Onze enige gezangen

1973-11-02
  • Jaargang 17
  • nummer 40
Inventarisatie der melodieën

We zagen een vorig maal, dat ook een synode die ex cathedra spreekt de kerken in moeiten kan brengen. En om uit die moeiten te geraken zullen we vandaag eens nader ingaan op de notatie van onze gezangenmelodieën.
Waar kwamen die melodieën vandaan?
Een der toenmalige deputaten, ds A. H. v. Minnen, gaf in de Westlandse Kerkbode in 1934 de volgende verantwoording van de herkomst:

Gez. 10 = Ev. Gezang 270
11 = bek. mel.
12 = Ev. Gez. 271
13 = Ev. Gez. 123
14 = psalm 42
15 = Ev. Gez. 247
16 = Ev. Gez. 83
17 = ps. 54 + 1 r.
18 = Ev. Gez. 1
19 = Ev. Gez. 39

Gez. 20 = psalm 33
21 = psalm 134
22 = Ev. Gez. 38
23 = psalm 89
24 = bek. meI.
25 = Ev. Gez. 38
26 = Ev. Gez. 269
27 = psalm 66
28 = Ev. Gez. 9
29 = Ev. Gez. 96

Over de eerste 9 gezangen sprak deze deputaat niet. Die hadden onder ons reeds volkomen zekerheid - zij het een twijfelachtige zekerheid.
En als u nu de officiële wijs van ons Gezang 13 (0 Hoofd) naloopt, merkt u, dat er al duchtig aan de noten van Ev. Gezang 123 is geknoeid. Om van de andere te zwijgen. Een melodie als ons gezang 24 - het reformatielied bij uitnemendheid, nota bene van Luther zelf afkomstig - wordt als bek. mel. afgehandeld en ook de componist van Ere zij God is vergeten. Dat deputaten de namen van componisten niet kenden of opzochten is tot daar aan toe; maar dat zij de levendige en veerkrachtige melodie van Martin Luther omgoochelden tot een reeks konijnekeutels - dat is erger.

Geen wonder - waar deze gezangenbundel, van synodaal keur en zegel voorzien en onder de hoede van speciale deputaten gesteld die het ook niet konden helpen, bij zijn geboorte al zo rammelde - dat het na 40 jaar nog niet veel beter is. Jawel, onze kerken kunnen het gouden feest van haar gezangenbundel vieren. Maar ze lopen op afschuwelijke wijze achter in de lofzangen Israëls, waarboven de Heilige wil tronen.

De gereformeerde kerken hebben in de vorige eeuw een gezangenstrijd aangebonden. En geen woord kwaad daarover. De Afscheiding is deels geworteld in het verzet tegen de Evangelische Gezangen.
Geen woord kwaad daarover. Die gezangen waren dan ook jaren lang door de overheid verplicht aan de kerken opgelegd. Geen woord goed daarover. Maar de gereformeerde kerken hebben er nooit iets tegenover gesteld. En dat is niet fraai. Ze vergenoegden zich met de 150 psalmen Davids en de Enige Gezangen. De golven van gezongen gebeden elders zijn langs haar heen gegaan.

Het is vurig te wensen, dat onze kerken eens over een goede gezangenbundel kunnen beschikken. En als die wens ons duidelijk voor ogen staat kunnen de gebeden zich vermenigvuldigen. Waarna achter het gebed ons werk zal volgen. Maar in afwachting daarvan willen we nu trachten u de weg te wijzen naar een vandaag muzikaalverantwoord gebruik van de Enige Gezangen. De wraak van synodale deputaten is niet meer te duchten: die kerels hebben hun taak nooit verstaan en zijn, na de ingebruikname van de volgende gezangenbundel,van hun verantwoordelijkheid ontheven.

De wijs van Gezang 1, de berijmde Tien Geboden, stamt uit 1545.
Sinds 1562 is de melodie voor psalm 140 gebruikt. In Datheen's berijming van 1566 werd voor het gezang dezelfde melodie gekozen. Sedertdien zijn de X geboden in Nederland gezongen. Nu we de oorspronkelijke notatie in hele en halve noten weer kennen, geeft deze wijs geen enkel probleem. De tijd heeft de fouten van deputaten achterhaald. Tussen de regels dient een rust, gelijk aan een hele noot, te worden gehouden.

Gezang 2, de lofzang van Maria, heeft een nog oudere melodie, te weten uit Straatsburg, 1539. Bij Datheen (1556) komt dit gezang eveneens voor: juist zo genoteerd als wij het vandaag zingen. Dat wil zeggen: de derde noot wordt bepaald niet verhoogd. En daarmee mogen we de gelijke lange noten van de gezangendeputaten uit 1933 vergeten.
Tussen haakjes: wist u dat het Ned. Bijbelgenootschap in 1875 ons heeft vergast op een psalmbundel, waarin de lange noot voluit werd afgedrukt, ook in de gezangen?

De melodie van ons derde gezang, de lofzang van Zacharias, is ook al sedert 1525 uit Straatsburg afkomstig: werd daar gebruikt voor het lied Am Wasserflussen Babylon (naar psalm 137). Datheen gebruikte deze wij:') voor zijn berijming van Lucas 1 en schreef ze vrijwel gelijk als wij doen. Toch moeten we op twee dingen attent zijn. De 7e regel is (bij Jongbloed bijv.) nog. wel eens gedrukt als: mi-sol-Ia-sod-mi-fa-mi. Zo werd en wordt het gezang Am Wasserflüssen namelijk gezongen. Datheen echter noteerde: mi-Ia-Ia-sol-mi-fa-mi, zoals wij ook meestal zingen. En er is geen sprake van een drukfout - want Datheen gaf voor elke noot, behalve het muziekteken, ook de aanvangsletter van de naam, dus M - L - L – SM-F-M.

In de 6e regel wordt vaak een verhoging gezongen, alsof het slot luidde: do-re-la-si-do. Dat is onjuist. Datheen schreef geen verhoging; integendeel duidde hij zijn onveranderde noten aan met sol-la-mi-fa-sol.


Die verhoging is typerend voor de tijd, waarin de kerkzang zo traag vloeide, dat men zo maar een overstapje naar een neventoonaard dacht te kunnen nemen; misschien wel uit verveling. Met ons hedendaagse tempo gevoelen we ons echter zo thuis in de toonsoort, dat die bandeloze trekjes rustig beheerst kunnen worden. De organist doet goed, die toon (Bes) reeds vooruit in zijn bas vast te leggen - dan behoedt hij zijn gemeente voor uitglijden naar B.

Als u verstandig bent, gij zanger of gij speelman, koop dan nu een rood potlood. Slijp er een nette punt aan. En streep duidelijk die verhoging in de zesde regel door. Bewaar dan uw potlood - u zult het verder nodig hebben.

Gezang 4, de lofzang van Simeon, is reeds bij Calvijn's bundeltje uit 1539 gebruikt. Ook Datheen (1566) nam deze melodie voor zijn berijming voor Lucas 2, precies zoals wij haar zingen. En reken maar dat Datheen voor 4 eeuwen de hele rust tussen zijn regels nauwkeurig uitschreef.

Het gebed des Heeren, gezang 5, is van Martin Luther (1539) afkomstig.
De melodie komt bij Datheen (1566) voor. Net als die van gezang 2 begint en eindigt elke regel met een lange noot, terwijl de overige (als regel) korte noten zijn. Een opvallend verschijnsel uit die tijd. Datheen noteerde het net als wij zingen: in de 4e regel geen verhoging, maar sol-la-sol-fa-mi-re-ut-re. Als die verhoging toch in uw boekje mocht staan, kunt u hem met uw nieuwe rode potlood doorstrepen - al zal het uw gemeente moeite kosten dit punt te corrigeren.

Dat komt hiervan. Wanneer een slotnoot twee maal voorkomt, wil de daar tussen staande critische noot graag verhoogd worden. Zodat de figuur do-si-do ontstaat. Ook wanneer daar re-do-re staat. Vergeef het maar. Wees niet al te rechtvaardig. Wanneer die slotnoot ook de grondtoon van het lied is, wordt algemeen die verhoging wèl toegestaan. Als in de 3e regel bijvoorbeeld. Overigens is de verlaging in de laatste regel juist. In de dorische toonsoort, voor dit gezang gebruikt, kan de zogenaamde sext (de zesde toon boven de grondtoon) zowel groot als klein zijn.

En nu even twee opmerkingen. U denke nimmer: dat gaat mij allemaal niet aan. Want het gaat u voor honderd procent aan. In het oude testament waren er speciaal opgeleide Levietische zangers en speellieden. In het nieuwe testament zijn wij allemaal geroepen tot de lof des Heeren en wentelen niets af op specialisten.
En de tweede opmerking betreft Datheen - zijn berijming uit 1566.

De nederlandse gereformeerde kerken zijn namelijk door die bundel voor het eerst openbaar, gezamenlijk en in vereniging, gaan zingen in de kerk. Datheen had de onder Calvijn's leiding in 1562 klaar gekomen psalmberijming letterlijk vertaald; zelfs halve coupletten in halve coupletten vertaald. Ook de melodieën getrouwelijk overgenomen. Zodat - bij het aanvaarden van Dathesn's berijming door de kerken, eerst te Embden later te Dordrecht - onze kerken voor goed vast zaten aan de ritmische melodieën, die door Calvijns Geneefse voorzangers zijn gecomponeerd. Vandaar die herhaalde verwijzing naar Datheen.

Gezang 6 is de berijmde Geloofsbelijdenis. Ai, wat een heet hangijzer!
Eeuwenlang hadden onze vaderen keuze uit 2 berijmingen en 2 melodieën.
Vandaag wordt vaak een melodie in C-mineur gebruikt van onbekende herkomst. Die is allesbehalve schoon maar wel bruikbaar.
De melodie, welke in uw boekje voorkomt (in d-dorisch geschreven) is al zeer oud, is een eeuw ouder dan de reformatie. Ook Luther gebruikte haar voor het Credo. Datheen (1566) gebruikte zowel een wijs van Bourgeois uit 1542 als de dorische melodie. De laatste bij de berijming van Johannes Utenhove. Hij schreef er geestig boven: Dit is het gheloowe door Jan Wtenhoue.

Ook 1773 (onze zogenaamde oude berijming) kende twee berijmingen en twee melodieën. De deputaten van 1933 stelden slechts een berijming en één melodie vast; en wel de oude voor-reformatorische melodie.
En wanneer u die tracht te zingen botsen tekst en ritme allergruwelijkst op elkaar. U kunt dat aan geen Bosneger verkopen.

Wat dan? De gemeente wil terecht graag zelf haar geloof belijden.
Er zijn diverse proeven van onberijmde Credo's genomen op schabloonmelodieën, van oude motieven vervaardigd. De kwestie van een gezongen Credo blijft brandend. Hier moet eens een oplossing worden gevonden. Hetzij via de onberijmde belijdenis, gezongen bijvoorbeeld op de melodie van Paul v. d. Westering. Hetzij een verbeterde berijming, en dan gezongen op de klassieke, internationale melodie, die in uw boekje staat. Als er maar iets goeds tot stand komt.

Verveelt het u nog niet? Verstaat u wel: het gaat niet om de hobby van een of andere kerkmuzikale idioot - maar om de lofzangen Israëls, waarboven de God van hemel en aarde troont. Wanneer daar vroeger zangmeesters en opperzangmeesters voor nodig waren, dan mogen we ons toch wel enige moeite getroosten?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief