Vrede in onze verhoudingen 1)

1973-09-21
  • Jaargang 17
  • nummer 34
1) Toespraak, gehouden op de Jeugddag in Wezep, Hemelvaartsdag 1973.


Als je zegt: "het is vrede", dan heb je gezegd hoe onze levensverhoudingen zijn. Over de inhoud en betekenis van dit "hoe", zoals wij die uit de Bijbel kunnen leren verstaan, heeft ds Van Oene gesproken. Ik wil nu iets zeggen over vrede, met de nadruk op de verhoudingen tussen God en de mensen en tussen de mensen onderling. Het gaat ons daarbij om die verhoudingen als onze levensverhoudingen, zoals die geleefd en beleefd worden, als het ware ingebed in onze levensverbanden en zoals die in onze situaties van tijd en omgeving worden gebouwd en afgebroken.

Als je wilt weten, wat nu eigenlijk levensverhoudingen zijn, dan kun je het beste beginnen met om je heen te zien. Je bent kind van je vader en moeder, broer of zuster van je broers en zusters.
In het verband van gezin en familie ken je reeds allerlei verhoudingen.
Zo ben je ook lid van Gods gemeente.
Je staat in een verhouding tot God en Jezus Christus, tot je herder en leraar, tot je mede-leden van de gemeente.
Je gaat naar school en staat in een verhouding tot de directeur of rector, de leraren en tot je klasgenoten.
Je werkt in een bedrijf en hebt een baas, collega's en misschien ondergeschikten.
Je bent Nederlander en staat in een verhouding tot de koningin, de burgemeester en je volksgenoten.
Je bent de vriend of vriendin van je vriend of vriendin.
In de straat woont je buurman en op het zebrapad ontmoet je een oude vrouwen helpt haar oversteken.
Je kunt jezelf in geen enkele situatie denken, of op de een of andere manier is er altijd de ander in je leven.
En tenslotte ben je ook altijd en overal de begeleider van jezelf.
Heel ons leven leven wij in verhoudingen, relaties, betrekkingen.
Welnu, als je zegt: "het is vrede", dan heb je gezegd hoe die verhoudingen zijn.
Dat is een levend zó-zijn.
Veel meer dus, dan een toestand.
Als het vrede is, worden onze levensverhoudingen ook gebouwd, versterkt, verdiept, tot ontplooiing gebracht.
Als het geen vrede is, wordt je verhouding tot de onder geschonden, verminkt, tenslotte geheel afgebroken. Dan houdt de verhouding tot de ander als levensverhouding op te bestaan en heeft het spreken van vrede of onvrede alle zin verloren.

Wij weten, dat in ons leven processen werkzaam zijn van ziekte en zonde. Deze tasten onze levensverhoudingen aan en leren ons speken van eenzaamheid, vervreemding, ontbinding en ontmenselijking; ook van onmondigheid, manipulatie, verdrukking en tirannie.
Het leven kan zelfs zozeer ontwricht worden, dat onze verhoudingen zich keren tegen hun bestemming als levens-verhoudingen.
Dan dienen zij niet de gemeenschap, het echte samen-zijn met de ander, maar in zijn verhouding tot de ander brengt de een de ander om.
Als zo de verhouding breekt, heeft hij niet slechts de ander, maar ook zichzelf in die verhouding omgebracht: hij kan niet leven zonder degene, die God hem deed ontmoeten, die God aan hem toevertrouwde. Zo moeten de doden hun doden begraven.
Hoe dat zo komt, dat wij alleen maar kunnen leven in verhoudingen?
God heeft ons zo geschapen.
Wij zijn geschapen naar Zijn beeld. Wij lijken op God.
En God Zèlf is een God van gemeenschap.
Hij is de God van de Verbonden.
Die God van Zijn volk, de Vader van Zijn kinderen.
Die Zijn eigen Zoon van Zich isoleerde, met Hem brak en Hem verliet, opdat wij nimmermeer verlaten zouden worden.

In de verbanden en verhoudingen moeten wij altijd de naar Gods beeld geschapen mensen zien: geschapen tot vrijheid, mondigheid, verantwoordelijkheid. Verdwijnt de mens als levende mens uit de verbanden en verhoudingen, dan rest een giftige structuur, die dood is en zelf ook hen doodt, die binnen haar moeten verblijven.

