Vóór en na het Evangelie

1973-10-26
  • Jaargang 17
  • nummer 39
Ik begin met u enkele verzen uit Matth. 12 te lezen.

Mattheus 12: 43-45.

"Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet. Dan zegt hij: ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren; en als hij komt, vindt hij het leegstaan en geveegd en op orde. Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mee, bozer dan hijzelf; en zij komen binnen en wonen daar.
En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin. Alzo zal het ook gaan met dit boze geslacht."

Jezus spreekt hier een gelijkenis, die Hij toepast op zijn geslacht, zijn tijdgenoten. Wat het verhaal van één enkele mens vertelt, brengt Hij over op een grote groep.
Ik denk, dat het ook mogelijk is, het over te brengen op een cultuur.
Dan hebben we hier een röntgenfoto voor ons van onze europese cultuur. Wij zelf zijn dat huis, dat schoongemaakt, geveegd en op orde gebracht is geworden.
De evangelie-verkondiging is het grote exorcisme, de grote duiveluitbanning geweest, waardoor onze cultuur gechristianiseerd is.
Daardoor is er zoiets ontstaan als de publieke gelding van God en zijn dienst.
Misschien is het wel waar dat heel deze verchristelijking van onze Europese samenleving tamelijk oppervlakkig is gebleven. Een schoon huis is inderdaad nog niet automatisch een woonhuis. Toch is het van de andere kant niet wijs om van dat christelijke tijdperk dat nu bezig is te verdwijnen alleen maar negatieve dingen te vertellen en hoera te roepen omdat de dagen ervan geteld zijn.
Pas als het helemaal weg is, zullen we weten wat het allemaal tóch heeft voorgesteld, zoals je de klok in de kamer pas hoort, als-tie stilstaat. Laten we tot zolang wachten met juichen.
Want inderdaad, het tijdperk van de publieke geldigheid van onze godsdienst is bezig te verdwijnen.
Laten we voorzichtig zeggen, dat het 't tijdperk van de christelijke mogelijkheden geweest is, zoals 'n leeg huis een mogelijkheid is. En laten we dan verder toegeven, dat er maar zeer weinig van deze mogelijkheden In werkelijkheid is omgezet. Het is alles gebleven bij een zeer klein, een te klein beginnetje.
Nu gaat Gods oordeel er over; het verdwijnt. Het ongebruikt leegstaande huis wordt gekraakt.
De uitgedreven duivel van het heidendom keert terug met zeven andere demonen, bozer dan hijzelf.
Vanwege dit gezelschap dat hij meebrengt kun je dat wat terugkeert ook eigenlijk geen heidendom meer noemen. We krijgen de toestand van de oude Batavieren en Saksen en Franken niet meer terug, geen Wodan en geen Donar. Het evangelie heeft dit heidendom voorgoed uit z'n voegen gelicht.
Wat terugkeert is geen a-christeIijkheid, maar anti-christelijkheid.
Dat is het verschil tussen voor en na het evangelie. Voordat de adem van het evangelie over onze landen ging, was er on-christelijkheid.
Maar nu onze cultuur deze beïnvloeding afstoot, wordt ze anti-christelijk. Er komt nu bewust verzet.
Ook de christelijke zede wordt afgebroken, dat beschermende laagje, dat om het leven heenzat.
Jezus zegt ergens, dat in zo'n situatie zelfs de liefde zal verkillen.
Kortom, het wordt in het einde erger dan in het begin, zoals deze gelijkenis zich uitdrukt.
Toch wil ik daar nu iets bemoedigends tegenover stellen. Het oude Israël van de bijbelse tijd heeft ook een soort "Constantijns" tijdperk gehad. Dat eindigde met de ballingschap, de deportatie van de Judeeërs naar Babel. In de tijd dat dit oordeel zich voltrok, traden de grote profeten in Israël op. En die zeiden: een rest keert om. Zij bedoelden, dat een rest van het geheel uit Babel zou terugkeren en het proces der verwereldlijking zou doorstaan door Gods genade.
Moet u zich voorstellen wat dat betekent. Het betekent, dat énkelingen op het gehéél een uitzondering vormen. Toen het gros van Israël aan de leefwijze in Babel gewend was, wilde het niet meer terug. Het waren enkelingen die deze stap deden, enkelingen "wier geest God had opgewekt" (zoals het boek Ezra zegt).
Toen Israël uit Egypte trok, was dat een massale gebeurtenis. We lezen zelfs van veel meelopers.: Toen Israël uit Babel trok, waren het slechts weinigen; maar het waren mensen, die een stuk menselijkheid verwerkelijkten in vrije en besliste en persoonlijke keuze, die niet gevoed werd vanuit de publieke opinie en die niet gedragen werd door een algemeen aanvaarde zede. Het oordeel van de ballingschap heeft in Israël de persóónlijke gelovige naar voren gebracht. Overdreven gezegd: het is de geboortestonde geweest van het persóónlijk geloof.
Hetzelfde resultaat zal de secularisatie bij ons hebben. Aan het begin van onze Europese geschiedenis staan vólksbekeringen: de Franken, de Saksen, de Friezen.
Massaal, en inderdaad: de meelopers, het gemengde volk, zoals de Bijbel zegt.
In het proces der verwerkelijking vandaag wordt een restantenkerk, van overal vandaan, misschien organisatorisch één, misschien ook niet, maar in ieder geval: opgebouwd uit restanten.
Maar vooral: de persoonlijke gelovige komt naar voren, die niet meer met een algemeen geloof meegelooft en die niet meer meedrijft op een publieke zede. Het is integendeel iemand, die zelfs uit de zedenverwildering van heden nog christelijke munt slaat, omdat nu eindelijk het liefdegebod van God van onder de zede te voorschijn komt. Want behalve dat de zede een beschermend laagje geweest is, is het ook wel eens een hinderlijk laagje geweest, dat voor persoonlijk initiatief en fantasie weinig ruimte overliet.
De christen van de nu komende tijd kan dus in het Amsterdam van vandaag ruimschoots uit de voeten. Van alle kanten wordt een beroep gedaan op zijn durf, fantasie en vindingrijkheid. Hem staan in de persoonlijke sfeer ongekende mogelijkheden ter beschikking.
Zijn taak, zijn mooie taak is het om vandaag in een verkillende samenleving - en heus niet de Amsterdamse alleen! - de liefde van Christus te laten stralen.
Het voorbije tijdperk was er een van christelijke mogelijkheden, zei ik. Ik bedoelde de mogelijkheden om het publieke leven een theocratie, een Godsregering te laten zijn. Dat tijdperk lijkt voorbij, al moeten we met voorzichtigheid spreken. Wat nu schijnt te komen is een periode van weer andere mogelijkheden, die minder publiek, meer persoonlijk zijn. Er is dus geen reden tot mismoedigheid. De Geest van Jezus Christus staat niet verlegen. Op deze tijd heeft Hij gerekend. En Hij staat gereed om ons toe te rusten. Er is olie voor onze lampen.
Om af te sluiten: wij leven in een kantelend tijdperk en maken de overgang mee van "wij geloven" naar "ik geloof". Dit is geen absolute tegenstelling maar er zijn inderdaad genoeg situaties, waarin dat "wij" ons ontvalt en alleen het "ik" overblijft. Hoeveel moeten we vandaag niet "zelf weten"?
In eigen verantwoordelijkheid beslissen? Het "ik" is wel zwaar belast. Het hangt niet meer comfortabel in de leunstoel van de zede en de gewoonte, maar het zit ongemakkelijk op het krukje van de persoonlijke gehoorzaamheid.
Laat dan dit "ik", laat dan deze persoonlijke gelovige een intens gebedsleven opbouwen. Want als we zeggen, dat de persoonlijke gelovige nog nooit zo sterk naar voren heeft kunnen komen als vandaag, moeten we er dadelijk bijzeggen, dat hij ook nog nooit zo afhankelijk is geweest als juist nu. Het gebed wordt dus in toenemende mate belangrijk. Het boek de Openbaring zegt, dat als de voorhof van de tempel aan de heidenen wordt gegeven, d.w.z. als het gedaan is met de publieke geldigheid van onze religie, dat dan de tempel als huis des gebeds overblijft.

Zingen: Gezang 90, vers 1 en 2 uit de 102 Gezangen (Jan Wit).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief