De profeet Jona

1973-09-21
  • Jaargang 17
  • nummer 34
II. Voor Jahweh gevlucht (vervolg)

6. Zo gaat Jona nu op de vlucht voor God. Er zijn in zijn vlucht drie fasen te onderscheiden.
Jona begint met passage te nemen in het schip dat naar Tarsis zal koersen ..
Daarna, terwijl een storm het schip beukt, heeft Jona de vlucht genomen in de slaap. Mensen die voor God op de vlucht zijn doen dat altijd óók graag met behulp van de slaap. Soms zelfs met behulp van slaapmiddelen of "tranquillizers".
Dan is men een poos uit de zorg, de twijfel, de onrust, de angst wèg!
En tenslotte, en dat is het eindpunt van Jona's trieste tocht, vlucht hij voor God in de dood.
Het vluchten in de dood is heel vaak het einde geweest van een mens die op de vlucht was voor God!

7. Het wonderlijke, het ontroerende bij de vlucht van Jona is dat de HEERE zijn koppig ongehoorzame profeet niet loslaat. Hij verteert hem niet in zijn toorn. Hij laat hem evenmin begaan. God volgt Jona van stap tot stap op diens weg. En dat doet Hij om hem te redden, hem tot gehoorzaamheid te brengen, opdat hij niet volledig en definitief zou falen in zijn roeping van profeet.

8. Het eerste wat God doet, als Jona op de vlucht is geslagen is het zenden van een geweldige wind, zodat er een zware storm op zee losbrak en daardoor - zoals er met een tekenende personificatie gezegd wordt - "het schip dacht te zullen breken". Deze storm kwam onverwacht en was daarom opvallend. Want in de tijd waarin er stormen woedden in dat deel van de Middellandse Zee voeren de schepen niet uit. De matrozen, klaarblijkelijk uit verschillende landstreken afkomstig, werden dodelijk bevreesd. Ieder riep zijn eigen god aan. Ze wierpen de dingen die zich aan boord bevonden in zee.
In scherpe tegenstelling met het gedrag van de heidenen, die beseffen dat ze in deze storm met de toorn van een god hebben te doen en daarom smeken om uitkomst, horen we dat Jona naar een verborgen plek onder in het schip was afgedaald en daar lag te slapen. Het geweldige ingrijpen van God bemerkt hij niet, raakt hem niet.
Steeds weer zal in het verhaal het diepgaande verschil tussen de religieuze houding en activiteit van de heidenen en die van Jona worden belicht. En het gedrag van de profeet des HEEREN steekt altijd ongunstig af bij wat van de heidenen wordt verteld.
Nadat het scheepsvolk Jona's afwezigheid heeft gemerkt, gaat de kapitein van het schip naar hem toe en vermaant hem op doordringende wijze zijn. god aan te roepen. Misschien, zo zegt hij, zal die god ons gedenken zodat wij niet vergaan. Door deze heiden wordt aan Jona "gepredikt" dat God met die storm toornend in zijn leven is gekomen - opdat hij niet zou verloren gaan.

9. Jona is niet geschokt, laat staan gebroken, door de storm die God had gezonden. Maar de HEERE laat hem niet los. Als de storm voortduurt en erger wordt gaat de bemanning van het schip het lot werpen om te weten te komen om wille van wie het onheil van de woedende storm hun overkwam.
Maar we weten het: Het lot wordt in de schoot geworpen, maar elke beslissing daarvan is van de HEERE (Spr. 16 : 33). En het lot viel op Jona! Met diepe bezorgdheid vragen de zeelui naar zijn "bezigheid" (zijn beroep Of het doel van zijn tocht), zijn afkomst en nationaliteit. Ze willen er achter komen door welke misdaad van hun passagier de toorn van diens god is opgewekt.
Jona geeft op hun vraag een antwoord.
Hij noemt eerst het volk waartoe hij behoort. En wel met de naam die de heidenen daaraan gaven. Daarna maakt hij zijn godsdienst bekend. Hij "vereert" of "vreest" Jahweh. Die woorden hebben ongeveer dezelfde betekenis als: ik geloof in Jahweh. Jona voegt er aan toe dat zijn God Jahweh de God is van de hemel die zowel de zee als het droge heeft gemaakt. Dat wil zeggen: de God die men nergens ontvluchten kan. Jahweh heeft de zee gemaakt waarop Jona vluchtte, ook het land dat hij ontvluchtte en evenzo de plaats waarheen zijn vlucht nu gaat.

