De profeet Jona III.
1973-10-12
15. En dan komt het hoogtepunt in de schokkende gebeurtenissen welke in Ninevé plaatsvonden.- Jaargang 17
- nummer 37
Dan geschiedt het grootste van de wonderen waarover het boek van Jona spreekt. Toen God de werken van de Ninevieten zag, zo lezen we, hoe zij van hun boze weg terugkwamen, kreeg God berouw over het onheil, dat Hij naar zijn woord hun had willen aandoen en Hij deed dat niet.
16. Wat het eerst in deze zin opvalt is dat God zijn toorn afwendde van de Ninevieten toen Hij hun werken zag, toen Hij ontwaarde hoe ze terugkwamen van hun verkeerde weg.
We moeten deze woorden niet misverstaan. Deze bekering van Ninevé was namelijk zeker niet de grond voor de afwending van Gods toorn, voor het betoon van zijn barmhartigheid. De Ninevieten "verdienden" hun redding niet met de bekering van hun boze weg en van het onrecht dat aan hun handen kleefde.
Neen, de Ninevieten geloofden God. Ze werden in hun hart gegrepen door diens boodschap, En als gevolg daarvan braken ze met hun zonden. In dat wegdoen van het kwaad manifesteerde zich de echtheid van hun geloof. Daaruit werd duidelijk dat zij de profetie van Jona inderdaad als het woord van God hadden aanvaard. Als het tot dit terugkomen van hun verkeerde weg niet was gekomen, zou het duidelijk zijn geweest dat ze de boodschap waarmee God tot hen kwam, hadden verworpen.
Maar nu wordt uit hun werken duidelijk dat ze werkelijk God geloofden. En toen God dit zag hield Hij zijn reeds dreigend naderbij komend oordeel in.
17. Ons verhaal noemt als oorzaak van het afwenden van het gericht over Ninevé het berouw van God. God kreeg op het zien van de werken der Ninevieten berouw over het kwaad dat Hij gesproken had hun te doen.
We moeten dat woord berouw laten staan. We moeten niet proberen het te "vertalen". Iedere "vertaling"
is minder dan het oorspronkelijke, En nog minder moet men dat berouw zo verklaren dat het berouw van God, als het er op aankomt, feitelijk geen berouw is! De Heilige Geest weet het beste hoe we over God en zijn daden moeten spreken. Wel moeten we oppassen dat we over het berouw Gods niet “menselijk" denken. Er is in het berouw van God geen spijt, geen willekeur, geen grilligheid, geen schuldbesef, het is ook niet afhankelijk van wisselende stemmingen. Het is geen menselijk berouw (Num. 23 : 19; 1 Saam. 15 : 29).
In het berouw van God hebben we te doen met de levende God, die zich in zijn daden laat leiden door zijn heiligheid, barmhartigheid en trouw. Omdat God zó is houdt Hij in zijn spreken tot en handelen met de mensen rekening met hun houding, hun gedrag, met de situaties in hun leven. God is niet een onbewogen koud Wezen, dat zonder meer doet wat Hem goeddunkt. Hij is niet een koude, eeuwige Wet. Omdat God zo is als Hij is, reageert Hij echt op het gedrag der mensen. Hij laat zich in zijn houding, zijn handelen ten opzichte van de mensen ook leiden door wat Hij in hen ziet en van hen ervaart.
Als de eerste mensheid een samenknoopsel van ongerechtigheid is geworden, berouwt het de HEERE dat Hij de mensen op aarde gemaakt had. In onlosmakelijk verband daarmee wordt gezegd, dat het Hem smartte aan zijn hart. Dat wil zeggen: het stak Hem, het griefde Hem de mensen zó te zien. Hij werd er tot in zijn diepste wezen pijnlijk door getroffen. En de heilige God kan zich over dat schandelijk gedrag , van de mensen niet zo maar heen zetten om dan de mensen onaangeroerd verder te laten voortbestaan.
God moet er aandacht aan schenken. En daarop reageren zoals dat bij zijn heiligheid en trouw past. Heel de smart, dat diepe, pijnlijke gegriefd zijn van God komt tot uiting in de woorden die in Gods mond een blijde, jubelende klank moesten hebben, maar die nu een ruwe dissonant vormen: de mensen die Ik geschapen heb, - hoe is het mogelijk dat ze zo geworden zijn! Met deze simpele woorden brengt de Heilige Geest op onnavolgbare wijze tot uiting wat het berouw van God is (Gen. 6 : 67; vgl. 1 Sam. 15 : 35; Jer. 28 : 10).
Ten aanzien van Ninevé krijgt God nu ook berouw. Maar dat heeft een precies tegenovergestelde richting. God kreeg namelijk berouw over het onheil dat Hij overeenkomstig het woord dat Hij door Jona liet spreken, Ninevé had willen aandoen. Dat berouw is een goddelijk reageren op de bekering der Ninevieten. God had volkomen ernstig; "menens", gezegd dat Ninevé over veertig dagen zou worden verwoest. Maar als God de werken der Ninevieten ziet, veroorzaakt dat in Hem grote vreugde en verandert Hij van plan en wendt Hij het reeds naderbij komend oordeel af.
Toen de HEERE Israël uit Egypte voerde zei Hij tot zijn volk: Zie, Ik heb u dat land ter beschikking gesteld, trekt op en neemt het in bezit (Deut. 1 : 21).
Maar als Israël na de uitzending der verspieders God hevig vertoornt, zweert de Heer dat niemand van de volwassenen het land dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen geven, zal binnen gaan (1 : 34, 35).
Tot Ninevé zegt God eerst in volle ernst en waarachtigheid dat Hij het over veertig dagen omkeren zal. Maar als Hij de daadwerkelijke bekering van haar inwoners aanschouwt, krijgt Hij er berouw over dat gezegd te hebben en zendt Hij het aangekondigde onheil niet. En zo werd Ninevé gered van de dreigende ondergang.
IV. In Jahweh's dienst gefaald
1. We zullen wat in hoofdstuk vier wordt verhaald zó moeten verstaan dat wat in vers vijf daarvan wordt meegedeeld moet vooropgaan.
We kunnen dat vers namelijk ook zó lezen: Jona nu was de stad uitgegaan en had zich ten oosten van de stad neergezet; daar had hij zich een hut gebouwd en zich daaronder in de schaduw neergezet, om te zien wat er met de stad ging gebeuren.
De gang van zaken moeten we ons dan zo voorstellen, dat Jona, nadat hij zijn prediking in Ninevé had beëindigd, en de gehele bevolking daarvan zich met boete en berouw smekend tot Jahwe had gewend, deze stad, die hij, komend vanuit het Westen was binnengegaan, aan de oostzijde verliet. Op een kleine afstand van de stad, vermoedelijk op een heuvel, bouwde hij zich toen een primitief hutje, een dak zonder zijwanden zoals de bewakers van de wijngaarden in het oosten dat deden en nog steeds doen. Onder het dak van die hun was hij enigszins beschermd tegen de moordend hete zon. En daar en zo wachtte hij tot de veertig dagen zouden voorbij zijn, om dan te zien wat de HEERE met de stad zou doen.
Zou God, ondanks zijn plechtige verzekering dat dat zeker gebeuren zou, Ninevé toch niet verwoesten?
2. Neen - Ninevé werd niet verwoest. God trok zijn in volle ernst uitgesproken dreiging in. Hij spaarde de stad. Toen dit doen Gods tot hem doordrong werd Jona, zoals er letterlijk staat, bedroefd met een grote' droefheid.
Deze daad van God mishaagde hem bovenmate, hij ontstak in toorn en werd kwaad. Een mens wordt kwaad op God! Een knecht op zijn Heer. Een kind op zijn Vader. Meer nog: een profeet op Hem door Wie hij gezonden wordt. En de enige reden voor die kwaadheid was - Gods barmhartigheid jegens heidenen!
3. In zijn boosheid gaat Jona bidden, dat wil zeggen: hij gaat met die boosheid naar God. Dàt Jona met wat hem schokt en woedend maakt tot God gaat is goed.
Maar het bidden tot God zoals Jona het dàn en dáár waagt, is ontstellend. Zijn gebed is namelijk het adres van God omdat deze vooreerst een scherp verwijt aan barmhartig is geweest ten opzichte van Ninevé. Vervolgens een rechtvaardiging van zijn weigering om naar Ninevé te gaan om daar te prediken. En tenslotte een vraag aan God om een eind aan zijn leven te maken.
4. Jona begint zijn gebed met een hoogmoedig zinnetje. "Ach, Jahweh," zo zegt hij, "heb ik het niet gedacht!" Wat Jona voorzien had was dat God uiteindelijk ook ten opzichte van de Ninevieten zou laten zien dat Hij een genadige en barmhartige God was, lankmoedig en groot van goedertierenheid, een God die berouw heeft over het onheil waarmee Hij dreigde. Wat deze woorden betekenen hebben we reeds eerder gezegd.
Jona was toen hij de opdracht kreeg om naar Ninevé te gaan om daar te profeteren onmiddellijk bang geworden dat Jahweh's vergevingsgezindheid het zou winnen van zijn toorn. Dat was reeds zo dikwijls vertoond. Jona geeft in zijn gebed een soort belijdenis. Jona zegt daarin immers wat hij gelooft ten aanzien van de God van Israël, van zijn God. Maar deze belijdenis is naar zijn feitelijke strekking een verwijt! Hij zal zijn God wel eens zeggen hoe Deze zijn eer moet handhaven en hoe Hij behoort op te treden tegen goddeloze heidenen.