Troostelijke reden

1973-09-21
  • Jaargang 17
  • nummer 34
• Kleverige aanslag

"In de donkere straat, waar het belletje gaat, kletst 't deurtje al rinkelend open ... "
Natuurlijk, ik zie 't nog voor me: het snoepwinkeltje met z'n kleurige zoetigheid of zoetelijke kleurigheid.
Maar soms lijkt het of iets van die kneuterige knusheid is aangeslagen op sommige bijbelverhalen en -teksten.
"Hij zal als een herder zijn kudde weiden ... de zogend en zal Hij zachtkens (beter zelfs dan de Statenvertaling!) leiden. Bekende, vriendelijke klanken uit Jes. 40: 1-11, net als het "troost, troost mijn volk ... " Maar die rustieke beeldspraak wordt onbewust gekoppeld aan de voorstelling van een Goede Herder, die op zijn beurt gedegradeerd is tot de kerststalletjes-sfeer waarin de herdertjes (!) nog steeds liggen te liggen.
Vervreemd zijn wij van de realiteit var de oosterse herder. Al te gauw dwalen onze gedachten in de richting van een seniele sokken-breier, die dagdromend met zijn kudde op de grote stille heide van de Veluwe of de Peel ronddwaalt. Verouderde platen en schilderijen houden die voorstelling wel levend (twéé woorden!).

• Mannelijke taal

Vandaar dat zelfs de Nieuwe Vertaling Jacob tekent als een huiselijk man (het hebreeuwse woord thäm is tam vertaald!), in tegenstelling tot Ezau de robuuste jager.
Ezau de sympathieke krachtpatser - Jacob de miezerige huismus.
Maar een schooljongen bleek het te snappen: een jager is een jager - maar een herder is eigenlijk een jager die 't lokaas bij zich heeft en dat desnoods met zijn blote handen verdedigt.
Waarmee we maar zeggen willen dat Jes. 40, zo overbekend, heel wat krachtiger is van inhoud dan onze slappe voorstelling doet vermoeden.
Toegegeven: enerzijds is de toon teer, fijn welluidend (66 : 13), anderzijds is de aankondiging van het einde der ballingschap fors en verbijsterend. Wereldmachten worden in 'n ogenblik vernietigd, andere uit het niet opgeroepen: Chaldeeën, Meden, Perzen (Kores/ Cyrus), Maar in die strijd der grootmachten, allen uit op eigen glorie, praal en pracht, mengt zich een Ander, óók een Koning, die zijn komst op gebruikelijke wijze door een heraut laat aankondigen (vs 3, 4). En alle volken en rijken mogen zich haasten 't pad voor Hem te effenen: de Koning er koningen is op komst en de glorie van Jahweh zal zich openbaren (vs 5).
Dan pas blijkt hoe klein grootmachten zijn.

Grootmachten als ééndagsbloemen

Enorme veranderingen zijn op til - ze gaan gepaard met politieke gebeurtenissen van de eerste orde.
Nieuwe koninkrijken ontplooien hun macht, met alle gevolgen van dien: tronen wankelen, kronen rollen.
Jazeker - maar ergens vandaan klinkt een stem, een bevel: roept!
't Zijn Joodse oren die dit signaalwoord opvangen, de oren van een man wiens volk in ballingschap leeft en niets te vertellen te zeggen heeft.
Geen koning, geen minister van oorlog, geen generalissimus vangt die woorden op, maar een gewoon joods mannetje - en hoor zijn vraag klinkt bereidwillig onderdanig: wat moet ik roepen, wat heb ik te vertellen, te zeggen?
Toch zeker niets!
Niets? Nou en of! Wereldschokkende woorden: alle vlees is gras, al zijn schoonheid als een bloem des velds .....
Ieder begrijpt de bedoeling, al was 't maar vanwege die vreemde nadrukkelijkheid waardoor je met je ogen staat te knipperen: álle vlees ... ál zijn schoonheid ... het vólk is gras. . . Babel ook? En Medië? En Perzië? Allemaal ook hun machtshebbers? Zo kwetsbaar?
Onvoorstelbaar. Tenzij je met Oswald Spengler gelooft in de "natuurwet" van de kringloop der geschiedenis of met Bilderdijk verzucht: opgaan, blinken en verzinken.
Moeten aan deze "natuurwet" alle volkeren en culturen gehoorzamen?
Ja, dat lijkt zo. Maar die Israëliet weet beter. Hij ziet in het vroege voorjaar de bruin verdorde steppen opeens tot nieuw leven komen: een tapijt van gras - een zee van bloemen, anemonen, leliën des velds. En haastig brengt de herder zijn kudden naar de grazige weiden. Maar niet, als hier, aan het eind van de zomer, moet hij haastig benen maken, maar nog in datzelfde prille voorjaar, in mei, als de hete adem van de woestijnwind in één ogenblik gras en bloemen doet verdorren, 't komt nauwelijks aan blinken toe. .
"Waar mensenogen persoonlijkheden zien, die hun naam als een stempel op een eeuw drukken, staten die in hun drang naar "Lebensraum" de grenzen van tijd en ruimte willen doorbreken en duizendjarige rijken willen worden daar zegt God (door middel van een Joods mannetje): gras - en culturen, eeuwenlang opgebouwd: een veldbloempje"!

• Een heraut in stijl

Nu dát zal die joodse man de wereld toeroepen - dat ze zijn als de steppe - al die machtige rijken met hun glorie, praal en pracht van hun paleizen, tempels, culturen, onoverwinnelijke legers, Als de hete adem des HEREN erover gaat verdorren ze in een prille bloei - Gods sirocco snijdt adem en leven af.
Uit woede dat men Hem naar de kroon wil steken? Dat óók maar dat wil ieder mens. 't Diepste motief is: het (gegeven) woord van onze God houdt eeuwig stand (vgl. 55: 11). Dat woord is een onoverwinnelijke kracht in de wereldgeschiedenis. Bij de bouw van Babels stad en toren (Gen. 11) en de aanleg van de hangende tuinen. Dat is óók een kant van de medaille waarop te lezen staat: met wie dan wilt gij Mij vergelijken? (vs 12) Maar het woord van God is meer - 't is ook, vanaf het paradijs, een dynamische kracht ter redding (Rom. 1 : 16). Vandaar het nu volgende beeld, volledig in stijl, herinnerend aan grootmachten, legers, koningen: een vreugdebode die aan de komst van de Koning vlak vooraf gaat, die Hem ziet komen aanstormen, Hem met de vinger al aanwijst (vs 9).
Tot die taak wordt Jeruzalem (een ruïne!) verheven, om de steden van Juda (puinhopen!) te melden: zie, hier is uw God. Laten die koningen van het oosten en hun goden meeluisteren: Israël hier is uw God. Nóg: uw God.
Dat zegt toch wat, dat doet je toch wat als je een volk met een "verleden" bent?

Koning en herder

Hij is op komst - en hoe!
Tot driemaal toe wijst dat joodse mannetje zijn volksgenoten enthousiast op hun koning: zie ...
zie.. , zie ... (vs 9, 10). Hij wijst hem met de vinger aan - wat komt Hij doen?
Loon en vergelding brengt Hij.
Voor beide partijen: voor Israël dat dubbel en dwars heeft moeten boeten (vs 1, 2; 51: 17 v.v.)maar ook voor Israëls onderdrukkers.
Hij zaait vreugde èn verschrikking - ze gaan vóór Hem uit. Zijn arm die scheen te slapen (51 : 9; vgl Ps 78 : 65) is ontwaakt!
Hij komt zijn almacht tonen.
Hij zal als een herder zijn kudde weiden. " (vs 11). Verspringt het beeld nu? Nee! Koning en herder liggen bij Hem even dicht bijeen als bij David, de herdersjongen die tot koning werd geproclameerd.
En nog eens: die "herder" staat er echt niet zo zoetelijk gekleurd op als in onze voorstelling. Zijn stok (knots) en zijn staf horen wezenlijk tot zijn uitrusting en hij weet ze te gebruiken ook! De roofdieren en aasgieren houdt hij op een afstand - de schapen en lammeren zijn welverzorgd.
Kracht paart zich aan tederheidkan het beter? En is het dan zo'n wonder dat de Koning der koningen zichzelf aandient met de woorden: Ik ben de goede herder?
Dat garandeert veiligheid voor de kudde en tegelijk tederheid al is 't voor een enkel afgedwaald schaap dat Hij in de plooi van zijn kleed thuisbrengt ook al heeft Hij er al een lange dag opzitten. Israëls kudde komt weer thuis en (vs 11) ook al kunnen sommigen niet zo snel meekomen - Hij neemt de tijd en laat niemand achter.
Ook is 't kleinste Hem niet te min: al wie Hem volgt komt veilig terecht.
Daarvoor heet Hij dan ook de Goede Herder!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief