De profeet Jona II
1973-09-28
14. Aangrijpend is het optreden van de zeelui. Weer laat het woord Gods het grote verschil zien tussen het optreden van de zoon van het volk Gods, de profeet der HEEREN en het gedrag van de heidenen. En weer komt de man van de kerk er slecht af.- Jaargang 17
- nummer 35
Jona wil maar één ding: de vernietiging van Ninevé met zijn honderdduizenden inwoners. De heidenen op het schip doen hun uiterste best om de man die hen naar de ondergang joeg te redden van de dood in de golven! De mannen van het schip probeerden namelijk al roeiend aan land te komen om Jona daar af te zetten.
Maar ze konden het niet. God liet het hun niet toe. De zee ging hoe langer hoe erger tegen hen te keer.
15. Toen alle pogingen om vei lig de kust te bereiken waren mislukt deed de scheepsbemanning wat nu onvermijdelijk was. De zeelui gaven Jona prijs aan de golven. Maar ze bidden eerst tot Jahweh. Ze belijden dat wat ze doen door hen wordt gedaan, gedwongen door overmacht. Ze kunnen niet anders zijn dan instrumenten van Jahweh door wie het oordeel over zijn ongehoorzame dienstknecht voltrokken wordt.
Hun gebed is een verontschuldiging. Ze zeggen letterlijk: "Ach Jahweh! mogen wij toch niet vergaan om het leven van deze man, en reken het ons niet aan (als) onschuldig vergoten bloed." Dat wil zoveel zeggen als: reken ons deze daad niet aan als een moord.
Daarna werpen ze Jona in zee.
Toen hield de zee op met zijn toornen. Het scheepsvolk vreesde voor Jahweh, vol verbazing over dit tastbare wonder! Zij vreesden Jahweh, brachten Hem offers en Deden geloften.
Zo kwam een eind aan de vlucht van Jona.
III. Door Jahweh gespaard
1. Toen de bemanning van het schip waarin Jona was gevlucht hem in zee had geworpen "ontbood"
Jahweh een "grote vis" die Jona opslokte. De HEERE redde Jona van de verdrinkingsdood.
Hij bewaarde hem voor, zelfmoord.
Dat geschiedde op een afschuwelijke manier: in de buik van een vis! Drie dagen - "tot overmorgen" - bleef Jona daarin. Het opgeslokt worden door de vis was een "paardemiddel". Maar de koppig onwillige profeet had dat nodig.
Zo alleen kon God hem krijgen waar Hij hem hebben wilde.
Deze redding zelf was evenwel pure genade. Had Jona niet dubbel en dwars verdiend dat hij onderging?
2. In de vis dankt Jona de HEERE voor zijn redding. Het is een mooi gebed dat hij opzendt.
Een gedicht. Op prachtige wijze beschrijft Jona de nood waarin hij gekomen was (4-7a). En de HEERE hoorde naar het smeken van Jona. Zijn gebed drong door in Jahweh's heilige tempel. Jona zal worden gered. Met "lovende stem" zal hij de HEERE offeren.
De vereerders van ijdele goden mogen hun trouw verzaken, Jona zal dat niet doen. Wat hij beloofd heeft zal hij volbrengen. Met de juichkreet: bij Jahweh is redding, beëindigt hij zijn gebed.
3. Er is toch iets verbijsterend in dit gebed van Jona. Want wat er vóór alles in had moeten voorkomen ontbreekt er in. Na zijn hardnekkig volgehouden ongehoorzaamheid had Jona vóór alles ootmoedig schuldbelijdenis moeten doen vanwege zijn grote zonde.
Daarbij had hij moeten smeken om schuldvergiffenis. En zijn gebed had moeten eindigen met de- belofte om - als God hem, de ontrouwe, en daarom onwaardige profeet toch nog wilde gebruiken - vrijwillig, ja, met vreugde te doen wat God hem had opgedragen, namelijk het prediken in Ninevé.
Psalm 32 is totaal anders, dan Jona 2!
4. De overweging van dit gebed van Jona plaatst ons voor een angstwekkende mogelijkheid in het leven van de kinderen van Cod. Het kan zó zijn - Jona is er het bewijs van - dat een mens in de nood roept tot God, verhoord wordt, belooft dankbaar te zullen zijn voor de uitredding, die dankbaarheid ook toont, tenslotte jubelend uitroept dat bij Jahweh redding is - en dat hij in feite toch helemaal verkeerd staat tegenover God. Met andere woorden: dat zo'n mens toch nog vol komen op de vlucht is en blijft voor God!
Wat aan Jona ontbrak was de kennis van eigen concrete zonde, en de belijdenis van eigen concrete schuld. En wanneer dat in het leven van Gods kinderen ontbreekt is alles, alles wat ze verder denken en zeggen en doen mis. De HEERE heeft daar dan geen behagen in. En als dit kwaad in de kerk heerst wordt ze een afvallige kerk.
Geen enkele zonde behoeft scheiding te maken tussen God en ons - als ze maar beleden wordt!
Maar een enkele onbeleden zonde vormt een muur tussen God en de mens die in zulk een zonde blijft.
Door Ezechiël sprak God eens deze woorden: "Wanneer een rechtvaardige - let wel: een rechtvaardige! - zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht doet, naar al de gruwelen handelt, die de goddeloze bedrijft - zal hij dan leven? Met geen van zijn rechtvaardige daden zal rekening gehouden worden. Om de ontrouw die hij gepleegd, en om de zonde die hij bedreven heeft, dáárom zal hij sterven." (Ez. 18 : 24).
5. Nadat de vis Jona heeft uitgespuwd, zonder twijfel op de kust van het land Israël, komt het woord van Jahweh voor de tweede maal tot Jona.
Dit is het eerste wonderbaarlijke dat we .in hoofdstuk drie lezen.
Hoe is het mogelijk dat God deze dienaar van Hem nog weer gebruiken wil, hem niet wegsmijt!
Had God niet honderd andere trouwe - profeten kunnen roepen!
Maar nee, Jahweh houdt Jona vast. De HEERE is zo trouw!
Hij kan het niet over zijn hart krijgen mensen met wie Hij eenmaal begon te spreken, die Hij eenmaal riep en in zijn. dienst nam, los te laten!
Als Petrus later zijn Meester nota bene met een eed! - verloochent, kijkt de Here hem alleen met een liefdevolle blik aan. En dan zo dat Petrus bitter schreiend naar buiten rent (Luc. 22: 63).
Later, na zijn opstanding, maakt Christus het tussen Hem en Petrus onder vier ogen in orde (1 Kor.
15 : 5) en herstelt Hij de apostel die zo ernstig viel publiek weer in het ambt (Joh. 21 : 15-17).
Inderdaad God en de Heer Jezus Christus zijn zeer genadig en lankmoedig.
Ze zetten zelfs ontrouwe profeten niet af. Ze blijven hen zetten onder de hoogdruk van hun liefde opdat ze niet volledig zouden falen in de vervulling van hun roeping en zo verloren gaan.
6. Zo zendt Jahweh Jona toch naar Ninevé, Hij zegt tegen de profeet: Maak u op,. vertrek naar Ninevé, de grote stad en breng haar de prediking die Ik u heb bevolen. Jona gáát dan. Maar nog niet gewillig, niet met "een volvaardig gemoed", Jona gaat omdat God hem naar Ninevé jaagt!
Het is al weer wonderlijk. Wie kan begrijpen dat God zich van zulke dienaren bedienen wil? Als je deze geschiedenis leest denk je onwillekeurig aan het spreekwoord': Met onwillige honden is het kwaad hazen vangen. Maar weer moeten we zeggen: Zo is nu onze God. Zo geduldig en lankmoedig.
Zo zet Hij alles op alles om zijn profeten niet te doen mislukken.
Tegelijk moeten we ook zeggen: als God de zonden van zijn ambtsdragers aan deze zonder meer toerekende - hun zonden van hoogmoed, luiheid, ijdelheid, geldzucht, onwilligheid, gemakzucht, eerzucht, heerszucht, enz. enz. - dan stond er geen enkele dominee meer op een preekstoel en zat er geen enkele ouderling of diaken meer in een kerkeraadsbank.
Zo gaat Jona dan toch naar Ninevé.
En hij krijgt de opdracht mee: "Maak u op, ga naar Ninevé, de grote stad, en breng haar de prediking die Ik u spreken zal". Jona zal alleen dàt mogen zeggen wat Jahweh in Ninevé gezegd wil hebben.
7. Na een lange reis komt Jona in Ninevé. Ninevé was "een grote stad voor God". Dat wil zeggen: een zeer grote stad. Zelfs naar Gods maatstaf gemeten was ze groot. Jona zou drie dagen nodig hebben om op de voornaamste straten en pleinen Gods boodschap te laten horen.
Jona's prediking is koud als ijs, scherp als een mes, hard als beton.
Hij moest immers alléén maar uitroepen: Nog veertig dagen en Ninevé wordt verwoest. Dat is pure oordeelsverkondiging. Het is de proclamatie van een onafwendbaar, alverwoestend gericht van God dat Ninevé zal wegvagen van de aarde.
En deze prediking wordt gebracht door een man die hoopt dat ook metterdaad zal geschieden wat hij aankondigt. Jona is de volkomen tegenstelling van een prediker die worstelt en bidt om het behoud van de mensen tot wie hij Gods boodschap moet brengen. Hij hoopt vurig dat Gods oordeel Ninevé zo treffen zal dat van die stad geen steen op de andere zal gelaten worden. En dat alle Ninevieten verteerd zullen worden in het vuur van Gods gericht. Wat moet, wat kan de prediking van zo'n keiharde man uitwerken?