Kerk zijn in een emotiecultuur
2005-06-17
‘Verlangen naar meer’. Dat was het thema van het TSB-symposium van 12 februari van dit jaar. In dit nummer van Opbouw krijgt u het eerste deel van de bijdrage van dr. Cees van der Kooi te lezen, een van de hoofdsprekers van die dag. Van der Kooi maakt duidelijk, dat het kerkelijke ‘verlangen naar meer’ een brede culturele context heeft. Zowel binnen als buiten de kerk wordt gezocht naar ruimte voor emotie en naar werkelijke ervaring in het hier en nu.- Jaargang 49
- nummer 12
Het verlangen naar ‘meer’ of preciezer uitgedrukt, het verlangen naar de ervaring van de werkelijkheid van God, staat niet los van de cultuur waarin wij leven en ademen. De aandacht voor charismata en voor vernieuwing kan zeker worden verdedigd met beroep op de Schrift, maar we moeten de ogen er niet voor sluiten dat deze vragen en het onderliggende verlangen mede aangejaagd worden door het heersende culturele klimaat.
Emotiecultuur
In de westerse cultuurkring is het vertrouwen op woorden en formuleringen, op grote systemen de laatste dertig jaar krachtig geslonken. Niet alleen gereformeerden, maar onze hele cultuur verlangt naar ‘meer’. De mensen verlangen ten diepste naar volheid, iets wat hen volmaakt, al duurt die volheid slechts een ogenblik.
De focus staat gericht op wat mensen zelf beleven en meemaken.
We kunnen dat emotiecultuur noemen, of enigszins laatdunkend emocultuur, maar die kwalificatie is mij te negatief. In die aandacht zit een element dat erkenning verdient. Naast verstand heeft de mens ook affecten: van blijdschap, woede, onvrede, lust, onlust, of wat voor gemoedsaandoeningen er dan ook maar zijn. Aan deze bevattelijkheden wordt tegenwoordig veel meer ruimte aan gegeven.
En dat is terecht. De mens is ermee uitgerust, het behoort bij ons schepselmatig bestaan en we zullen aan al deze dingen plaats moeten geven ten overstaan van God.
Meer dan de leer
Het godsdienstig leven deelt in deze nieuwe aandacht en gesteldheid. We merken dat ook in gereformeerde kring. De tijd is voorbij dat in gereformeerde kring alle vertrouwen werd gesteld op formuleringen, op belijdenissen, op zuivere leer en ondertekening van de zuivere leer. Wij weten zo langzamerhand uit eigen ervaring dat een kerk nog geen levende kerk is en dat het geloof bij ons zelf niet gewaarborgd is, wanneer wij inzake belijdenis en leer van gelijk gevoelen zijn. Of anders gezegd, de tijd van het confessionalisme is voorbij. Dat was al lang een feit bij de synodaal gereformeerden, het is nu ook in de Vrijgemaakte Kerken en in de kring van de Nederlands Gereformeerde Kerken in alle heftigheid doorgedrongen.
In de hedendaagse zoektocht in orthodox-gereformeerde kring naar ‘meer’ spreekt het verlangen naar werkelijkheid. Wat we van de dingen die ons aangaan vragen is dat ze ons hier en nu aangaan, dat ze zich aan ons voordoen, dat ze werkelijk zijn.
Geloof moet niet boven de wereld zweven, niet enkel een gedachtending blijven, of iets van later, maar het moet zijn waarde en zin hier en nu al betonen. Hetzelfde kan ook nog iets netter worden uitgedrukt, met een verwijzing naar de kerkgeschiedenis.
In de aandacht voor het werk van de Geest en de gaven van de geest schuilt een anti-docetische trek. Het woord anti-docetisch komt op voor de werkelijkheid van de vleeswording, voor de werkelijkheid van Gods tegenwoordigheid in Jezus Christus.
Daarom eet de opgestane Heer in het evangelie van Johannes een stukje vis en daarom kan Thomas de wonden in het lichaam van de opgestane Heer nog zien zitten, ja hij wordt uitgenodigd zijn hand in de wonde te leggen.
De aandacht voor het zeer concrete werk van de Geest, zoals profetie, genezing, klanktaal en dienen heeft rechtstreeks te maken met de huidige vraag naar de realiteit van het heil.
Als er sprake is van godsdienstig heil, dan dient dat volgens de eisen van de tijd concreet, aanwijsbaar, ervaarbaar te zijn. Het einde van de wegen Gods is de lichamelijkheid, is een bekend gezegde uit het Württembergsche piëtisme (een 18e eeuwse beweging met hernieuwde aandacht voor de geloofsbeleving, redactie). Als Gods eerste daad het scheppen is van dit leven in al zijn lichamelijkheid, dan zullen de daden van zijn redding, van zijn heil dit leven in al zijn aardsheid raken. We zien dat in het optreden van Jezus terug wanneer hij zieken geneest, lammen doet lopen, doven het gehoor teruggeeft, doden opwekt. Het zijn de tekenen van de Messiaanse tijd.
Heel kort gezegd, in de aandacht voor het werk van de Geest smeult terecht het verlangen naar de werkelijkheid van Gods heil.
New Age
De charismatische vernieuwing staat daarin niet alleen. Er zijn meer stromingen in onze cultuur waarin dat verlangen naar werkelijkheid, echtheid en ervaarbaarheid een drijvende kracht is. Toegepast op godsdienst of religie betekent dit, dat het goddelijke een realiteit moet zijn, die hier en nu ervaarbaar is. De charismatische vernieuwing deelt deze dorst naar het presentische met de esoterie. In de brede stroom van wat wel New Age wordt genoemd is een gezamenlijk kenmerk van al die religiositeit dat het goddelijke, het heilvolle hier en nu zich voordoet, hier en nu zijn effect uitoefent. De alternatieve religiositeit leeft daarom evenzeer van het verlangen naar meer, boven alle rationalisme uit. Het esoterische meer waaruit gedronken wordt mag een ander zijn dan waar in de charismatische vernieuwing uit geput wordt, maar het verlangen en de onvrede met enkel verstandelijkheid zijn hetzelfde. Of zouden we mogen zeggen - met Augustinus - dat een verlangen naar meer op zichzelf juist positief te waarderen valt? Roert zich in het verlangen naar vervulling, naar werkelijkheid niet de Geest van de levende God?
Anders zou deze dag met dit onderwerp niet georganiseerd zijn en zou u niet in zo groten getale zijn gekomen. Kennelijk voelen we of weten we dat we meer nodig hebben in ons geloof, in de omgang met God dan de correcte tekst en het rechte geloof. Verstaat u mij goed, het belang van goede leer, van een belijdenis en aandachtige formulering van waarheid onderschrijf ik van harte. Het is mijn dagelijks werk om daaraan te werken. Maar ook is duidelijk dat het leven met God meer is dan enkel het onderschrijven van een belijdenis en het aanhangen van de juiste leer. Bij Calvijn is de kern, waar het geloof zich op richt, de belofte van God, zijn toezegging, die we ontvangen door Christus te omhelzen. Die manier van zeggen - omhelzing is bij Calvijn uiterst lichamelijk - doet me herinneren aan een charismatische viering waar men elkaar de vredekus geeft en enige lichamelijkheid niet schuwt.