10. We moeten goed op dit antwoord van Jona letten. Is het goed, waar? Zonder twijfel zal Jona gemeend hebben wat hij zei.
Hij wàs een Hebreeër. En inderdaad "erkende" hij Jahweh als zijn God. Maar is dit antwoord nu waar? Is het de vertolking van echt geloof? Neen! Want men gelooft alleen dàn dat God de Almachtige gebieder is van hemel en aarde als men Hem gehoorzaamt.
Men gelóóft alleen dàn dat God de zonde haat, als men die zonde laat. Men gelooft alleen dàn dat God onze Vader is, als men Hem dienovereenkomstig eert (Mal. 1 : 6). Men gelooft alleen dàn dat God vol van genade is als men in die genade rust. En daarom: Jona vreest de HEERE niet! Als dat wèl het geval was zou hij onmiddellijk naar Ninevé zijn gegaan!
God neemt geen genoegen met vrome woorden, ook al zijn die "gemeend". Neen, Jona vreest de HEERE niet. Want ook nà het werpen van het lot zegt hij niet wat hij moet zeggen en doet hij niet wat hij moet doen.

11. Na dit halve antwoord van Jona gehoord te hebben worden de zeelieden bevreesd. Ze beseffen dat ze in iets geweldigs betrokken zijn. Ze kregen te maken met een onvoorstelbaar machtige God die alles beheerst en ze hebben een man in hun schip die voor die God zo gewichtig is dat Deze niets minder doet dan een orkaan ontketenen om de zonde van deze booswicht te straffen. Huivering vervult hen vanwege deze angstaanjagende dingen. En hun vrees wordt steeds groter. Opeens herinneren ze zich dat hun passagier gezegd had dat hij voor zijn god op de vlucht was. Daar hadden ze eerst weinig notitie van genomen.
Zoiets was voor hen een algemeen bekend bedrijf. Maar na alles wat ze nu beleefd hadden werd de vlucht van Jona een verbijsterend ding. Ze weten het niet meer. Ze zeggen: "Hoe hebt ge dat kunnen doen?" En ze vragen aan Jona - nota bene aan de schuldige, de boosdoener! – “Wat moeten wij met U doen, dat de zee ophoudt tegen ons (te woeden)?"
Want de zee ging hoe langer hoe erger te keer.

12. Voor Jona is nu een beslissend moment aangebroken. God had hem achtervolgd, hem steeds meer in het nauw gedreven. Nu staat hij onontkoombaar in een hoek gedrukt. Hij kan zich niet meer uit Gods greep losrukken.
Wat zal hij doen? Hij moet één ding doen. Dat wat hij direct had moeten doen toen de kapitein hem wakker maakte en hem opriep tot het aanroepen van zijn God. Hij had toen moeten zeggen: "Ik heb gezondigd. Ik moest naar Ninevé gaan en ik ben in precies de tegenovergestelde richting gevlucht!
Maar ik heb berouw over mijn zonde. Ik zal mij bekeren. Ik zal doen wat God van mij vraagt. Onmiddellijk.
Wendt het roer, ga terug naar Jafo en de storm zal bedaren."
Ja dat had Jona, al was het veel te laat, moeten zeggen.
En we weten het zeker: de storm zou dan zijn opgehouden en het schip met zijn bemanning gered.

13. Maar Jona breekt niet stuk voor God. Hij volhardt in zijn wegvluchten voor de Almachtige.
Hij houdt zijn verzet tegen God vol tot het uiterste. Hij kiest de dood boven het gehoorzame dienen van Jahweh: "Neemt mij op en werpt mij in zee, dan zal de zee ophouden tegen U (te woeden); want ik weet, dat om mijnentwil deze zware storm tegen U is losgebroken."
Wat Jona hier doet is het zoeken van de dood. Het grenst aan zelfmoord.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief