Boekbespreking
1973-09-21
B. Holwerda, Oudtestamentische voordrachten Deel II, Bijzondere Canoniek.- Jaargang 17
- nummer 34
Copiëerinrichting v.d. Berg - Broederweg 6 - Kampen, 1972.
Canoniek is een van de onderdelen van de wetenschappelijke theologie. De benaming "canoniek" is speciaal in Gereformeerde kring gebruikelijk, elders spreekt men van "inleidingswetenschap".
Het gaat in dit "vak" om de vragen naar ontstaan, samenstelling, inhoud van de afzonderlijke Bijbelboeken, en naar de vorming tot één geheel, dat wii dan "Bijbel"
plegen te noemen. Het is vanzelfsprekend dat we dan hebben te onderscheiden .tussen Oudtestamentische en Nieuwtestamentische canoniek.
Het woord "canoniek" komt van "canon", d.i. roede, maatstaf, standaard, regel, dan ook: lijst (b.v. van vaststaande data), en vervolgens: lijst van gezaghebbende boeken die regel zijn voor geloof en leven. In de benaming "canoniek" zit derhalve een principiële stellingname opgesloten: het uitgangspunt is dat we in de Bijbel te doen hebben met het gezaghebbende Woord van God. De naam "inleidingswetenschap" draagt die keuze niet in zich, hetgeen natuurlijk niet zonder meer zeggen wil dat de gebruiker van die naam a priori het goddelijk gezag van de Bijbel zou afwijzen.
In de canoniek pleegt men zowel voor Oud als voor Nieuw Testament te onderscheiden: algemene en bijzondere canoniek. De algemene canoniek handelt over de vragen van de boekenverzamelingen (Oud en Nieuw Testament) als geheel: hoe is het gekomen dat juist déze verzamelingen tot twee min of meer hechte eenheden werden en dat aan hen goddelijk gezag werd toegekend? De bijzondere canoniek handelt daarentegen over de afzonderlijke boeken: schrijver, ontstaanstijd, inhoud, doel etc., en ook over de kleinere verzamelingen, bv. de Pentateuch, de "vijf boeken van Mozes".
De onderhavige collegevoordrachten van prof. Holwerda handelen nu zeer uitvoerig en dringend over de dusgenaamde Pentateuchcritiek.
Wat toch is het geval? Al sinds enkele eeuwen is men er op uit geweest in de Pentateuch verschillende bronnen te onderscheiden waaruit tenslotte de schrijver of liever de redactor het geheel zou hebben samengesteld.
Het begon met de ontdekking dat verschillende Godsnamen werden gebruikt: in het ene stuk was het aldoor de naam Jahwè in het andere Elohim. Om even een voorbeeld te geven buiten de Pentateuch: de psalmen 14 en 53 zijn practisch volkomen gelijk aan elkaar, maar Psalm 14 is een Jahwè-versie en Psalm 53 een Elohim-versie. In de Pentateuch zijn de J- en E-bron al vroeg door elkaar heen gewerkt, maar ze zijn nog op te sporen. En zo zijn er dan twee scheppingsverhalen Gen. 1 : 1 - 2 : 4a: Elohim (God), Gen. 2: 4b - 25: Jahwè, maar aan dat Jahwè is dan al Elohim toegevoegd (de HERE God). Er zijn ook twee zondvloedverhalen die echter door elkaar heen geweven zijn: de ene pericoop heeft telkens Jahwè, de andere Elohim, en daarmede zouden andere verschillen in overeenstemming zijn.
Naast J en E onderscheidde men voorts D, dat is Deuteronomium, welke bron evenwel. niet precies gelijk zou zijn aan ons huidige boek Deuteronomium maar het toch wel voor een groot deel zou dekken; en voorts P, dat is Priesterlijk werk (meestal Priestercodex genoemd).
Volgens de gangbare theorie hangt met dit verschil in bronnen een verschil in gezichtpunt samen, wil men: een verschil in theologie.
J zou nog een min of meer primitief religieus standpunt verraden, E zou al een ietwat meer geëvolueerd, hoger standpunt hebben, D zou het ethisch ideaal van de profeten vertegenwoordigen, en zou helemaal ingesteld zijn op de cultus, de eredienst, en voorliefde hebben voor geslachtslijsten en dergelijke. De theorie gaat echter nog verder: deze verschillen vertonen óók de historische ontwikkeling van Israëls godsdienst: van primitief naar gezuiverd, van gezuiverd naar ethisch, en van ethisch naar ritueel. En een sleutelstelling van deze theorie is dat D pas tot stand gekomen is in de tijd van de reformatie van koning Josia (621). Het wetboek dat toen gevonden werd in de tempel was ongeveer het boek Deuteronomium maar in werkelijkheid werd het toen niet uit een vergeten boek onder het stof vandaan gehaald, het werd toen geschreven en er werd maar gedaan alsof het heel oud was. Na de ballingschap hebben de priesters het heft in handen gekregen. Zij hebben toen hun Priestercodex samengesteld, en zij hebben op hun beurt gedaan alsof al de bepalingen en instellingen daarvan al afkomstig waren van Mozes, Israëls grote leider.
Een kernpunt, een scharnier, hét scharnier waarom dit alles nu draait is de dusgenoemde centralisatie van de eredienst van Deuteronomium 12. In Exodus 29 : 24 is sprake van véle altaren ("op elke plaats waar Ik mijn naam doe gedenken"), waarna dan voorschriften voor de bouw van die altaren gegeven worden, maar in Deut. 12 schijnt sprake te zijn van slechts één wettige altaarplaats.
Volgens de gangbare theorie is dat 'n stunt geweest van de Jeruzalemse Priesterschap in de tijd van Josia, die voor zich het monopolie van de altaardienst wilde hebben. Exodus 20: 24 weerspiegelt de oudere situatie, vele altaren op vele plaatsen en we zien Samuel en anderen inderdaad op allerlei plaatsen offeren. Deut. 12 is daarmee in strijd en moet dus afkomstig zijn uit een veel latere tiid en een geheel ander historisch kader. Aldus de theorie.
Holwerda geeft nu in dit dictaat een buitengewoon uitvoerig overzicht van de Pentateuchcritiek, waaraan vooral de naam Wellhausen verbonden is. Slag op slag staat men versteld over de onvoorstelbare hoeveelheid literatuur waarnaar hij verwijst.
En voorts zet hij duidelijk uiteen welke principiële vooronderstellingen tot de gangbare theorie geleid hebben, waarbij hij aldoor scherpe immanente critiek oefent, d.w.z. hij laat telkens zien hoe de aanhangers van de theorie op hun standpunt zich in innerlijke tegenstrijdigheden verstrikken.
Het belangrijkste is evenwel dat Holwerda de sleutelstelling aantast, hetgeen nog nooit gebeurd was, hoezeer van Schriftgelovige zijde allerlei critiek op de critiek geoefend was. Holwerda verdedigt namelijk met een keur van argumenten dat Deut. 12 niet in strijd is met Ex. 20, dat Deut. 12 niét - zoals ook aan Schriftgelovige kant altijd gedacht is - een veelheid van altaren verbiedt, dat de tegenstelling niét is: één-véél, maar dat het gaat om zélf kiezen van altaarplaatsen dan wel de áánwijzing van altaarplaatsen door Jahwè. Deut. 12: 5 moet niet verstaan worden in déze zin: "Maar de (éne, exclusieve) plaats die de HERE. .... "
En in vers 14: "... maar op de plaats die de HERE in het gebied van één uwer stammen verkiezen zal. .. " moet "één" niet in exclusieve zin verstaan worden (één, dus niet twee), maar in de zin van "een", "een willekeurige, welke dan ook".
Het betoog van Holwerda is zeer sterk, al erkent hijzelf dat er nog allerlei vragen overblijven en nieuwe vragen zich voordoen. In 1949 (6 dec.) heeft hij een en ander - natuurlijk in zeer beknopte vorm - voorgedragen bij de overdracht van het rectoraat (zie B. Holwerda, ... Begonnen hebbende van Mozes ... , Terneuzen 1953, pp. 7-29), en op verschillende plaatsen heeft hij in kringen van belangstellenden hetzelfde naar voren gebracht. In, ik meen februari 1952, een paar maanden vóór zijn plotseling overlijden, deed hij dat in Apeldoorn.
Bij de bespreking die volgde heb ik toen de vraag gesteld: Als dit nu allemaal zo is - en het klinkt inderdaad zeer overtuigend - wat was dan de zin van het centrale heiligdom in Jeruzalem?
Holwerda antwoordde toen dat hij zelf ook met die vraag kwam te zitten. Tegen het slot van de rectoraatsrede wordt ze ook expliciet gesteld: "Wat was de verhouding tussen centraal en regionaal heiligdom?" zie p. 28. En het plan was dat de onderhavige collegevoordrachten nog gevolgd zouden worden o.a. door een behandeling van dit punt, zie p.297.
Maar voorlopig wees Holwerda in de beantwoording van mijn vraag op het gebed van Salomo bij de inwijding van de tempel, waarin het veelal /Iaat over nationale rampen en nationale oorlogen.
Het is diep te betreuren dat het Holwerda niet gegeven is geweest dit probleem nader te bezien en uit te werken.
In zijn betoog laat Holwerda telkens zien dat het zowel in de bepaling van Exodus als in de voorschriften van Deuternomium ging om bestrijding van het Kanaänietische heidendom en om afweer van beïnvloeding daardoor.
Er is één punt dat m.i. daarbij wat meer aandacht had mogen hebben. De gangbare theorie verdedigde haar stelling van centralisatie van de eredienst o.a. met het argument dat de profeten het monotheïsme - er is maar één God - met kracht predikten, en dat in dát kader de idee van slechts één heiligdom paste, zulks tegenover het heidense veelgodendom met z'n vele altaren. Holwerda wijst dit argument af door te zeggen: de tegenstelling is niet één-veel, maar: zelfgekozen - door Jahwè aangewezen. Dat is geloof ik wel juist ter afwijzing van de gedachte dat Deuteronomium pas aan het eind van de 7de eeuw tot stand gekomen zou zijn. Maar vóór de intocht in Kanaän waar het veel-godendom, het veel-Baälisme tiert - men sprak van de Baäl van deze en van die plaats, en in kanaänietische geest is men in Israël wel gaan spreken van de God van Dan, de God van Bethel etc. - past toch bijzonder goed een waarschuwing aan Israël daartegen. Holwerda, die hiervoor natuurlijk zeer wel oog heeft, vindt deze waarschuwing ook in het boek Deuternomium dat z.i. is opgebouwd volgens het schema van de 10 geboden: na de decaloog in hoofdstuk 5 komt een practische uitwerking van het eerste gebod die loopt tot en met hoofdstuk 11, dan begint in hoofdstuk 12 een nadere uitwerking van het tweede gebod enz. Nu is de grens tussen de verschillende geboden min of meer vloeiend, ze zijn geen Westers rechtsstatuut.
Het eerste en het tweede gebod lopen ook enigszins in elkaar over, al moeten we het onderscheid niet uit het oog verliezen.
Zonde tegen het tweede gebodbeeldendienst - ontaardt zo gemakkelijk in zonde tegen het eerste gebod - alléén Jahwè dienen. Daarom kunnen we m.i. in het altaarvoorschrift van Deut. 12 méde zien een middel tot bewaring van het geloof in de éne ware God: Deze gedachte is evenwel niet in strijd met het betoog van, Holwerda, zij past er m.i. uitnemend in. Bij de enorme massa litteratuur die Holwerda aangeeft heb ik onder de confessionele bestrijders van het Wellhasianisme niet aangetroffen Ph. J. Hoedemaker, die in 1893 en 1894 een aantal lezingen hield, welke in 1895 gebundeld verschenen onder de titel: De Mozaïsche oorsprong van de wetten in de boeken Exodus, Leviticus en Numeri. Lezingen over de moderne schrift-critiek des Ouden Testaments. Dit is echter slechts een kleine omissie.