In de verbanden en verhoudingen moeten wij altijd de ander zien.
Ik kan geen vader zijn, als ik mijn kind niet zie; geen man, als ik mijn vrouw niet zie; geen werknemer als ik mijn baas niet zie; geen kameraad als ik mijn makker niet zie.
Stel je voor, er is een vrouw; die wiegende bewegingen maakt met haar armen, vleinaampjes verzint, troetelwoordjes fluistert, de wieg verzorgt, luiers wast... en er is geen kind. Ze doet als een moeder, maar ze heeft geen kind.
Zo'n vrouw is deerniswekkend, ernstig ziek, gestoord. Haar doen heeft geen zin; het is ongerijmd, dwaas, vreemd.
Haar gedrag is absurd. Zo is het gedrag van de naar Gods beeld geschapen mensen absurd als je God niet ziet, als de mensen van God zijn vervreemd.
Het moet ons iets zeggen, dat de eigentijdse levensverhoudingen door vervreemding van de ander worden geteisterd en dat het absurdisme een bovendrijvende richting is in de moderne kunst.
Zij, die zeggen, dat het leven absurd is, hebben gelijk in zoverre zij in hun ongeloof God niet zien en hun naaste en zichzelf als beeld van God.
In zo'n tijd wijkt de vrede uit het leven en gaan de verhoudingen stuk. Dan trekt het nihilisme zijn laatste consequentie: je mag wel vragen naar vrede, maar je moet nooit antwoord verwachten.
Het is niet maar zo, dat wij mensen veel moeite hebben om in onze tijd het antwoord op de vraag naar vrede te vinden, dat antwoord zal nooit gevonden worden, want het is er niet. De bedeling van het mensenleven is niets anders dan wachten op iemand, terwijl vaststaat dat hij nimmer komt, want hij bestaat niet. T6ch: wachten. Toch: de vraag naar vrede stellen. Toch: vragen naar zinvolle verhoudingen.
Waarom dan toch?
Omdat het leven absurd is.
Wie de crisis van onze levensverhoudingen getast heeft wordt bevestigd in zijn geloof, dat wij onze vrede buiten onszelf in Jezus Christus moeten zoeken.

Op één aspect van ons naar-Gods-beeld-geschapen-zijn wil ik nog wijzen. Het betekent dat wij God kunnen verstaan en dat God ons kan verstaan. God en de mensen spreken dezelfde taal.
Het levende verhoudingen wekkende Woord van God kunnen wij horen. Wij kunnen ge-hoorzaam zijn.
God spreekt ons aan, wij kunnen aanspreekbaar en aansprakelijk zijn.
God kan ook ons horen. Wij kunnen ant-woord geven op Zijn Woord.
Wij kunnen ver-antwoord-elijk zijn.
Wij hebben een mond om te belijden en kunnen mond-ig zijn.
Als het vrede is in onze verhoudingen, dan heeft het Woord vrije doortocht.
God spreekt met de mensen en de mensen spreken met elkaar.
Geen vrede zonder gesprek.
Maar dan niet het gesprek als ideologie of als mode, maar als verkondiging en belijdenis, vermaning en gehoorzaamheid, troost en dankbaarheid, bemoediging en ootmoed, ontferming en vreugde, geduld en bloei, begrip en rust, gemeenschap en samen-zijn.
Als liefde.
Weet je, wat nu zo geweldig is?
Dit, dat God in één gebeeldhouwd woord zijn vredebrengende geboden voor al onze levensverhoudingen, zo verschillend, ingewikkeld, aan tijden, situaties en personen gebonden als die zijn, heeft samengevat.
In dit ene woord: Gij zult de Here, Uw God liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Gods geboden passen bij de naar Zijn beeld geschapen mensen, zijn daarmee in harmonie.
Al Gods geboden zijn één: de liefde.
En al onze verhoudingen zijn drie: tot God, tot de naaste en tot onszelf.

Over deze drie grondrelaties wil ik nu iets zeggen. .
Grondrelaties zijn ze, want er is geen verhouding tot de ander, in welke omgeving, situatie of tijd dan ook, waarin deze drie niet samen aanwezig zijn.
Overal, altijd samen.
Wèl onderscheiden, niet gescheiden.
Dat kan ons leren, dat we onszelf niet moeten laten vermoeien met de problemen die voortvloeien uit het schema horizontaal-verticaal.
Niet meedoen aan modern pragmatisch horizontalisme of reactionair spiritualistisch verticalisme.
Nooit één van de drie los van of zelfs tegenover de andere twee.
Nooit alleen God, los van de mensen.
Nooit alleen de naaste, los van God.
Nooit alleen jezelf, los van God en de naaste. .
Leef uit geloof, niet uit aanschouwen.
Wat je ziet is een verziekte, verzondigde, ontwrichte samenleving.
Scheiden van wat één is, tegen elkaar uitspelen van wat samenhoort, schematiseren van wat levend is, zijn activiteiten van ons zondig hart.
Voorbeelden? Het leven is er vol van.
Hoe vaak hebben mensen zich beroepen op de wil van God om de broeder te vernietigen? Hoe vaak hebben zij gedaan als Kajafas, die zich beriep op zijn ambtelijke verhouding tot God om Jezus aan het kruis te brengen?
Hoe vaak hebben mensen zich afgewend van God omdat hun verhouding tot de ander hier en nu geen Gods-dienst kon verdragen?
Hoevelen hebben een vrouw getrouwd of een akker gekocht?
Hoe vaak hebben de mensen in hun egoïstisch opgaan in zichzelf God verloochend en de naaste verraden?
De zonde scheidt, schendt, breekt, verdeelt, doodt.
De zonde is de grote vijand van de vrede.

In de gemeenschap brekende zonde is ook meegekomen de verminking van ons leven met de ander, met God, de naaste en onszelf, door de ziekte.
Als het vrede is in de verhoudingen doen wij ons gelaat over de ander lichten, naar Gods beeld en gelijkenis. Maar dat gelaat is vlees, kwetsbaar, teer, vergankelijk, ziek. Onze ogen hebben te weinig licht, dan dat wij de ander geheel zouden kunnen zien.
Als het vrede is heffen wij over de ander zegenend onze handen, naar Gods beeld en gelijkenis, maar onze arm is verkort en onze handen beven.
Ook vanwege de vrede schendende ziekte moeten wij hartstochtelijk bidden om de komst van de dag van' heling, dat is van heil.
Over je verhouding tot God kun je in de Catechismus prachtige teksten vinden, over God de Vader en onze schepping, God de Zoon en onze verlossing en God de Heilige Geest en onze heiligmaking.
En je verhouding tot de naaste, wat wil dat eigenlijk zeggen?
In het brandpunt van de verhouding tot de ander staat die ander als je naaste. In de situatie van de.
tijd ben jij hem het naast, sta jij het dichtste bij hem, om hulp te geven.
Jij bent je naaste het meest nabij.
En jij moet zijn wat je bent, wil het vrede wezen.
Veel levensverhoudingen dragen een min of meer duurzaam karakter.

Je verhouding tot je vader, je moeder, je broeder in de gemeente, je baas in het bedrijf, je vriend. Zulke verhoudingen zijn als wegen, waarop je de ander als je naaste ontmoet. Maar die weg kan ook wel korter zijn: van trottoir tot trottoir, de zebra in de stad en de ander de jouw hulp behoevende oude mens, die je voorheen niet kende.
En je verhouding tot jezelf?
Misschien vind je het wat vreemd gezegd, dat je altijd en overal ook in een verhouding staat tot jezelf.
Toch zegt de gewone omgangstaal het al. Soms ben je jezelf niet.
Dan is de verhouding tot jezelf gestoord.
Soms zeg je tegen jezelf: dat had ik van de Here niet mogen doen.
Dan spreekt je geweten, je consciëntie, dan weet je met jezelf mee, dat het geen vrede was. Dan stel je de verhouding tot jezelf onder de tucht van Gods Woord.
Die stem kun je onderdrukken en je kunt geestesziek zijn, gestoord, zeggen we dan terecht en de boze mensen kunnen je verhouding tot jezelf vernielen door een hersenspoeling of je kunt het zelf doen met drugs.
Paulus kon zeggen dat zijn verhouding tot zichzelf in Christus was: niet meer ik, maar Christus leeft in mij.
De bijbel duidt de verhouding tot jezelf met het markante woord: "mijn ziel". Loof de Here, mijn ziel, dat is: nu zeg ik tot mijzelf, laat ik de Here loven.

Tenslotte, hoe weet je nu of het vrede is?
Het is vrede, als in alle drie verhoudingen het Woord van God vrije doortocht heeft, maar hoe weet je dat?
Wel, er zijn tekenen die je van de vrede verzekeren. Zoals je zeker weet, dat het voorjaar is, als het hout week wordt en dat het avond is, als de hemel rood kleurt.
Zo weet je zeker, dat het vrede is, als je kunt bidden tot God, altijd en overal; als je dienen kunt ten behoeve van je naaste, altijd en overal; en als je zeggen kunt tot jezelf: rust mijn ziel, Uw God is Koning.
Eindeloos zal de vrede zijn over Zijn Rijk.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief