Onze Enige Gezangen

1973-10-26
  • Jaargang 17
  • nummer 39
U kunt met uw broeders van mening verschillen over de vraag: of artikel 69 van de Dordtse Kerkenorde nog rechtskracht onder ons heeft of niet. En. of de DKO - immers de reeks huisregels in het huis, dat de buitenverbandelijke kerken buitenshuis zette - eigenlijk wel énige rechtskracht heeft.

Waar de zaken zo staan: dat rechtsregels regelmatig worden aangepast aan gewijzigde omstandigheden, respectievelijk dat ze keer op keer aanleiding tot legale scheuringen bieden, daar is de vraag begrijpelijk: maar wat moeten we dan met artikel 69? En waarover gaat artikel 69?

Laten we elkaars geheugen opfrissen. Artikel 69 zegt, dat de gereformeerde kerken uitsluitend de 150 psalmen van David (nu ja) zullen zingen, mitsgaders de enige gezangen (die ten tijde van 1618/9 bekend waren) en voorts die gezangen, welke een generale synode mocht vaststellen.

Aha, daar hebt u het. Wie de DKO bemint kan legaal zijn mond dicht klappen, wanneer een predikant zijn gezangenboekje te buiten gaat. En hij heeft daarbij het recht - vermoedelijk niet de zegen aan zijn kant. Maar wie de betrekkelijke waarde van de DKO in het algemeen en van artikel 69 in het bizonder inziet, zal vermoedelijk blijmoedig meezingen met wat de predikant (die zijn preek, de liturgie en het aandeel van de gemeente in de verkondiging goed voorbereidde) hem te zingen voorstelt.

Onze laatste GS, die op grond van de haar verleende bevoegdheid de kleine bundel Enige Gezangen uitbreidde, was die te Middelburg, 1933. Maar het kerkverband, dat ons in 1944 uitstiet, is van stap tot stap al zingende voortgeschreden en bracht het heel wat verder zonder ons dan met ons; althans op het punt van de kerkzang. Voor onze zingende kerken is de gezangenbundel echter in 1933 blijven stilstaan - alle pogingen ten spijt.

Voor ditmaal willen wij de tekst van die Enige Gezangen niet onder de loep nemen. Liever wagen wij een poging, u en uw kerk te dienen met enige voorstellen inzake een muzikaal-verantwoorde wijze van zingen van deze. enige gezangen.

De ironie van het geval wil namelijk, dat de enige gezangen zijn verankerd aan melodieën, die niemand handhaaft en niemand juist gebruikt.
Sterker. Zou uw organist die gezangen nauwkeurig spelen zoals zijn officiële kanselboek hem voorschrijft en zoals de synode van Middelburg ons scherpelijk inprentte ... dan zou een volslagen chaos ontstaan. Uw organist zou het gelijk - niet de wijsheid - aan zijn kant hebben. En een knappe kerkeraad. die de hieruit ontstane en te verwachten moeiten het hoofd zou kunnen bieden.

Maar hoe komt dat toch? zult u vragen. Dat komt hiervan, dat een synode de moed had, zelf door haar harmoniumspelende deputaten de notatie der melodieën te doen vaststellen. En die eerwaarde heren deputaten waren misschien wel bedreven in de theologie - maar niet in de kennis van het muziekschrift, van de muziek, van het volkslied en van het geestelijk volkslied ofwel de kerkzang. Er is destijds hulp aangeboden door de toen pas opgerichte vereniging van gereformeerde organisten - maar de deputaten konden het zelf wel. Het was als zo dikwijls: dat de kennis werd geacht te zullen komen met het ambt.
De organistenvereniglng, die de drukproeven kreeg toegezonden, had nog net de kans om te waarschuwen dat deze zaak mis zou móeten lopen - maar het was al te laat. De boel werd meteen afgedrukt.

Ten overvloede besloot de synode, gealarmeerd door de organisten, deputaten te benoemen, die er op moesten toezien .dat de uitgevers van kerkboeken de Enige Gezangen nauwkeurig en zonder wijzigingen zouden overnemen - maar dit heeft geen spatje geholpen. Iedere uitgever liep tegen de enormiteiten aan. Iedere uitgever vroeg aan een of andere deskundige, de melodieën lees- en zingbaar te maken.
Iedere uitgever drukte zoals zijn adviseur hem adviseerde. Niemand hield zich aan de "officiële" schrijf- en zangwijze. Maar ook niemand is deswege vervolgd, verbrand, gehangen of gevierendeeld.

In september 1939 was de verwarring zo groot, dat het maandblad Organist en Eredienst een hoofdartikel publiceerde onder de titel: "De chaos in onze Gezangenmelodieën". Als we het goed hebben stond boven het artikel dezelfde naam als boven hetgeen u nu (maar half gelovig) leest. Het artikel is aangeboden door de organistenvereniging aan alle leden van de synode van Sneek-1939. Maar die heren hadden wel wat anders aan het hoofd dan Gods lofzangen! En wie Iiefhebber is van de kerkgeschiedenis der 20ste eeuw kan al deze dingen terugvinden in de acta der synodes en in de oude jaargangen van Organist en Eredienst.

Zo is dit doorgegaan. Tot op den huidigen dag. Nooit zijn de fouten in de schrijfwijze der gezangenmelodieën erkend, teruggenomen of gecorrigeerd. Bij de synodale kerken is die bundel eenvoudig afgeschaft en door een betere vervangen. Bij ons zijn de 29 gezangen gehandhaafd. De ene gemeente zingt de gezangen zus - de andere zo. Komt u te gast in een andere gemeente, dan treft u daar eigenaardigheden.
Maar troost u: anderen vinden dat u de gezangen eigenaardig behandelt.

Wat scheelde er dan aan de notatie van de Middelburgse synode? Van alles! Om te beginnen was een schriftgebruik, dat al enkele eeuwen in onbruik was geraakt: een muziekschrift, ontleend aan het gregoriaans. Enigszins te vergelijken met het gothische letterschrift, kenmerk van een oprechte statenbijbel, terug te vinden in de titelletters van De Heraut en De Standaard. De noten van de psalmmelodieën bestonden uit minimae en semiminimae, als u dat gelukkig maakt. U kunt ook zeggen: uit vierkante noten en vierkante staartnoten; de laatste half zo lang durend als de eerste. Maar terwijl de psalmwijzen nog het verschil in hele en halve noten kenden, werden de gezangen uitsluitend in hele noten, minimae, gedrukt.

Verstaat u wel: dit schrift werd aan een officiëel kerkelijk synodaal besluit gehecht - al kon vrijwel niemand het lezen. U kunt het nog vinden in de oude kerkboeken en daarbij treft u de sopraan- en de altsleutel aan, zij het dat beide met enkele misvattingen werden gebruikt.
Die misvattingen werden goedgemaakt door een "Muzijkonderrigt" van enkele regels druk; waaraan toegevoegd de zin: dat het u nu wel helder zou zijn.

U kent die sleutels niet? U bent al blij wanneer u de viool- en de bassleutel hebt geleerd? Foei toch. Als u synodale besluiten, die rechtskracht hebben tot op den huidige dag, wilt verstaan... zult u toch eerst musicologie moeten studeren. Dan moet u in de C-sleutels (er zijn er maar vijf en Bach gebruikte in zijn orgelkoralen er slechts twee van) leren lezen; daar helpt geen lieve moeder-de-kerk aan.

De uitgevers van de kerkelijke zangboeken hebben geen van allen dit antieke schrift overgenomen. Zij hadden meer zorgen voor uw welzijn dan de eerwaarde heren deputaten. Maar die wisten niet wat ze deden. En u hebt gelijk als u zegt: dat een schrijfwijze niet hóórbaar is bij het zingen. Al betekent die onbekende schrijfwijze wél, dat ieder die het ook niet lezen kon de muziek naar hartelust kon vertalen. Hier groeide de vrijheid der musicologische exegese. Zelfs het rustteken, een oud gregoriaans teken voor een gemeten rust, door Pierre Vallete in 1557 nauwkeurig omschreven, werd in die dagen voor een ademhalingstekentje versleten ... door de musicoloog ds H. Hasper!

En wat nu opbrak was het volgende. De deputaten hadden vrijmoedig leentjebuur gespeeld bij de Evangelische Gezangen en de Vervolg bundel. Dat moet op een koopje zijn gegaan - want die gezangen van de Ned. Hervormde Kerk waren oud en verouderd en nabij de verdwijning. Drie jaar later verving de Hervormde Kerk haar verziekte bundel. Ze heeft trouwens, via een proefbundel van 102 Gezangen, onlangs al weer een nieuw "Liedboek voor de Kerken" in gebruik genomen. (Het zal de moeite lonen ook daar eens bij stil te staan.) Maar wat wij, binnen en buiten elk kerkverband. nog steeds zingen - dat zijn melodieën, uit de restantenopruiming van de dertiger jaren.

Dat is niet zo fraai. Onze vaderen zeiden: als het voor ons maar goed genoeg is. Ze vergaten, dat het voor de Koning der kerk goed genoeg moet zijn, wil Hij tronen boven deze lofzangen (om met psalm 22 te spreken).

Sedert lang waren de psalmwijzen op gelijke lange noten gezongen.
Wel werden ze nog huichelachtig in hele en halve noten geschreven (dat waren die minimae en semiminimae, weet u wel?) maar pas in 1936 en 1938 kwamen ds Hasper's nieuwe berijming op de min of meer herstelde wijzen en de Hervormde oude berijming op ook enigszins herstelde notatie. Geen wonder, dat in 1933 ook de gezangenmelodieën door deputaten in gelijke lange noten werden overgenomen.
De gezangen, over het algemeen metrisch en ritmisch gecomponeerd, werden officiëel als maatloze, kleur- en smaakloze, langzame, taaie eenheidsnoten uit de kerkelijke molen geperst. Trots hun afkomst uit goede Duitse, deels van Luther stammende, bronnen.

Zo namen de eerwaarde deputaten in 1933 de wijzen van de Evangelische Gezangen over. Ze hebben er zelfs nog aan gedokterd. Niet alleen zijn coupletten weggelaten, vervangen of gewijzigd (je moet ook maar durven met geleend goed) maar ook aan de melodieën is van alles gewijzigd. Zelfs zo gewijzigd, dat bijvoorbeeld de eerste noot van de 8e regel van gezang 22 nog steeds door geen enkele gereformeerde kerkganger gezongen wordt. Wist u dat eigenlijk wel?
Zo nee, het geeft niets.

U worde door het voorgaande niet al te zeer verontrust. Misschien is het zelfs wel goed dat we samen eens heilzaam schrikken van wat we regelmatig de Heere God toezingen. Daarover een volgende keer verder?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief