• Nog eens Israël

1973-11-16
  • Jaargang 17
  • nummer 42
Het volgende artikeltje van ds A. Algra over Israël geef ik graag ter overweging door.
God werkt volgens een vast bestek.
Er is een duidelijke lijn in Zijn openbaring. Hij heeft zich indertijd teruggetrokken op Abraham en Abrahams nageslacht, maar Hij heeft meteen gezegd - en dit later ook door de profeten laten zeggen dat met Abraham alle geslachten des aardbodems gezegend zouden worden (Gen. 12: 3).
Je kunt moeilijk zeggen, dat alle volken op de aarde gezegend zijn met de staat Israël. Dit is allerminst een verwijt aan de Joden, maar wel een aanduiding dat we wat moeten nadenken, dat de toestand wel ernstig was, maar er kon de kerk eigenlijk niets gebeuren, want de poorten der hel zouden haar niet overweldigen en God hield zijn werk in stand. Zo hebben ook de Joden wel gedacht. Toen in het jaar 70 al bijna heel Jeruzalem in straatgevechten gevallen was en de Romeinen nog een enkel laatst bolwerk bestormden, hield een priester vol dat die toren niet vallen zou. Dat zou God niet gedogen. Het is wel anders uitgepakt.
Paulus bedoelt het zó: de Israëlieten mogen altijd terugkomen op Gods beloften. Zoals het gebeuren kan in een huiselijk conflict. Een zoon wordt de deur uitgezet vanwege zijn wangedrag. Vader moest tot dit besluit komen. Wanneer moeder dan een brief aan die jongen schrijft: "Je weet dat je altijd terug mag komen", dan gaat ze daarmee niet tegen haar man in. Ook niet als hij gezegd heeft: "Je komt er nooit meer in". Die moeder gaat er dan van uit dat de zoon zal terugkomen wanneer er bij hem iets veranderd is. Ze weet wel dat ook haar man er zo over denkt: het is en het blijft onze jongen. Daar mag hij op terugkomen.
En dat "onberouwelijke" van de genadegaven en de roeping, blijft ook gelden voor de kinderen van het verbond uit onze families.
Ze zijn soms ver weg, maar ze mogen altijd terugkomen. Ze weten zelf wel hoe.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief