Na het convent
1973-12-07
Het was een afspraak in de redactie om zo min mogelijk te schrijven over de zaken die op het convent aan de orde zouden komen. Zo min mogelijk, omdat het natuurlijk niet altijd vol te houden was.- Jaargang 17
- nummer 45
Het was ook afspraak om ná het convent wel in te gaan op de verschillende standpunten t.a.v. zaken die onder ons verschil hebben.
Het eerste deel van de afspraak was gemaakt om te voorkomen dat via een blad enige poging zou gedaan worden om vrije gemeenten van Jezus Christus op een ongeoorloofde manier te beïnvloeden.
Vroeger was het maar al te vaak zo dat je van te voren wist wat die en die er van dacht, omdat hij nu eenmaal een blad ter beschikking had. Het tweede deel van de afspraak was gemaakt om daarna niet te vervallen in tijdloos schrijven, wat betreft het kerkelijk leven. Dat zou op de duur niet vol te houden zijn en zou het blad ook minder leesbaar maken.
Ik heb de vergadering van het convent niet bijgewoond. Het is me dus mogelijk erover te schrijven zonder beïnvloed te zijn door de sfeer van de vergadering of iets dergelijks. Mijn informaties komen uit kranten en uit gesprekken met enkele mensen, die er wel geweest zijn.
Het belangrijkste lijkt me wel dat onze gemeenten in grote meerderheid gekozen hebben voor een kerkverband. Hoe dat moet, moet kennelijk nog verder uitgewerkt worden. Maar de principe-beslissing is genomen.
Het lijkt me een goede beslissing.
Met alle respect en begrip voor het standpunt van hen die liever een andere beslissing zouden zien genomen, lijkt me dit vooral daarom een goede beslissing omdat het een echte oecumenische beslissing is. Oecumenisch in de goede zin van het woord.
Als het goed is dan kijken we verder dan de organisatie van ons kleine verband. We hebben een taak tegenover elkaar . We hebben een taak tegenover degenen, die ons uitgestoten hebben.
We hebben een taak tegenover de Christelijke Gereformeerde Kerken en zo zouden er meer groepen te noemen zijn. En in een door de kerken samen te voeren gesprek heb je een visitekaartje nodig.
Anderen moeten weten waar ze met ons aan toe zijn.
Ze moeten het ook goed kunnen weten. Ze moeten weten dat we ons aan de Schrift en belijdenis wensen te houden. Ze moeten ook weten dat we na onze uitstoting geen "nieuw zaakje voor ons" zijn begonnen, ook niet wat betreft de regels voor het kerkelijk samenleven en het onderling toezicht dat we op elkaar naar de Schrift hebben uit te oefenen, juist wat onze binding aan de H. Schrift betreft. Dat maakt het spreken met elkaar en het zoeken van kerkelijke eenheid met allen, die de Here in onverderfelijkheid liefhebben, alleen maar makkelijker.
De image die we hebben van "ze doen maar" en "ze zijn bezig uiteen te vallen" kan zo doorbroken worden.
De D.K.O. is een zeer oude gereformeerde traditie. Het feit van de ouderdom kan een nadeel zijn, kan ook een oorzaak zijn tot grondige herziening, maar is geen argument om een K.O. maar af te schaffen. Evenmin als misbruik aan de Schrift of misbruik van de belijdenis argumenten zijn tegen Schrift en belijdenis. De Here heeft de gemeenten in dit land na de Reformatie op een bepaalde weg gezet. Er moet wel een heel dringende reden zijn om van die weg af te wijken.
Ik kan me de angst van de tegenstanders van een verband met een K.O. overigens heel goed voorstellen.
Er is vooral met de K.O. zo veel geknoeid dat je echt wel, met een bord voor je hoofd moet Topen om die angst niet te kunnen begrijpen. Maar de zonde zit bijna nooit in de zaken op zich zelf, maar in de mensen. Het is daarom niet mogelijk de zonde weg te organiseren.
Of je nu een K.O. hebt of niet. Trouwens: de praktijk in andere landen waar men veel zogenaamde "vrije kerken" kent, bewijst wel dat men in het samenleven in die kerken niet minder moeite heeft. Ik ben haast geneigd om te zeggen: eerder meer.
Een deskundig onderzoek op dit gebied in andere landen zou wel op zijn plaats zijn en waarschijnlijk voor ons zeer verhelderend werken. Juist omdat ik zelf veel moeite ondervonden heb van het misbruik van de K.O. kan ik me de angst goed voorstellen en durf ik toch te stellen: deze angst is geen goede raadgever.
Als ik goed geïnformeerd ben zijn er veel stemmen opgegaan om de gemeenten, die moeite hebben met een kerkverband en met een K.O.vooral niet los te laten. Dat lijkt me nu een zaak van een goede Schriftuurlijke tolerantie. Hoe dat in de praktijk allemaal geregeld moet worden kan ik ook niet overzien. Maar vanuit de liefde van Christus moet het mogelijk zijn.
Ik weet niet of op de conventsvergadering het argument van de sterken en de zwakken is gebruikt.
Ik kan me voorstellen dat die gemeenten die van mening zijn dat een kerkverband met een K.O. de "anderen" tot de zwakken rekenen. Maar dan leert de Schrift toch ook heel duidelijk rekening te houden met die zwakken.
En in het omgekeerde geval gaat dezelfde redenering op. Dit zijn geen zaken die ons principieel verdeeld mogen houden. Als men zich tot de sterken rekent, dan is er alle reden met de moeiten van de zwakken rekening te houden.
Dankbaar ben ik voor de eer die toegezwaaid is aan de Commissie voor de Opleiding en met name aan het adres van drs H. de Jong.
(Hij heeft dit artikel van te voren niet gelezen.) Drs De Jong en - vóór zijn auto-ongeluk - prof. Veenhof hebben zich in opdracht van de kerken en onder leiding van de genoemde Commissie al enkele jaren intensief met de opleiding van de toekomstige predikanten bezig gehouden.
En het Convent ging gaarne accoord met de verdere uitbreiding en intensivering van deze "begeleiding" van onze theologische studenten. Wie wel eens wat geïnformeerd heeft èn bij prof. Veenhof èn bij drs De Jong, weet dat zij veel werk voor de studenten verzet hebben en verzetten en ook hoe zeer dat door de studenten gewaardeerd wordt.
Deze laatste informatie heb ik van studenten.
De Commissie handhaafde het "Apeldoorn-advies", vanwege de Schriftgetrouwheid van het werk in Apeldoorn. De Commissie alle zaken grijpen in elkaar wees ook af alle nodingen om te komen tot een eigen opleiding, o.a. "om niet in een onnodig isolement te komen t.a.v. andere kerken". De vele contacten die "van onderaf" tot stand zijn gekomen met de Chr. Gereformeerde Kerken zijn een verblijdende zaak. Waar een zegen in zit, laten we het niet verderven. Ook hier geldt weer: het werkelijk concreet oecumenisch bezig zijn.
We dienen het Evangelie ook voor te leven. In alle ootmoed die ons past. Maar ook met alle verwachting, die we daarbij hebben mogen.
Het zal ons als gemeenten van de Here Jezus Christus geen slechte naam bezorgen. als uit het wandelen in de goede werken, die God bereid heeft, moge blijken dat we alleen van de Heer willen zijn.
Over het contact met de Christelijke Gereformeerde Kerken moet nog nader gesproken worden op 21 december a.s. De beslissing om het werk van de Commissie voor de opleiding te continuëren zal bij de Christelijke Gereformeerde Kerken niet slecht vallen, dunkt me.
Het is niet te hopen dat een eventuele volgende conventsvergadering andersoortige beslissingen gaat nemen.
Er is al zo veel verdeeldheid onder de christenen. Misschien is er nu toch wel een wolkje als een mans hand te zien, dat het mogelijk maakt, die het ook weer eens tot een hereniging komt, na zo veel scheuringen sedert de Afscheiding.
Zo lopen we ook in de pas van het verlangen naar een werkelijk Réveil, dat bij zo veel christenen leeft. In de wetenschap dat we hetzelfde doel nastreven en in dezelfde verwachting leven, mogen we misschien een kleine bijdrage leveren tot de kerkelijke eenheid van wat men pleegt te noemen de Gereformeerde Gezindte.