ONZE ENIGE GEZANGEN
1973-11-30
Gezang 19 luidt In den vroegen morgenstond. U zingt die buigingsuitgangen niet meer, wilt u zeggen? En waarom dan wel die Sionieten?- Jaargang 17
- nummer 44
Dan had u maar niet voor da Costa moeten kiezen. Deputaten noteerden deze melodie (van Johann Crüger? 1653) weer op gelijke lange noten. De rusten werden door een apostrophe, een ademteken, aangeduid.
In uw kerkboekje (Jongbloed bijv.) vindt u halve en kwartnoten. Het nieuwe Liedboek voor de Kerken (1973) geeft het nog veel moeilijker - maar dat is alleen voor geoefende kerkzangers.
Wanneer u een rust tussen twee regels plaatst, en dat is in ons tempo geen overdaad, dan krijgt u weer enige maatschommeling:
in-den- / vroegen morgen / stond (rust)
heeft-Gods- / Woord zijn Sio / nie-ten- (rust)
Op deze wijze eindigen regels 2 en 4 op een 3/4 maat. Het is enigszins willekeurig, maar het is ordelijk. En er zit systeem in.
Gezang 20, De dag der kroning is gekomen, gebruikt weer een psalmwijs.
Psalm 33 uit het jaar 1554; weliswaar van oudere oorsprong, maar na 1554 niet meer gewijzigd. Dat is goed en wel, mits de intussen herstelde melodie nauwkeurig wordt gelezen. Elke adem-komma (bij Jongbloed bijv.) is een volle rust. En u merkt dat regels 5, 6 en 8 met twee korte noten aanvangen. Een hoge uitzondering: elke psalmregel pleegt met een lange noot te beginnen en te eindigen.
Regel 7 schijnt op do-si-do te sluiten. Het is echter la-sol-la. Maar laat uw rode potlood in dit geval even rusten: deze sluiting is zo ingeburgerd, dat u haar nimmer herstelt. Ze heeft trouwens ook wel enig recht van bestaan - maar het bewijs hiervoor valt buiten het kader van dit goede blad.
Gezang 21, de oude bede om de Geest. Veni Creator, al van de oude Christenen afkomstig, gebruikt bij ons de wijs van psalm 134 uit 1554.
Tussen elke 2 regels een volle rust als het mag, zoals dat bij psalmwijzen gebruikelijk is. En zoals authentiek is.
Gezang 22 luidt: Ja, de Trooster is gekomen. De melodie is van Johann Schop uit de 17e eeuwen vraagt om een brede marsmaat. Dat wil zeggen: er gaan 4 tellen in elke 4/4 maat, de rusten meegeteld. Met die rusten valt het mee: ze komen .alleen na regels 2, 4, 6, 7 en 9. Maar dat houdt in dat u de regels 1 en 2, regels 3 en 4 achter elkaar doorzingt.
Evenzo regels 5 en 6. Evenzo regels 8 en 9.
Hebt u het rode potlood bij de hand? Geef het dan even duidelijk aan in uw kerkboek. Over de verhogingen valt te twisten - maar dit twistpunt hebben onze kerken nog niet ontdekt.
Gezang 23, het Ambrosiaanse Te Deum, zingen WIJ op de WIJS van psalm 89. Geen enkele opmerking.
Gezang 24, "het" Lutherlied. Zoals deputaten het in 1933 schreven was niet minder dan een ramp. De oorspronkelijke schrijfwijze van Luther uit 1533 is echter ook een tikje rampzalig - laten we eerlijk zijn; alleen een geoefend koor kan dit zingen.
De notatie van Jongbloed bijv. - te weten een strenge marsmaat is nog het beste in praktijk te brengen. Dit houdt echter in dat u de regels 1 en 2 achter elkaar doorzingt. Maar daarmee bent u er niet. U zingt ook regels 2 en 3 aaneen door. Evenzo 3 en 4. Evenzo regels 4 en 5.
Stop. Nu hebt u 2 tellen rust om op adem te komen. En vervolgens krijgt u 2 tellen rust na elke regel. Als het tempo niet te hoog wordt genomen, kunt u snel ademhalend de eerste 5 regels best aaneen zingen.
En dit schone strijdlied moet bepaald niet snel worden gezongen.
Hebt u met uw rode potlood al liggende boogjes tussen de 5 regels gemaakt?
Fijn, dan kunt u eraan meehelpen, dat uw gemeente dit lied schoon uitvoert. Als uw organist maar enkele steunpunten in zijn gemeente heeft op wie hij kan rekenen, kan hij de fouten er in één zondag uithalen. Voortaan gaat het goed Dat is niet helemaal waar, helaas. Wij zongen vroeger gezang 18 in gelijke noten, zoals de Evangelische Gezangen dat aangaven. Op een zondag hadden we een jeugdcongres te gast. De jongelui gingen er enthousiast met onze gemeentezang vandoor en zongen de ritmische notatie van Jongbloed. Wisten zij, hoe gasten zich aanpassen aan het plaatselijk gebruik? - Maar goed, voortaan zong onze gemeente gezang 18 ook maar in de ritmische notatie van Jongbloed. - Tot we op een zondag weer een (ander) jeugdcongres te gast hadden. Ook deze jongelui gingen er enthousiast met onze kerkzang vandoor. Ze zongen de gelijke nootjes van de Middelburgse deputaten; inclusief een tel rust na elke regel, dat wel. Wisten zij soms, hoe gasten zich aanpassen aan het plaatselijk gebruik? En sedertdien zingen we dit gezang naar bevind van zaken. Maar toch liever niet.
Nu zijn we gekomen aan gezang 25. U leze wat bij gezang 22 is geschreven.
En neme het rode potlood ter hand.
Gezang 26: u zie gezang 19. Wilt u ook de rusten even in rood aantekenen?
Gezang 27 gaat op de wijs van psalm 66 - een der bekendste psalmen.
Er behoeft geen woord aan te worden gewijd.
Gezang 28 is het Hernhutter avondlied, afkomstig uit een beroemd Duits Geistreiches Gesangbuch, 1704.
Het nieuwe Liedboek voor de Kerken geeft de oorspronkelijke, zeer moeilijke, melodie weer. Daar zit natuurlijk iets in: terug te gaan naar de bron. Maar melodieën van minder kwaliteit dan de psalmwijzen gedogen het, door het gebruik te worden vervormd. De stroom der gezongen gebeden slijpt zoveel af en meandert de weerbarstige melodie zo zeer, tot deze hanteerbaar is geworden. Terugkeer tot de oervorm betekent dan vermoedelijk een herhaling van het polijstingsproces.
Maar laten we ons ervoor wachten, deze zelfde woorden op de verbastering van onze psalmwijzen toe te passen. Wat daarvan stand hield bewees de allerhoogste kwaliteit ervan. Wat daaraan na 1562 gewijzigd is toont echter duidelijk de verwordingsperiode: de tijd van eigenwillige vroomheid en subjectivisme. Ook dit zou nader kunnen worden aangetoond.
Desnoods in dit goede blad, als u het wenst.
Als u met gezang 28 gezamenlijk en in goede orde de eindstreep wilt halen, kunt u het best voor de 4/4 maat kiezen; weliswaar tot drie keer toe afgewisseld met een 6/4 maat en wel in de overgang van regel 2 naar 3; regel 4 naar 5; regel 6 naar 7. Als volgt:
'k Wil U 0 / God mijn dank be / ta-len,
U / prijzen in mijn / avondlied.
Het zonlicht / moge neder / dalen,
maar / Gij, mijn licht, be / geeft mij niet.
Gij woudt mij / enz.
Rusten komen in het stuk niet voor!
De slotzang, afsluiting van ons schamele bundeltje, is geen probleem.
De melodie van gezang 29 is uit een Duitse 18e eeuwse bundel. Ze staat onmiskenbaar in de 4/4 maat en laat zich in rustig tempo als een processielied zingen.
Doordat alle regels op een lange noot eindigen kan rustig adem worden gehaald op de laatste tel van die slotnoot. Dat betekent nu ook weer niet, dat de regels mogen worden afgeknauwd. Regels mogen nimmer worden afgeknauwd. Als u daar oor voor hebt zult u merken, dat 50% van onze kerkzangers de laatste lettergreep van elke zin inslikt. Rare gewoonte, vindt u niet? Waarom zou u die laatste lettergreep dan niet uitspreken, uitzingen? Doe het maar: de zang wordt er welluidender door. En vriendelijker. En eerbiediger.
Dan is er nog een vreemde gewoonte: om dit lied in hoog tempo te beginnen, de tweede helft langzamer te zingen en tegen het slot in breed ritenuto te remmen. Een processielied - weet u nog? Blijf maar maat houden, het zal u goed bekomen.
Zo, daarmee zijn de Enige Gezangen, althans wat hun melodieën betreft, volledig geïnventariseerd. De teksten nu daargelaten zijn diverse melodieën bepaald niet geslaagd, om het zacht te zeggen. Voor zover ze goed zijn, zijn het geleende psalmmelodieën. En die zijn zonder enig synodaal besluit gerestaureerd, na de jaren 1938 e.v. Voor zover ze niet goed zijn, werden hier aanwijzingen gegeven om ze bruikbaar te maken voor gemeenschappelijke zang. Die aanwijzingen zijn veelal willekeurig - u hebt gelijk. Maar we zitten nu 40 jaar in de chaos van deze onnozele gezangen. Mag er dan eens een voorstel komen ten behoeve van de orde in onze eredienst?
Zeker. Er is een beter voorstel mogelijk. En dat hebben we voor het slot bewaard. Het voorstel: de Enige Gezangen te vergeten voorzover ze niet klassiek zijn; en rond te zien naar betere gezangen, eigentijdse gezangen, nieuwtestamentische kerkliederen!
Ze zijn er meer dan genoeg