De profeet Jona

1973-09-14
  • Jaargang 17
  • nummer 33
I. Jahweh's opdracht geweigerd (vervolg)

8. Jona weet voorts ook goed wat de gerichts- de oordeelsverkondiging betekent, welke God naar de mensen laat uitgaan. Er wordt in de Heilige Schrift in hoofdzaak drieërlei relatie getekend, welke er tussen God en zijn volk, tussen God en de mensen, kan bestaan.
De eerste is deze, dat het tussen God en de mensen goed is. Dat is het geval, als de mensen in Hem geloven en in zijn wegen wandelen.
De HEERE ziet dan in gunst op hen neer. Ze leven zo. in het zonnelicht van Gods genade (Ex. 19:3-6; Deut. 11; 1 Kon. 9:1-9).
Precies het tegenovergestelde is er, als God zich van zijn volk afwendt, zich er niet meer mee bemoeit, het laat wandelen op de zelf gekozen wegen, het ook niet meer aanspreekt. Dan is het "uit"tussen God en zijn volk, Dat geschiedt als, ondanks alle liefdebetoon en vermaning, de mensen de zonde vasthouden en zich verharden (1 Sam. 28: 6; Zach.7: 13,14).
Maar er is nog een derde. Die is er als het volk God verlaat, door zijn zonde tot toorn verwekt, maar God dat volk toch nog niet loslaat; er nog steeds aan blijft werken. Hij bedreigt het, voor honderd procent serieus, met zijn oordelen - maar Hij is er zo toch mee bezig. Hij spreekt het nog toe, Je zou het zo. kunnen zeggen: dat God zo. het oordeel verkondigt is verschrikkelijk. Want dat wijst er op dat het volk in zonde leeft een God vertoornd is. Maar dat het oordeel verkondigd wordt - dat is een bewijs, dat God dat volk nog niet loslaat. Er nog mee bezig is. Er mee worstelt, opdat het zich zal bekeren en leven.
Dit alles weet Jona. Jona wéét dat Gods spreken tot de mensen, ook als Hij spreekt van toorn, oordeel, gericht, gedragen wordt door zijn liefde. Of, nog anders gezegd: Jona weet, dat het diepste motief en de uiteindelijke bedoeling van al Gods spreken, ook van zijn oordeelsverkondiging is: de overwinning van zijn genade en dus de redding van zondaren.

9. Omdat Jona God zo kent en hij weet wat de oordeelsverkondiging, die hij in Ninevé brengen moet, betekent, is het voor hem volkomen duidelijk dat het Gods uiteindelijke bedoeling niet is Ninevé te vernietigen, maar het door middel van die oordeelsprediking tot bekering te brengen en zo te redden van de zekere ondergang.
En dáárom weigert hij naar Ninevé te gaan!
jona weigert op deze wijze een instrument te zijn in Gods genadeworsteling om de mensen te verlossen. Hij weigert het grootste en heerlijkste te zijn en te doen van. wat God een mens kan opdragen.
Hij faalt volledig ten aanzien van zijn profetische roeping.
In hem leeft die, de kerk en alle gelovigen steeds bedreigende, afschuwelijke zonde dat men het geschenk van Gods genade voor zichzelf reserveert, zich daarop verheft en aan anderen niet gunt, ja, zelfs uit alle macht probeert hun dat te onthouden. Het is de zonde welke zich manifesteert in het hoogmoedige en afschuwelijke woord: Des HEEREN tempel, des HEREN tempel zijn wij! (Jer. 7: 4).
En de rest - dat is de schare die de wet niet kent, daarom vervloekt is en die nu ook maar met meedogenloze hardheid, misschien zelfs met een zekere voldoening, in haar ellende wordt gelaten.
Het is de zonde, die karakteristiek werd voor Israël na de ballingschap en dat er toe bracht Gods Zoon te doden aan het kruis.
Het is de zonde van de kerk, welke door alle eeuwen heen haar zèlf en hen "die buiten zijn" het meeste kwaad heeft berokkend.
Het is ook de zonde welke door God en zijn Christus scherper dan alle andere wordt veroordeeld.
Deze zonde leefde in jona en daarom weigert hij naar Ninevé te gaan om daar het Woord des HEEREN te brengen.

II. Voor Jahweh gevlucht

1. Nadat Jona het onwrikbare besluit had genomen niet naar Ninevé te gaan, neemt hij de vlucht.
Hij maakt zich op, zo lezen we, om te vluchten naar Tarsis, weg van Jahweh's aangezicht. Jona wendt zich niet naar het oosten, naar Ninevé. Neen, hij gaat naar het westen, hij daalt af naar Joppe, Israëls oudste en belangrijkste havenstad. Daar vindt hij een schip bestemd voor Tarsis. Vermoedelijk is dat Spanje. Zo wil Jona buiten het bereik komen van Israëls God. Hij wéét, dat hij ongehoorzaam is, vreest Gods straf en probeert die te ontkomen door zich voor Hem uit de voeten te maken.

2. Er is iets vreemds in dit doen van Jona. Zonder twijfel heeft hij wel "geweten", dat de HEERE nooit te ontvluchten is. Blijkens zijn danklied, geboren na zijn redding door de vis, kent hij de psalmen door en door. Daarom zal hij ook wel geweten hebben wat in psalm 139 : 7-8 wordt aangeduid.
En hij zal eveneens goed op de' hoogte zijn geweest van wat we in de profetieën van Amos, Jon a's tijdgenoot, lezen: Niet één van hen zal ontvluchten, niemand van hen zal ontkomen ... al verborgen zij zich voor mijn ogen op de bodem der zee, Ik zou vandaar een slang gelasten hen te bijten (9 : 2-4). Toch gaat Jona op de vlucht!

3. Voor heidenen was zo'n vlucht verstandig en zinvol: Zij leefden immers in de overtuiging dat hun afgoden goden waren van een bepaald land of een enkele stad. Had men zijn god toornig gemaakt dan wat het verstandig de vlucht te nemen. Want buiten het territoir van zijn land of buiten de muren van zijn stad had die god niets te vertellen. Daarom was men buiten het bereik van stad of land veilig voor de wraak van de god die men boos had gemaakt.
Voor de Israëlieten lagen de dingen evenwel totaal anders.
Zij beleden van hun God dat deze de hemel en de aarde gemaakt had en die zo beheerste dat men zich voor zijn aangezicht nooit verbergen kon.

4. Bij de overweging van Jona's vlucht moet men bedenken, dat onder de mensen, ook onder hen die tot het volk Gods behoren, misschien niets zo algemeen voorkomt als het vluchten voor God!
Het gaat in de omgang met God vóór alles hierom dat we "oprecht" zijn voor zijn aangezicht.
Hoe vaak en met hoe grote kracht wordt in de Bijbel niet steeds over die "oprechtheid" gesproken. God plaatst ons, om zo te zeggen, steeds weer vóór Zich, kijkt ons recht en diep in de ogen en vraagt dan dat we, zonder iets te camoufleren, onze zonden zullen belijden, onze gebreken erkennen, zijn oordeel over ons leven aanvaarden en zonder reserve ons alleen en volledig aan Hem en Zijn dienst toewijden. Het is God er om te doen dat we radikaal onder zijn oordeel doorgaan, dat we dat aanvaarden als de waarheid omtrent ons leven, dat we, zonder andere ijzers in het vuur te houden, op zijn genade vertrouwen en dat we, zonder aan dubbele boekhouding te doen, alléén voor Hem leven.

5. Waar dit, terwijl men voorgeeft kind van God, gelovige, christen te zijn, niet het geval is, is men op de vlucht voor God.
Men is op de vlucht voor God wanneer men een zonde aan de hand houdt, die niet belijdt en er niet mee breekt. Men is op de vlucht voor God als men mooie, ware, orthodoxe beschouwingen heeft en verdedigt, maar de HEERE niet waarachtig vreest en dient. Men kan op de vlucht zijn voor God door zich te verliezen in het dagelijks werk, in zijn hobby, in de studie - ook die van de Bijbel en de theologie! - in allerlei christelijke actie, enz. enz.
Zelfs kan men vluchten voor God met behulp van vroomheid en gebed.
Ja, met behulp van alles.
Het vluchten voor God is er altijd als men niet waarlijk staat voor de levende God en Hem ontmoet.
Hoe men dan ook over God preekt, wat men dan ook voor God doet - in feite leeft men dan bij een beeld van God en van Christus. Een beeld dat men zelf heeft gemaakt en dat men nu tussen God en zichzelf in plaatse om aan de greep van de levende God te ontkomen. Voor een beeld hoeft men niet bang te zijn! Men heeft het tenslotte zelf gemaakt en men doet er nu mee wat men zelf wil.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief