De eenheid van de familie
1973-11-02
"Zie, hoe goed en hoe liefelijk is het als broeders tezamen wonen".- Jaargang 17
- nummer 40
Ps. 133:1
Dat is kennelijk van ouds al een hele kunst geweest: dat broeders ook samen wonen.
Getuige dat merkwaardige woordje "ook".
Je leest er makkelijk over heen.
Maar het is belangrijk.
De psalmist wil er mee zeggen: je kunt ván elkaar wel broers zijn, maar mét elkaar als broers samen wónen, - dat is nog wel wat anders!
Dat maken we als kerken ook mee.
Kerken met dezelfde belijdenis, die elkaar als kerken van Christus erkennen, - gelovigen van gereformeerde confessie, die elkaar als broeders erkennen,maar als kerken en als broeders ook samen wónen, - dat blijkt telkens weer op grote weerstanden te stuiten.
In dat woordje "ook" zit kennelijk de pointe van deze psalm.
Het is natuurlijk geen kunst om als broeders in vrede samen te leven, als je elkaar alleen maar ontmoet bij bepaalde gelegenheden: bruiloft of begrafenis. Maar het ook samen leven, onder één dak, - dát is de kunst.
Evenals in de psalmen 127 en 128 krijgen we in psalm 133 een lieflijk familiebeeld te zien. Wellicht" wat geïdealiseerd, maar wel helemaal passend in h.et oosterse familieleven van die tijd.
Het was toen familie-zede, dat inderdaad de broers uit één gezin, ook na hun trouwen, bleven samen wonen.
Dat is nóg wel vaak het geval onder oosterse volken, waar de familieband veel sterker is dan bij ons.
Telkens als er één van de volwassen kinderen trouwt wordt er een stukje aan het familiehuis aangebouwd en zo wordt het op 't laatst een lang gerekt huis, waar ze allemaal samen wonen.
Ook onder Israël kende men dat "blijven samen wonen", We lezen ervan in Deut. 25: 5, waar de bepaling van het zwagerhuwelijk wordt ingeleid met de woorden: "Wanneer broeders tezamen wonen ... "
We kennen de praktische toepassing van het zwagerhuwelijk uit de verhalen van Juda en Thamar en van Boaz en Ruth.
Voorwaarde voor die instelling was het samen wonen als broeders.
De bedoeling van het blijven samen wonen als broeders was om het vaderlijk erfdeel bij elkaar te houden.
En als één van de broers kinderloos sterft zal één van de andere broers zich het lot van de weduwe èn haar erfdeel aantrekken. Hij neemt de plaats van zijn overleden broer in en "bewerkt" zowel de vrouwen de akker van zijn broer, om op deze manier zowel een erfgenaam te verwekken als het erfdeel te verzorgen.
Dat dient allemaal om het familie-erfdeel in stand te houden, het "patrimonium" te bewaren.
Soortgelijke instellingen zijn ook gevonden bij Indiërs, Perzen, Afghanén, Grieken en vrij algemeen in Afrika.' 't Is dus wel een typisch-oosters gebruik, en wij staan als westerlingen er wat vreemd tegen aan te kijken, omdat wij zo sterk individualistisch ingesteld zijn. Wij houden de boel niet bij elkaar,wij vertonen meer de tendenz van de verloren zoon uit de gelijkenis: we maken ons portie van de erfenis te gelde en trekken met ons deel de wijde wereld in.
Dat is óók een cultuurkracht: de kracht van de spreiding, - maar de oosterse cultuurkracht lag in de. concentratie: de boel bij elkaar houden.
Dat intussen deze ideale, toestand, zoals ze in psalm 133 getekend wordt, ook toen en daar niet altijd bereikbaar was, vertellen ons de voorbeelden van Abraham en Lot en van Jakob en Ezau.
Van Abraham en Lot lezen we op een gegeven ogenblik, dat het land niet toeliet, dat ze tezamen bleven wonen. Daarvoor waren hun kudden te groot.
Dat daarbij ook nog een ándere faktor speelde, althans bij Lot, weten we maar al te goed. En het is Lot niet goed bekomen, dat hij aan het samen wonen als broeders een einde maakt.
Ook van Jakob en Ezau wordt gezegd, dat hun have te veel was dan dat ze samen konden blijven wonen.
En ook dán weten we dat dit niet het enige motief was, waarom ze niet konden samen wonen.
Ze waren immers gééstelijk helemaal uit elkaar gegroeid.
Het gaat niet maar alleen om de materiële erfenis," die ze niet meer samen kunnen beheren, maar vooral de gééstelijke erfenis van het verbond bindt hen.
niet meer samen, maar verdeelt hen juist.
Dat ook in de tijd van Saul en David dat samen Wonen als families nog in zwang was, blijkt o.a. uit het verhaal van het zoeken van de ezelinnen door Saul en een knecht. Wanneer ze dan thuis komen informeert een óóm van Saul waar ze zolang gebleven zijn.
Saul woont daar dus 'kennelijk met zijn vader en een stel ooms en tantes samen. Binnen deze familieband blijft het vaderlijk erfdeel, het patrimonium, bijeen.
Maar dat was onder Israël, Gods volk van het oude verbond, maar niet alleen een materiële zaak.
En een puur materieel belang.
We zagen dat al in die voorbeelden, waar het samen wonen beeindigd moest worden.
Abraham en Lot, Jakob en Ezau spelen het niet klaar om bij elkaar te blijven. Vooral de laatst genoemden, beiden verbondskinderen uit de tent van vader Isaäc, zien geen kans in onderlinge vrede de verbondserfenis te bewaren en de zegen ervan te genieten.
Ziedaar de spánning in de groeiende verbondsfamilie van Israël.
Maar ook in de latere geschiedenis van de christelijke Kerk.
We zijn allemaal families van elkaar en noemen elkaar broeders.
Maar "ook samenwonen" ... ?
En toch: hoe goed en liefelijk zou het zijn.
Als we de volgende keer psalm 133 verder lezen, zullen we zien, dat de eenheid van de Familie niet realiseerbaar is zonder het Hoofd der Familie.