbeltaal wel een heel eigen taal zijn, maar dat ligt dan eigenlijk niet meer aan de taal, maar aan de taalgebruiker of aan datgene wat in die taal onder woorden moet worden gebracht.
Als wij bijvoorbeeld een eigenaardige bijbelse uitdrukking tegenkomen als de jir'at jhwh, de 'vreze des HEREN', dan is het eigene van deze zegswijze niet uit de taal te verklaren, maar vanuit de HERE, die te vrezen is. Opnieuw geldt ook hier, dat de heilswerkelijkheid niet samenvalt met de woord-werkelijkheid of de taalwerkelijkheid.
We moeten inderdaad niet de weg op van een taaltheologie (Versus, K. Heeroma, Nader tot een taal-theologie, Faculteitenreeks 7, Den Haag 1967).
Als wij het dogma van een eigen bijbeltaal vasthouden, is het gevolg, dat er twijfel groeit over de mogelijkheid, dat de gemeente zich in de wereld verstaanbaar kan maken. Die twijfel was er bij deze voor 't grootste deel Barthiaanse theologen toch al, omdat immers Barth zo'n krachtig nee gezegd heeft tegen de theologia naturalis, en daarmee, voor velen ongemerkt, ook een streep gehaald heeft door de algemene openbaring. En toch, krachtens deze algemene openbaring is juist de apostolische prediking in de wereld te verstaan, zoals uit het boek Handelingen (cap. 14 en 17) duidelijk blijkt. "Hetgeen van God gekend kan worden is in hen openbaar, want God heeft 't hun geopenbaard" (Rom. 1: 29), al wordt dat dan ook door hen in ongerechtigheid ten onder gehouden (vs. 18).
Als je deze algemene openbaring laat vallen, moet je wel tot zoiets als een volstrekt eigen bijbeltaal komen en dan is het ook niet vreemd meer, wanneer de gemeente zich met de Bijbel in haar liturgie terugtrekt, - inderdaad met het heilige boek in een hoek. Dit sluit aan op de gedachte van Bonhoeffer, dat de gemeente teruggetrokken van de wereld, althans wat de liturgie betreft, het arcanum, de boodschap als geheimleer, doorgeeft.
Maar tot deze richting behoren toch voor het grootste gedeelte hervormde theologen en van de Ned. Herv. Kerk is toch bekend, dat ze na de oorlog is uitgebroken in een apostolair elan? Dat staat toch haaks op die met-een-boekje-in-een-hoekje-mentaliteit? Inderdaad, maar ik vrees, dat het apostolaat de wind uit de zeilen verloren heeft door Barth's verzoeningsleer.
Karl Barth is begonnen, zeer pessimistisch te oordelen over de wereld buiten Christus. Enkel duisternis heerst daar. Maar daarna is hij vanuit Christus' verzoeningswerk deze duistere wereld nog eens gaan bezien en kwam toen tot een positiever oordeel: in Christus was de wereld onwetend met God verzoend.
De wereld is m.a.w. verdeeld niet in gelovigen en ongelovigen, maar in hen, die omtrent hun verzoening weten en hen, die daaromtrent niet weten (maar de verzoening geldt hun toch!). Daaruit valt misschien te verklaren de intellectualistische kerk, die door de barthiaanse Breukelman-theologie heenloopt: in het leerhuis hangt de ruif wel zeer hoog, afschrikwekkend hoog. Het is een kwestie van weten. Je moet toch eigenlijk wel hebreeuws gaan leren, zij het dan ook in nederlandse letters. Maar dat afschrikwekkende geeft niet, want toetreden via het leerhuis tot de gemeente is geen kwestie van redding, van zaligheid, maar men treedt toe tot de gemeente, die plaatsvervangend voor de wereld gelooft. Dan mag het ook wel een élite zijn: de weters tegenover de onwetenden.
M.i. staat er dus een verwerpelijke theologie achter deze strikte vertaal-methode. Maar daarmee is toch niet alles gezegd. Deze theologie jaagt wel voortdurend in overdrijvingen, maar in overdrijvingen zit waarheid. Onze taak is het, deze waarheid. Onze onder het tyrannieke theologische systeem te bevrijden.
Het is b.v. een goede zaak, dat men opkomt voor zo letterlijk mogelijk vertalen. Daar kan namelijk voorzichtigheid en eerbied uit spreken. Bij het vrijere, omschrijvende vertalen komt er veel uitleg in de vertaling mee, waardoor men van de vertaler en van zijn opvattingen over de tekst afhankelijk wordt. Er mag aan een vertaling best te zien en te horen zijn, dat 't een vertaling is. De brief aan de Romeinen behoeft niet zo bewerkt te worden dat er een mooier nederlands uitkomt dan het grieks dat Paulus schreef. Niet erg, als een vertaling wat houterig is, als dat maar niet expres gebeurt of uit slordigheid of luiheid. Het kan ook uit eerbied en bescheidenheid.
Zo vind ik dus de instelling van de letterlijke vertaler beter dan die van de vrije vertaler.
Maar, laten we ons niet vergissen: letterlijk vertalen kan soms misverstand in de hand werken.
Iemand heeft er op gewezen, dat het hebreeuws, (evenals trouwens het grieks en het latijn) een eigen woord heeft voor 'rechterhand'.
Als we nu, wanneer dat woord voorkomt, altijd vertalen met 'rechterhand', kan er gemakkelijk een te grote nadruk komen te liggen op dat 'rechter' van de hand, alsof steeds een misverstand zou moeten afgesneden worden dat de persoon over wie het gaat, niet links is. Daar zit iets in. Dus dan maar gewoon met 'hand' vertalen? Maar van de andere kant is 'Gods rechterhand' een geliefd begrip voor de gemeente en ik durf te zeggen dat dat misverstand over het links zijn in dit geval niet speelt bij de gelovigen. Maar bij de buitenkerkelijke?
Zo zie je aan een klein voorbeeldje hoe moeilijk het ligt en hoe je zowel het een als het ander kunt verdedigen.
Inderdaad, je wekt met letterlijk vertalen soms misverstanden en je bereikt onbedoelde effecten.
Het woord uit Deuteronomium 24 : 16: 'Vaders zullen niet gedood worden om hun kinderen en kinderen zullen niet gedood worden om hun vaders; ieder zal om z'n eigen zonde gedood worden kan misschien in deze zin misverstaan worden, dat wij, omdat wen geen doodstraf meer kennen, met onze oren in dat 'gedood worden' blijven hangen, dat tot drie keer toe genoemd wordt. In de vertaling zul je dat in ieder geval één keer moeten laten vallen. Maar dan nog, je hebt wel eens de neiging, dat hele 'gedood worden' weg te laten, omdat 't een blikvanger is, die van de zaak die bedoeld wordt afleidt en dan maar te vertalen: Vaders mogen niet op het doen van hun kinderen aangekeken worden en kinderen niet op het doen van hun vaders; ieder zal op z'n eigen zonde aangesproken worden' of iets dergelijks.
Maar dat is natuurlijk geen vertalen meer. Ik bedoel, dan vertaal je niet alleen woorden, maar je vertaalt om zo te zeggen de hele culturele context mee. En dat is een duidelijke overschatting van het vertaalwerk. Daar mag je terecht bij vragen: waar blijven we? De subjectiviteit van de interpretatie krijgt dan de overhand over de objectiviteit van de tekst.
Het naar de moderne mens toevertalen kan trouwens 'ook gemakkelijk overkomen als een stuk hinderlijke bevoogding. Als Jeremia aan koning Zedekia voorzegt, dat deze in de hand van de koning van Babel gegeven zal worden en dan deze woorden gebruikt: 'uw ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien en zijn mond zal met uw mond spreken' (Jer. 34: 3) dan kun Je wel vertalen: 'u zult elkander persoonlijk zien en spreken', - wat een correcte omschrijving is,maar hoeveel aardigs valt er dan niet onder de tafel ? Juist door het bijbelse idioom z'n eigenheid te laten, geloof ik dat je de mensen van hun taal bewust maakt.
Er gaat dan een zekere uitdaging van de vertaling uit: en hoe zouden wij dat nou zeggen? Zoals erudiete mensen soms kunnen zeggen: in het spaans hebben ze daar een leuke uitdrukking voor ... , zo is het voor de geloofstaal goed, dat ze vanuit het bijbelse idioom wordt gevoed.
Juist 't bijbelse idioom heeft zo'n enorm beeldend vermogen. En dat gaat verloren als de Schrift steeds met 'Omschrijvende vertalingen voor de voeten gelopen wordt, alsof de grondtaal een spraakgebrek is, dat met de mantel der liefde toegedekt moet worden.
Laten we niet vergeten dat de Bijbel geschreven is in een tijd, dat het woord heiliger was dan nu. Ik bedoel nu het woord met een kleine w. Het was heiliger, men ging er bewuster mee om.
Tegenwoordig dreigt het woord speelgoed te worden, te oordelen naar het overmatig gebruik van het woord-spel. Maar toen was het spreken nog 'n kunst, om van het schrijven maar te zwijgen.
Een man 'nevon davar', verstandig in het woord' - zo wordt David genoemd als hij aan ons wordt voorgesteld (1 Sam. 16 : 18); en hoe gaat het in het boek Spreuken niet vaak over de gave van het woord? Het hededaags nederlands, de omgangstaal van nu, is een geseculariseerde taal daarbij vergeleken. ' Met de secularisering van onze taal bedoel ik echt niet in de eerste plaats de verruwing, de verplatting van de taal, waardoor bij voorbeeld 'liefhebben' versmald wordt tot het sexuele bezig zijn met een vrouwen Hosea de profeet niet meer op algemene verstaanbaarheid kan rekenen, als er in zijn profetie (3 : 1) staat: 'ga weder heer, bemin een vrouw.' Wat een modern mens aanhoort als 'make love with a woman'.
Nee, secularisering van de taal is in de eerste plaats, dat de mens met zijn taal niet meer coram Deo leeft. Prediker zegt: Wees niet overijld met uw mond en uw hart haaste zich niet een woord voor Gods aangezicht uit te spreken.
Want God is in de hemel en gij zijt op de aarde, laten daarom uw woorden weinig zijn. Want gelijk een droom komt door veel bezigheid, zo dwaas gepraat door veel woorden' (5: 12). Ook Jezus waarschuwt tegen het ijdele woord, Matth. 12: 36. Het besef, met je taal voor God te staan, maakt een mens voorzichtig, zuinig en kies (= keuzebewust) met zijn woorden. Hij zorgt dat hij spreekt in plaats van praat. Er zit een verticaal in zijn woorden. Als je die verticaal eruit wegsloopt, zakt de taal in elkaar en vloeit breed uit in gepraat, de kaars wordt dan tot kaarsvet. (Het verschil tussen een kaars en kaarsvet is, dat de verticaal eruit weg is.) Zo is het vandaag mogelijk, dat je een dik boek leest en je je aan het eind afvraagt: wat is er nu eigenlijk in gezegd? Geen wonder, dat men bezig is, snel-lees-methode's uit de denken, b.v. het zgn. cross-reading, waarbij je in een kort ogenblik diagonaals-gewijs een pagina doorloopt. Inderdaad, op geseculariseerde taal past de methode van crossreading.
Maar bijbeltaal is daar niet op berekend.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief