De functie van de historie
1973-10-19
- Jaargang 17
- nummer 38
Eén van de eigenaardigheden van onze tijd is, dat wij enerzijds een grote belangstellingloosheid aantreffen ten aanzien van het verleden en dat er van de andere kant zeer gretig geluisterd wordt naar de stem der vaders. Dit tweede klinkt ons misschien ongeloofwaardig in de oren, maar toch is het zo. We behoeven alleen maar aan de theologie der revolutie te denken, die de geschiedenis van de doperij grondig overhoop heeft gehaald en nog haalt.
Dit leert ons, dat wij voorzichtig moeten zijn met de onder ons nogal eens gehoorde klacht, dat het tot de kenmerken van de moderne mens behoort geen belangstelling voor het verleden te hebben.
Het aan Henri Ford toegeschreven gezegde, dat geschiedenis kletskoek' is, vertolkt toch niet zodanig het algemene gevoelen als wij wel eens denken. Er is wel degelijk, naast interesseloosheid op inderdaad onrustbarende schaal, toch belangstelling voor wat de vroegere geslachten gezegd en gedaan hebben. Alleen, voorwaarde voor zulke belangstelling schijnt wel te zijn, dat men voor het heden door een gedachte gegrepen, door een idee aangeraakt is. Anders lijkt wel de geschiedenis een nietszeggend gebouw zonder deur.
Zou dat niet kunnen verklaren hoe het komt, dat een doorlichting van het heden vanuit het verleden bij zeer velen zeer weinig uithaalt? Niet eens overkomt?
Hoe overduidelijk de sprake die vanuit het verleden tot ons komt, ons ook mag voorkomen, er zijn er zeer velen, die er doof voor zijn. Met name voor hen, die in het verwarde heden een weg naar de toekomst niet weten, maar zoeken, is het verleden gewoon geen serieus argument. Er is een opvallende onbereidheid om op de opgeslagen voorraad van de menselijke ervaring een beroep te doen. Iemand, die daaruit put en met karrevrachten informatie bij zijn medemensen het erf oprijdt, kan de indruk opdoen, onwelkom te zijn en voor een zeurkous te worden aangezien. Ook binnen de gemeenschap der kerk kan het daarop lijken. Zou dat niet komen, doordat ons een bezielende gedachte voor heden en morgen ontbreekt?
Maar hoe krijgen wij deze bezielende gedachte dan? Voor iemand, die voor een opinie vormend weekblad medeverantwoordelijkheid op zich genomen heeft, is dit een brandende vraag. Hoe krijgen we iets aan het vonken, zodat ook het verstopte kanaal naar het verleden weer open gaat en wij vanuit de geschiedenis weer kracht putten en het vuurtje tot een vuur wordt aangeblazen?
Want áls het verleden werkt, werkt het krachtig!
Hoe geeft een blad als het onze leiding in een tijd van malaise, crisis en verlegenheid, die wij, zeker ook in de buitenverbandse kerken, doormaken? Leiding geven in crisis-tijd, dat betekent voor een christen teruggaan tot de bron. Door de nood gedreven moeten we terug naar de Heilige Schrift. We moeten ons deze weg, die een omweg en zelfs een escape lijkt, blijmoedig getroosten, want we hebben als we dat doen Gods belofte, dat we niet ledig zullen wederkeren.
Maar de Heilige Schrift, dat is toch ook geschiedenis? Maak ik mij dan niet schuldig aan een cirkel-redenering?
Nee, de Heilige Schrift heeft een historisch aspect, maar is zelf geen historie. Ze is openbaring.
Biddend moeten we vanuit de verlegenheid van onze dagen op zoek naar de Openbaring Gods.
Niet alsof die een volslagen onbekendheid voor ons zou zijn, wat uit het woord 'zoeken' opgemaakt zou kunnen worden. Gelukkig niet. Maar we moeten op zoek naar het verlossende woord van God voor ónze tijd. Op zoek naar wie Hij nu voor ons wil zijn en hoe wij Hem vandáág mogen beminnen ("I don't know, how to love Him"). Wij moeten het heden laten bevruchten niet door het verleden, maar door de Openbaring.
Als dat gebeurt, springen er deuren open naar de toekomst èn naar het verleden.
Wanneer we ons richten op de Openbaring met de concentratie van de koopman, die schone parels zocht, moeten wij het aandurven, het verleden even tussen 'haakjes te zetten. Dat lijkt ondankbaar, maar het is levensnoodzakelijk.
Toen de vaders van de grote reformatie zich op de Schrift wierpen, hadden zij ook de sterke behoefte, de traditie en die daarmee opereerden op hun beperktheid te wijzen. De traditie werd zeer duidelijk onder de bijbel gesteld. Men legde dat bijgeluid even het zwijgen op om des te beter de stem der Openbaring te kunnen horen. En tóen ze die hoorden, kregen ze de historie ook weer terug, nu als hulp en niet meer als hindernis.
Men mag vrijuit onder ons zeggen, dat het bijbelse volk Israel een rijke historie tot z'n beschikking had. Doorluchte namen hield Israël uit zijn verleden in de herinnering vast. En toch was er in de donkere tijd van de ballingschap het besef van de onmacht van dat verleden: "Abraham, weet van ons niet en Israël kent ons niet" (Jes. 63: 16). Dat betekent toch dat Abraham onze vragen voor ons niet kan oplossen en dat Jakob-Israël niet bij machte is, met het oog op onze tijd ter zake te spreken. Voor God mogen zij leven, voor ons zijn ze dood; wij kunnen met hen niet rechtstreeks communiceren. Er is geen echt gesprek, uitwisseling van gedachten, mogelijk en daarom voelen we ons ten diepste door hen ongekend. Zo vond Israël en zo vinden wij.
Die ons wèl kent, is de HERE: "Gij immers zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsher is Uw Naam." De historicus Rauke heeft gezegd: "Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott" - elk tijdperk heeft een rechtstreeksheid naar God toe. Een rechtstreeksheid buiten de historie om. En dat is bevrijdend.
Want op het beslissende moment faalt inderdaad de historie, op de wijze waarop het bekende vers zegt: 't faalt aardse vrienden vaak aan krachten. Ook de historie is zo'n aardse vriend, die bij tij den faalt. Maar God faalt nooit.
En als we Hem vinden, die alle hongerigen brood geeft; die ook voor onze dagen de oude woorden nieuw in onze mond kan leggen, dan vinden we ook de sleutel, die op de schatkamer van het verleden past.
Door gebed begeleide, intense bijbelstudie, dat is de eerste taak voor allen die tot het geven van geestelijke leiding geroepen worden.
Toegegeven, men kan zich zelf misleiden; men kan menen naar Openbaring te vragen en dan toch. een ideologie als antwoord ontvangen, zoals we bij veel theologie vandaag waarnemen.
Er gaat dus ook wel een deur naar- het verleden open, maar daar doorheen wordt dan alleen toegelaten wat bruikbaar is voor de zelfbevestiging.
Daarom moet het ootmoedig gebed erbij, dat teken is van echte onderworpenheid aan de Schrift.
Zoals de jonge Samuël op een scharnier der tijden bad: spreek, HERE, want Uw knecht hoort.