Over het samenleven van kerken (3)
1973-11-16
Wij vervolgen de beschrijving van het kerkordelijke leven zoals dat in de waarlijk reformatorische kerken werd getekend en in praktijk gebracht.- Jaargang 17
- nummer 42
13. In de onder ons nog steeds fungerende kerkorde vindt men de bepaling: Hetzelfde "zeggen" (auctoritas) heeft de classis over de kerkeraad als een particuliere synode heeft over de classis en de generale over de particuliere.
Men moet er goed op letten dat in deze bepaling niet staat dat de classis hetzelfde "zeggen" heeft over een kerkeraad als de kerkeraad over de gemeente! Want zoals gezegd: het gezag van de kerkeraad over de gemeente is van totaal ander karakter als het "gezag" van een classis over de kerkeraad en van een svnode over een classis. De kerkeraad is het enige "bestuur" in de kerk. Die alléén heeft "regeermacht". De idee dat een classis of synode "regeermacht" bezit is door en door on-Schriftuurlijk en daarom ook on-gereformeerd. De bijbel kent zelfs helemaal geen classis of synode.
14. Wanneer in het genoemde kerkorde-artikel gesproken wordt over het "zeggen" dat de classis heeft over de kerkeraad wordt daarmee uitsluitend aangeduid de bevoegdheid om besluiten te nemen.
Men kan ook zeggen: onderlinge afspraken te maken. Bij die besluitvorming, dat afspraken maken, wachtte men zich in goed gereformeerde meerdere vergaderingen voor "overstemmen".
Men streefde steeds naar overéénstemming.
Als een zaak doorgesproken was dan - zo zei men dat wel - "woog" men de stemmen.
Dat wil zeggen men peilde eerst wat allen of de meerderheid van oordeel was. En daarna vroeg men of allen zich met het voorgestelde konden verenigen.
Was dat niet het geval dan nam men de zaak veelal opnieuw in beraad om door gebed en broederlijke bespreking tot algehele overeenstemming te geraken.
Meermalen heb ik deze fijne, christelijke, echt kèrkelijke procedure op kerkelijke vergaderingen zien volgen.
15. Deze "besluiten" van een meerdere vergadering die op de aangegeven wijze genomen werden zijn evenwel niet meer dan - zoals Calvijn zegt - een "praejudicium"
een "voorlopig oordeel".
Ze worden pas definitief als de kerken ze metterdaad overnemen en ze voor zichzelf als geldend aanvaarden. Dat geschiedde meestal stilzwijgend.
Maar dat doet aan de aard van deze geldend-verklaring niets af!
De kerken hebben voor zich behouden en moeten ook voor zich blijven behouden dit ratificatierecht van classes- en synodebesluiten. Veelal werd door de meerdere kerkelijke vergaderingen daarom wat zij besloten alleen maar aan de kerken "aanbevolen".
Men sprak ook wel van een "bindend advies". De formuleringen zijn, evenals alle formuleringen, aanvechtbaar. Maar men wilde er door uitdrukken dat de besluiten van meerdere vergaderingen geen "wetten" zijn, geen "statutaire bepalingen", geen "verordeningen", geen "artikelen van een reglement", die zonder meer door de kerken moeten worden aanvaard en opgevolgd! Men wilde door de genoemde uitdrukkingen laten uitkomen dat de besluiten van de classes en synoden niet meer zijn dan besluiten van "gezanten" der gezamenlijke daarin vertegenwoordigde kerken.
Dat wil in concreto zeggen: "gezanten" van de kerkeraden die, het zij nog eens gezegd. het volstrekt enige "bestuur" in de kerken vormen.
16. Hoe het toegaat in de kerken waarin het gereformeerde kerkrecht gekénd en in praktijk wordt gebracht en daarom de kerkorde op een christelijke en kerkelijke wijze wordt gehanteerd, kan men duidelijk zien aan wat geschied is met onze belijdenisvragen, het jongste van de formulieren die in ons kerkboek staan.
Vóór 1923 hadden alle Gereformeerde Kerken "eigen" belijdenisvragen.
Er waren grote verschillen daartussen. Men kan met het oog daarop zelfs wel spreken van een chaos. Uit de kerken kwam toen de vraag tot de synode om zo mogelijk daarin eenheid te brengen. De synodeleden hebben zich toen op verzoek van de kerken met deze zaak bezig gehouden. Een commissie bestudeerde de kwestie. En na ampele bespreking - ik heb die meegemaakt - aanvaardde de generale synode ten slotte de belijdenisvragen zoals die nu achter in ons kerkboekje staan.
En wat deed toen de synode? Verklaarde zij dat de kerken deze belijdenisvragen moesten gebruiken?
Legde de synode van Utrecht 1923 ze bindend aan de kerken op? Geen sprake van! Deze synode besefte nog goed welk een "macht" een synode naar bijbelse, gereformeerde opvatting bezit.
Zij besloot namelijk het door haar opgestelde formulier aan de kerken "aan te bevelen". (art. 136). En later lezen we in de Acta het volgende (art. 159): "Op voorstel van het Moderamen besluit de Synode de door háár aangenomen en (aan de kerken C.V.) aanbevolen vragen, die te stellen zijn bij het doen der Openbare Belijdenis speciaal ter kennis te brengen van de Kerken".
De gang van zaken was dus deze: de Synode formuleerde op verzoek van veel kerken een aantal belijdenisvragen. Bij besluit stelde de synode toen die vragen vast.
Verder deed ze niet meer dan die belijdenisvragen beleefd aan de kerken aanbevelen. En ten slotte besloot ze die vragen aan de kerken in een brief mee te delen!
Dat is alles! De kerken werden in geen enkel opzicht gedwongen stel dat dat mogelijk was! Ze bleven ook in dezen geheel vrij!
17. Een ander duidelijk beeld van de "macht" van een "meerdere vergadering" krijgt men ook als men let op het bijeenbrengen van de gelden voor de arbeid die door de kerken gezamenlijk werd verricht: zending, opleiding voor de dienst des Woords, hulpbehoevende kerken enz. Ook wat die belangrijke zaak betreft werd vroeger de vrijheid en zelfstandigheid van de kerken ten volle geëerbiedigd. Voor geen enkel doel werd een "omslag" vastgesteld.
Laat staan dat men van de kerken geld vorderde! Er werd alleen aan de kerken gevraagd of zij één of meer collecten voor een bepaald doel wilden houden. En het gebeurde heel vaak dat kerken deze collecten niet hielden.
In oude verslagen van de Theol. Hogeschool kan men zien dat vele kerken daarvoor helemaal niet collecteerden. Het waren meestal kerken die vóór de V.U. en tégen de Theol. Hogeschool waren. Misschien kwam het ook wel voor dat kerken de voor de Theol. fakulteit van de V.U. gevraagde collecten niet hielden. Dat is niet na te gaan. Het enige wat de kerken moesten betalen waren de onkosten die voor de meerdere vergaderingen werden gemaakt, de "vergaderingskosten". Maar dat sprak van zelf! Die vergaderingen waren immers door de kerken zelf belegd. En de kosten daarvan moesten ze uiteraard ook zelf betalen.
Het gaat bij deze kwestie natuurlijk niet over de vraag of het goed was dat kerken de gevraagde collecten niet hielden. Het gaat er alleen maar om te laten zien wat de "macht" van de meerdere vergaderingen betekent. En dat de kerken die zich daarin lieten vertegenwoordigen echt "vrij" en "zelfstandig" waren en bleven.
18. Een ander duidelijk voorbeeld hoe het in een kerkengemeenschap die in de gemeenschapsoefening met elkaar Schriftuurlijk is kan gaan is het volgende.
Voor ongeveer een halve eeuw besloot de Geref. Kerk van Zandvoort het "vrouwenkiesrecht" in verband met de verkiezing van ambtsdragers in te voeren. Dat was toen een voluit revolutionair besluit. Er ontstond daarover een enorme polemiek, in kerkbladen en brochures enz. Ik herinner me die nog levendig. Maar niemand dácht er aan de kerk van Zandvoort daarover kerkelijk "aan te pakken". Zandvoort ging rustig haar gang. En heeft haar besluit in deze ononderbroken in praktijk gebracht.
Men wist toen nog wat een gereformeerde samenleving van kerken was. En dat alleen het geloof in het Woord van God de band tussen de kerken vormt. Al was de grote massa der kerken het niet met Zandvoort eens. Men liet die kerk "vrij" en "zelfstandig".
19. Over het werk, de "macht", de "bevoegdheid" van de meerdere vergaderingen heeft vooral ds J. C. Sikkel, een van de bekendste, bekwaamste en vróómste mannen uit de Doleantietijd, meermalen bizonder duidelijk geschreven. Ik wil iets van hem citeren.
Aan Sikkel werd eens gevraagd - het was ná de vereniging van de Chr. Geref en Dolerende kerken in 1892 - of het niet goed zou zijn dat de synode bepalingen voor de kerkeraden zou opstellen "b.v. omtrent de trappen van censuur, de verkiezingen van ouderlingen en diakenen, het stemrecht der lidmaten, de benoembaarheid voor enig kerkelijk ambt, de diakonie, de prediktijden, de beroepsbrief, de boeken enz."
Met grote felheid keert Sikkel zich tegen deze gedachte. Als een synode zo iets zou doen zou dat een bewijs zijn dat in die vergadering "het verfoeisel der Roomse hiërarchie en der synodale hiërarchie heerschappij voert." En daar mag een gereformeerd mens niets mee van doen hebben!
En dan volgt deze tirade: "Laat toch alle gedachten aan de regerende synode worden losgelaten, want dat is niets anders als ... de paus!
De kerkeraden regeren de kerken.
En dat doen zij enkel en alleen naar Gods Woord.
Daarom handhaven zij de belijdenis en oefenen zij de tucht.
Maar dat doen zij weer alleen naar Gods Woord!... De kerkeraden maken nu verder de classes en synoden. Niet omgekeerd.
Classes en synoden hebben hun bevoegdheid van de kerkeraden.
Niet omgekeerd.
En dat wel in gebondenheid aan de kerkorde, die in art. 84 alle heerschappij over een kerk aan de andere kerken ontzegt.
Een synode, die dus wetten of regelingen voor kerkeraden (!!) of voor tuchtgevallen (!!) of voor verkiezingen (!!) of voor Zondagsviering (!!) of voor stemrecht in de kerken (!!) vaststelde, nam een onwettig besluit. en zette de pauselijke hoed op.
Een synode is slechts een tijdelijke samenkoming tot openbaring van het kerkverband, die niet de minste macht over de kerken heeft, maar een samenkomst van kerken is, om de betekenis van het kerkverband voor het heil der kerken en de eer des Heren te laten gelden en aan de roeping der gezamenlijke kerken naar buiten uiting te geven.
En als de vergaderinz afgelopen is, dan is er geen synode meer; en dan is er geen classis meer; dan zijn er slechts kerken en in iedere kerk, wanneer de opzieners saamkomen, kerkeraad."
20. In het bovenstaande werd reeds gesproken van een "kerkorde".
Men moet dit woord niet verkeerd verstaan. Een kerkorde is geen wet, p."eencontract, geen statuut, geen reglement. Het is niet meer dan een "orde". Dat wil zeggen een afspraak, een aanwijzing hoe men in de kerk het beste handelen kan. Een aanwijzing hoe men alle mogelijke hindernissen die de vrije werking van de Heilige Geest in de gemeente in de weg kunnen staan kan vermijden. Zoals van zelf spreekt - ik wees er vroeger reeds op - heeft iedere kerk een kerkorde. Er bestaat in de wereld geen enkele kerk zonder kerkorde! Iedere kerk moet vaststellen, en stelt ook vast, wanneer er kerkdiensten zullen worden gehouden en hoe die moeten worden ingericht; of er catechisaties zullen worden gehouden en wat daarin geleerd moet worden; hoe vervolg op pagina 342 ambtsdragers zullen gekozen worden.
Of zij die toegang tot het avondmaal vragen onderzocht moeten worden en belijdenis doen of niet. Hoe de kerken met elkaar samenwerken enz. enz. De kerk van Kampen heeft b.v. een speciale kerkorde gemaakt voor haar zendingswerk. Daarin staat nauwkeurig hoe zij dat werk zal doen in de samenwerking met de "steunbiedende" kerken. Deze dingen zijn zo simpel, zo vanzelfsprekend, dat ze geen nader betoog behoeven.
21. Het is in dit verband van belang te overwegen wat onze belijdenisschriften over de kerkregering zeggen. Ook wat de kerkregering betreft binden de gereformeerde kerken zichzelf en elkaar alléén aan wat het Woord van God daaromtrent zegt. Wat nu deze kerken daaromtrent uit Gods Woord hebben verstaan en geloven vinden we in de artikelen 30, 31 en 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Art. 30 spreekt "Van de regering der Kerk door de kerkelijke ambten"; art. 31 "Van de dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen"; art. 32 "Van de orde en discipline of tucht der kerk."
Aan wat in deze artikelen wordt omschreven hebben die kerken zich vrijwillig gebonden, "confessioneel"
gebonden wel te verstaan.
Dat behoort tot de formulieren van enigheid. Daarmee stemmen alle kerken en kerkleden in.
22. In artikel 32 wordt nu ook gesproken over een kerkorde. Het is de moeite waard nauwkeurig te overwegen wat daarvan gezegd wordt. Het is het volgende: "Intussen geloven wij, hoewel het nuttig en goed is dat de regeerders der Kerk zekere orde onder elkander instellen en verordenen, 1) tot onderhouding van het lichaam der kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten om af te wijken van hetgeen Christus onze enige Meester ons verordend heeft.
Daarom verwerpen wij alle menselijke vonden, en alle wetten die men zou willen invoeren om God te dienen, en door de consciëntiën te binden en te knellen, op welke manier het zij.
Zo nemen wij dan alleen aan hetgeen geschikt is om eendracht en eenheid te bewaren en te voeden, en allen te houden in de gehoorzaamheid Gods.
Waartoe vereist wordt de excommunicatie of de ban die geschiedt naar het Woord Gods, met hetgeen daaraan hangt."
Wanneer we dit artikel goed overwegen dan horen we daarin het volgende:
1e. De kerken binden zich bij de regering der kerk uitsluitend en alleen aan wat Christus daaromtrent verordend heeft. En daarvan willen zij niet afwijken.
2e. In een toegevende (!!) bijzin wordt voorts gezegd dat het "nuttig en goed" is dat er een "zekere orde" is tot onderhouding van het lichaam van Christus. Méér wordt over die "zekere orde" niet gezegd!
Dat is alles!
3e. Deze "orde" mag nooit de consciëntiën binden en knellen.
4e. Ook deze "orde" moet dienstbaar zijn aan het bewaren van de "eendracht en eenheid", die "te bewaren en te voeden en allen te houden in de gehoorzaamheid Gods."
23. Dat zo een kerkorde steeds is opgevat kan overvloedig worden aangetoond. Bavinck schreef b.v.: "Nooit mag worden vergeten, dat de ware band, die ons saam verbindt, zedelijk is van aard; het is de belijdenis des geloofs, niet de Kerkorde. Die belijdenis blijve ons heilig pand, ons gemeenschappelijk goed en worde door geen tal van wetten en reglementen omzwachteld en onttrokken aan het oog. Het gevaar, om in onze tijd alles te centraliseren en alzo de Kerk in een Kerkgenootschap van reglementen te doen overgaan is zo groot, dat waarschuwing niet overbodig mag heten."
Deze woorden van Bavinck waren zijns ondanks profetisch.
Overal waar de oude gereformeerde kerkorde - die naar haar aard niet de band is die de kerken samenbindt - werd afgeschaft of overtreden vond die "centralisering" van de kerk plaats. Dat geschiedde in 1816 toen de oude kerkorde werd vervangen door het beruchte "Reglement van 1816". Dat geschiedde in de (synodaal) Geref. Kerk in 1926, 1936, 1944 en definitief in de nieuwe kerkorde die enkele jaren geleden werd ingevoerd.
Dat geschiedde ook in Delfshaven, Amersfoort en Hoogeveen in de kerken "binnen het verband".
Tot dusver is het zó geweest dat waar de oude kerkorde werd overtreden of vervangen de hiërarchie in de kerk haar intree deed.
24. Precies zo als Bavinck liet Kuyper zich horen. Hoe ver zijn gedachten over een kerkorde verwijderd zijn van de idee dat die een wet of een reglement zou zijn blijkt duidelijk uit het volgende.
Op de vraag of een goede kerkorde óók dienstig kan zijn aan de enigheid der kerk, antwoordt hij: Ja dat kan: "als de onderhouding daarvan maar niet te zeer wordt gedrongen, alsof die door zichzelf een stuk van godsdienst of even noodzakelijk als de onderhouding van andere geboden." Uit deze woorden blijkt wel heel duidelijk dat een kerk-orde zo ongeveer het tegengestelde van een wet is. Kan men zich voorstellen dat men van een wet een contract, een reglement zegt: "Je moet de onderhouding daarvan niet al te nauw nemen, niet te zeer dringen, daarin niet te precies zijn?"
Nog duidelijker is dat Kuyper zich er met alle kracht tegen verzet dat men zou eisen een kerkorde te ondertekenen! "Van een kerkorde mag dit niet gevergd, omdat wel de beginselen, in zulk een Kerkorde neergelegd duurzaam zijn, maar de formulering van die beginselen wisselt met de wisselende omstandigheden."
25. Hoe weinig 'n kerkorde 'n wet of een reglement is die alle kerken per se gelijk "binden" blijkt wel bizonder duidelijk daaruit dat naar reformatorische opvatting zuster kerken zonder enig principieel bezwaar een verschillende kerkorde kunnen hebben. Die opvatting werd nota bene door niemand minder dan Calvijn verdedigd: de man die zo heel sterk geijverd heeft voor een goede orde in de kerk! Hij schreef letterlijk: "Wij weten immers dat het aan iedere kerk vrij staat, een wijze van regering in te stellen die voor haar geschikt en nuttig is: omdat de Here niets zekers heeft voorgeschreven." Inderdaad dat is reformatorisch. Wat de kerken alleen bindt is de belijdenis van het onfeilbare, waarachigç en gezaghebbende Woord van God.
Anders gezegd: het gemeenschappelijke geloof in onze Heer Jezus Christus zoals Hij in het Woord des Schrift tot ons komt, Zich daarin aan ons geeft en ons oproept om in alles als Gods kind te leven.
Wie het stuk van drs Buwalda goed heeft gelezen en daarna wat ik schreef zal bemerkt hebben dat de kerk regering en de kerkorde die drs B. voor ogen stond en die hij zo fel bestrijdt een totaal andere is dan de gereformeerde zoals ik die tekende. Wat hij verfoeit verfoei ik zo mogelijk nog feller.
Voorts wil ik opmerken dat het mij volmaakt onbegrijpelijk is dat hij denkt dat de kwade dingen die hij bestrijdt door mij zouden worden voorgestaan of onafscheidelijk aan de kerkordelijke situatie zoals ik die beschreef verbonden zijn.
En in de derde plaats: al het kwaad dat hij noemt hangt onlosmakelijk samen, is mee een gevolg van het loslaten van de gereformeerde kerkordelijke situatie zoals ik die in dit en het vorige artikel getekend heb.
Volgende week D.V. nog wat.
1) Frans: d'ordonner certaine ordre; Latijn: ordinem aliquem certum inter se instibuera et stabilire, 2) Scimus enim unicuique ecclesiae liberum esse, politiae formam instituere sibi aptaan et utilem: quia Dominus nihil certi praescripserit.
Kommentaar op 1 Kor. 11: 2. Een uitspraak als deze vond haar echo in art. 32 N.B.G.