Het Hoofd van de Familie

1973-11-09
  • Jaargang 17
  • nummer 41
"Het is als de kostelijke olie op het hoofd, nedervloeiende op de baard,
de baard van Aäron,
die nedergolft op de zoom van zijn klederen.
Het is als de dauw van de Hermon,
die nederdaalt op de bergen van Sion.
Want daar gebiedt de HERE zijn zegen,
leven tot in eeuwigheid."

Ps. 133 : 2 en 3

David maakt er toch geen goedkoop, romantisch plaatje van: wat mooi en lief als broeders zo samen wonen, geen wanklank wordt gehoord, ze vliegen elkaar nooit in de haren, ze zijn het altijd roerend met elkaar eens ...
David weet beter.
Daarvoor heeft hij te lang bij vader thuis in Bethlehem tussen zijn broers geleefd.
En wat heeft hij in zijn eigen gezin niet meegemaakt en doorgemaakt aan spanningen en twisten!
Hij heeft er verdriet genoeg van gehad.
Neen, David weet te goed, dat onze naturen zó kunnen botsen en dat we zó onverdraagzaam kunnen zijn, dat we als broeders van hetzelfde huis niet in staat zijn de boel bij elkaar te houden.
We kunnen dan nog wel "in vredesnaam" náást elkaar léven, maar niet meer in vrede mèt elkaar samen wonen.
Voor dat laatste, - in vrede samen wonen -, is iets nodig, dat wij allemaal missen. En dát alleen houdt ons bij elkaar.
Wij kunnen het niet opbrengen, het moet tot ons neerdalen.

En daar hebt u het kernwoord van de psalm: neerdalen.
Het komt in de Hebreeëntekst 3 x voor.
De baard van Aäron daalt neer tot op de (boven)zoom van zijn kleed.
De zalfolie daalt neer langs de baard van Aäron.
En de dauw van de Hermon daalt neer op de bergen van Sion.
In al die beelden is dit dus het punt van overeenkomst en vergelijking: dat neerdalen en afvloeien van boven.
Het broederlijk samenwonen is alleen te verwezenlijken, als Gods genade en zegen op ons neerdaalt van boven.

Dat "van boven neerdalen" ziet David in twee beelden voor zich: de zalfolie die van het hoofd van Aäron neerdaalt, en de dauw die van de top van de Hermon neerdaalt.
Het lager-liggende en om-liggende wordt er door gezegend.
Aarons baard en kleed wordt van de zalfolie doortrokken en doorgeurd.
En het veel lagere bergland van Sion wordt door de dauw vruchtbaar gemaakt. De top van de Hermon reikt tot in de wolken en is met sneeuw bedekt. Reizigers in Palestina hebben het merkwaardige verschijnsel opgemerkt en beschreven, dat overdag door de hitte wolken waterdamp gevormd worden uit de sneeuw boven op de Hermon, die dan tegen de avond met een koude luchtstroom worden meegevoerd naar lager gelegen streken en daar als avonddauw neerslaat.
Als het waar is dat "Sion" afgeleid is van een woord, dat iets met "droogte" te maken heeft, dan wordt nog duidelijker welk een rijke zegen van boven neerdaalde op het laaggebergte van Sion.

Zouden wij zowel bij die neerdalende zalfolie van Aäron, als ook bij de neerdalende dauw van de Hermon, niet mogen denken aan de zegeningen van de Geest van Christus, ons Hoofd in de hemel?
Dan heffen we onze harten omhoog, - nog hoger dan naar het hoofd van Aäron en nog hoger dan de top van de Hermon, die in de wolken steekt.
Hoger dan de wolken is onze Hoofd in de hemel.
Vandaar doet Hij zijn Geest neerdalen, als de zalfolie die onze kracht vernieuwt en als de dauw, die ons in onze dorheid verkwikt en vruchtbaar maakt "van boven".

De eenheid van de Familie is niet te realiseren zonder het Hoofd van de Familie. En het Hoofd van de Familie zetelt niet in Rome of in Den Haag, niet in Lunteren of in Spakenburg, - maar in de hemel.
Wij houden de zaak niet bij elkaar.
De erfgenamen van de Reformatie hebben geen kans gezien het patrimonium sámen te bewaren en sámen uit te bouwen.
Ieder toog heen met zijn eigen erf-deel, dat hij sektarisch tot een-en-al ging verklaren. En wie vroeg naar het Hoofd van de familie?
Bij gelegenheden verklaren we ook wederzijds zeer plechtig, dat we toch familie van elkaar zijn en spreken we elkaar als broeders aan, - maar hoe groot zou het verdriet niet zijn van het Hoofd van de familie, dat wij niet als broeders "ook samen wonen"?
Brengen we het niet op?
Neen, dat weet ons Hoofd daar boven ook wel, maar daarom doet Hij juist zo rijk zijn hemelse gaven op ons neerdalen.
Zouden we niet daarom kerkelijk zo dor en mat zijn omdat we te weinig bidden om en verwachten van en ons open stellen voor die neerdalende gaven van de Geest?

En dan nog iets.
Die broers in zo'n oosterse familie zaten bepaald niet met de armen over elkaar de erfenis te bewaken, maar ze deden er wat mee.
Het was meestal geen zak met geld of een bedrag op de bank, maar een akker of een kudde, en daar moet je hard aan werken samen.
Het samen wonen als broeders is alleen mogelijk als we ook samen werken. De erfenis niet alleen maar angstvallig bewaken in een kluis of in een zweetdoek, maar er mee werken, produktief maken, en velen rijk maken met de oude en nieuwe schatten die ons in beheer gegeven zijn.
In gezámenlijk beheer!
Het Hoofd van de Familie en de Vader in de hemel zullen ons eenmaal vragen, wat we samen met de erfenis hebben gedaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief