De ware Jacob
1973-11-16
Bijbellezen met argusogen - Jaargang 17
- nummer 42
Er zou al veel gewonnen zijn, wanneer wij ons bewust werden van de manier waarop wij vaak de bijbel lezen.
Wenkbrauwen fronsen zich wanneer wij zien hoe mensen van het negroïde ras zich Jezus voorstellen en Hem uitbeelden als een neger.
Even gênant vinden wij het, als onze zuiderburen zich vermeien in "Het Kindeken Jezus in Vlaanderen", geesteskind van Felix Timmermans.
Vanzelfsprekend vinden de gebruikelijke afbeeldingen van Jezus in onze eigen lage landen geen genade in onze ogen - verraden zij niet een roomse gedachtenwereld en is het zelfs wel in de haak zo'n "gesneden beeld" te maken of te hebben?
Maar àls wij al die voorstellingen (al of niet kunstzinnig) eens goed bekijken, ontkomen wij er dan aan dat Jezus vaak typisch Nederlandse trekjes vertoont, ook in onze eigen voorstellingswereld?
Natuurlijk, wij weten wel beter.
Maar een feit blijft dat onze alledaagse ervaring haar stempel drukt op de voorstelling die wij van iets of iemand hebben. Daar ontkomt niemand aan. Op z'n best kunnen wij ons aanwennen al dat vanzelfsprekende kritisch, met argusogen te bezien.
Stenen tafels (niet voor een picknick)
De proef op de som valt gemakkelijk te nemen.
Hoe stellen we ons bijvoorbeeld de stenen tafelen voor, waarmee Mozes van de berg afdaalde?
Daargelaten dat die “tafelen" ons nauwelijks meer aan de bedoelde "tabletten" herinneren, zal onze eerste reactie zijn, dat Mozes een paar forse (liefst witte) platen steen onder de armen gekneld hield. Zó hebben we ze toch altijd in onze kinderbijbels afgebeeld gezien?
Maar wie denkt er bij door, dat een dergelijke vracht graniet zelfs voor Mozes wel iets teveel van het goede geweest zou zijn? En dat eens temeer omdat de afdaling van een berg op zichzelf al een stuk zwaarder isdan de beklimming ...
Hoe is men er dan toe gekomen die tabletten toch zo groot voor te stellen? Naast het gevoelsargument (zwaarwichtige documenten) komt daar natuurlijk bij: alle tien geboden moesten er op kunnen - vier op de ene, zes op de andere tafel. "Reproducties" op hout zijn in diverse oude werken te bezichtigen.
Hier blijkt nu duidelijk de invloed van eigen cultuur op onze voorstelling: wij zien de "tien woorden"
in het Nederlands voor ons - en dus denken wij aan een lange tekst. Maar het Hebreeuws kende aanvankelijk geen woordafscheiding en geen klinkers, en verder is de taal veel compacter dan de onze: wij hebben voor het tiende gebod 33 woorden nodig tegen 15 in het Hebreeuws. Hebt u er verder wel eens bij stil gestaan, dat die tafels aan beide zijden beschreven waren (Ex. 32 : 15)? En wist u dat de volledige tekst van de decaloog daarom gemakkelijk uitgeschreven kon worden in een kleitablet ter grootte van een flink stuk toiletzeep? De gedachte dat de twee stenen tabletjes duplicaten waren, zoals de laatste tijd wordt verondersteld, is dus ook uit dien hoofde noch vreemd noch onmogelijk.
Simson en de film
Een ander voorbeeld.
Jaren geleden werden, naar ik meen in Italië, opnamen gemaakt voor de film "Samson en Delila".
Steevast pleeg ik catechisanten te vragen of ze mij acceptabel geacht zouden hebben voor de hoofdrol. Nu moet u weten, dat ik bepaald niet zwaargebouwd ben.
Gedempt hoongelach is derhalve stelselmatig mijn deel. Informeer ik naar de reden, dan wordt mij na enig aandringen in bedekte bewoordingen te verstaan gegeven, dat ik vanwege mijn postuur wel zo ongeveer de laatst aangewezene zou zijn voor deze glansrol.
De filmmaatschappij dacht er blijkbaar net eender over. Zij contracteerde de toenmalige wereldkampioen Anton Geesink als de ideale Simson-figuur. Weliswaar had de brave borst even weinig talent als ervaring in het spelen van een filmrol, maar zijn fysieke verschijning werd doorslaggevend geacht om van de film een kassa-succes te maken. Vraag: deed die filmmaatschappij het zoveel slechter op dit punt dan de doorsnee-kinderbijbel? Niemand verwacht toch dat een klein, min mannetje met de stadspoort van Gaza op sjouw gaat?
Toch wordt op deze manier het bijbelgegeven radicaal krachteloos gemaakt en vervalst - des te spijtiger omdat een groot aantal bezoekers via deze film misschien voor het eerst kennis maakte met het evangelie. Nu weten ze nog steeds niet beter of Simson was een geweldenaar, een krachtpatser.
Maar wie de bijbel onbevangen leest, weet beter: alleen wanneer Simson de nazireeër-geloften nakomt, overtreft hij ieder in kracht. Vallen zijn lokken onder het scheermes van de Filistijnen, dan blijkt hij een gewoon mannetje als ieder ander. 't Is Gód die door Simson grote dingen doet en dus was elke man geschikt voor de "rol", ongeacht zijn fysieke verschijning. Zingt de psalmist (Ps. 78) niet van de grote daden des HEREN in zijn catechismuspoëzie?
De meerdere zal de mindere dienen
Niet anders staat het met Jacob.
De aanloop was weliswaar lang, maar o.i. noodzakelijk.
Een tijdje geleden attendeerden we al eens op de ingeroeste misvatting als zou Jacob. vergeleken bij de robuuste jager Ezau, maar een miezerige huismus zijn.
Steeds weer blijkt de populaire voorstelling te zijn dat Jacob in Lichaamskracht ver onder deed voor zijn tweelingbroer. De Nieuwe Vertaling (in navolging van diverse commentaren) draagt hier evenveel schuld als onze associaties.
In Gen. 25 : 27 krijgen we te zien: Ezau werd een man, ervaren in de jacht, een man van het veld, maar Jacob was een huiselijk man, die in tenten woonde.
Prof. B. Holwerda heeft jaren geleden er al op gewezen, dat het Hebreeuwse "tam" nergens in de bijbel de betekenis "huiselijk" heeft. Hij kiest voor de vertaling: ongecompliceerd (in religieuze zin), niet-dubbelhartig, resoluut.
Jacob heeft zijn hart gezet op Gods beloften en dus op het land der belofte. Dáár heeft zijn "wonen in tenten" alles mee te maken.
Maar daar is niets huiselijks, oudbakken aan, zoals onze associaties ons willen vertellen. Hij is óók een hèrder - en dat is zeker zo'n hard bestaan als dat van een jager. Je moet, desnoods met blote handen! de schapen verdedigen tegen leeuwen en beren. En er is geen enkele reden te veronderstellen, dat Jacob lichamelijk Ezau's mindere was op dat ogenblik van de geschiedenis.
Veel waardevols dat prof. Holwerda n.a.v. deze tekst opmerkt, moeten we hier onvermeld laten.
Maar nu we het toch hebben over lichamelijke conditie, nemen we een kijkje verderop in deze geschiedenis.
Nadat Jacob voor Ezau gevlucht is, komt er een dag waarop God hem gebiedt: keer terug naar het land uwer vaderen (Kanaän!) en naar uw maagdschap, en Ik zal met u zijn (Gen. 31 : 3).
Na overleg in huiselijke kring, geeft Jacob hieraan gevolg. Zij het niet zonder de nodige maatregelen te nemen uit voorzorg.
Uitgerekend op het moment dat hij daarmee klaar is en op het punt staat Kanaän binnen te trekken, volgt de worsteling bij Pniël.
Terwijl Ezau hem met vierhonderd man tegemoet trekt (32: 6), slaat God Jacob met mankheid.
Op het moment dat Jacob het land der belofte weer gaat betreden, bezorgt de HERE hem een blijvende lichamelijke handicap.
Nu is hij lichamelijk inderdaad Ezau's mindere, maar zó - gehandicapt door een lichamelijk gebrek - stuurt God hem op zijn broer af. En Jacob gáát - dat is nu de wàre Jacob. Zei God niet: Ik zal met u zijn? Is het dan nog een verrassing, dat Ezau zijn broer om de hals valt? Sterker nog: wat Jacob met allerlei kunstgrepen niet in handen kon krijgen, verwerft hij nu zonder slag of stoot (36 : 6-8). En de scheiding voltrekt zich in volle vrede, met opgave van hetzelfde simpele motief als bij Abram en Lot: hun have was te veel dan dat zij konden samenwonen ... daarom ging Ezau op het gebergte Seïr wonen; Ezau dat is Edom!