Persschouw

1973-12-07
  • Jaargang 17
  • nummer 45
We weten het: er gebeuren in onze dagen dingen die het leven van de gehele mensheid en speciaal de verhouding tussen de volkeren, misschien wel voorgoed, zullen wijzigen! Mensen die jaren geleden het geweldige boek van Oswald Spengler "Der Untergang des Abendlandes" hebben ondergaan zullen zonder twijfel aan diens beschouwingen denken.
Wij zijn een klein, machteloos volk. Geen enkel van de grootmachten der aarde rekent ermee.
Hoe hard allerlei partijen en groepen ook mogen roepen, protesteren en eisen! We worden machteloos voortgesleurd in "de vaart der volkeren", Maar al kunnen wij aan de loop der dingen in het leven der volkeren niets veranderen - het is wel van belang hoe ons volk, hoe de kerkmensen dat alles doorleven.
Het is nooit een schande door overmacht en geweld neergeslagen te worden of buiten spel te worden gezet. Maar de wijze waarop men dat ondergaat kan een schande zijn.
Tijden van crises zijn ook altijd tijden van "beproeving". Juist dan, alléén dan, komt openbaar wie de mensen werkelijk zijn en wat hen werkelijk beweegt. Helaas zijn tijden van crises ook altijd tijden van "Charakter dämmerung".
Wie de bezettingstijd beleefden weten daar alles van!
Het is nuttig te luisteren naar stemmen die ons attent maken op wat er zich in dit opzicht in volk en kerk afspeelt.
Ik wil enkele daarvan doorgeven.
Ze spreken voor zichzelf.
Ze kunnen ons helpen bij het ook in onze dagen noodzakelijke zelfonderzoek!

Prof. Herman Ridderbos schreef over "Olie" een artikel zoals hij alleen dat kan.

Hier is het:

Ministers en partijleiders mogen bij hoog en bij laag beweren, dat de nederlandse polibiek t.a.v, Israël en de Arabieren in de laatste weken geen wijziging heeft ondergaan, zij richten zich daarbij dan blijkbaar meer op de kuddegeest van hun kiezers of op het negotie-instinct van het nederlandse volk dan tot het toch ook nog niet geheel uitgestorven onderscheidingsvermogen van hun volgelingen. In ieder geval, wat men óns ook denkt te kunnen wijsmaken, de Arabieren en de Israëli's weten wel beter. De eersten nemen thans met voldoening kennis van de verklaring van de negen, waaronder ook de naam van de nederlandse minister staat en Nederland ontvangt thans in dit verband schouderklopjes, terwijl het tot voor enkele dagen nog van deze zijde samen met Amerika de grootste vriend van Israël en de grootste vijand van Arabië genoemd werd. En in Israël ziet men het blijkbaar ook zo. Want terwijl Mevrouw Golda Meir, in de dagen, dat Oostenrijk het doorgangscentrum voor de emigranten uit Rusland zei te gaan sluiten, Nederland aan andere landen nog ten voorbeeld kon stellen als trouw vriend in nood, heeft thans een andere israëlische minister gezegd, dat de, mede door Nederland ondertekende, verklaring van de negen hem deed denken aan München, toen Tsjecho-Slowakije door de grootmachten aan Hitler werd verkwanseld. Nu zal dit wel te ver gaan, maar dat deze verklaring in de huidige situatie krachtige steun voor de Arabieren betekent en een verzwakking van Israël's positie als eigen Joodse staat kan niemand ontkennen. En zulke dingen heeft men tot nu toe aan de Nederlandse regering niet kunnen verwijten. Nog in de eerste dagen van deze oorlog sprak zij uit, dat de egyptische en syrische troepen zich weer achter de bestandslijnen van '67 dienden terug te trekken, met prijsgeving dus van hun toen op Israël heroverde gebieden, een eis, die uiteraard toen niet kon nalaten de Arabieren hevig te prikkelen. En toch is er dan "niets veranderd".
En wat van de regering geldt, ervaart men in nog sterkere mate in de presentatie en de vorming van de publieke opinie in Nederland. De dagen, toen de Koopmansbeurs in Amsterdam te klein was om de pro-Israëlische demonstranten te bevatten, toen burgemeester Samkalden onder zichtbare emotia beroemde woonden van de Israëlische leiders van het eerste uur tot de zijne maakte en de Israëlische ambassadeur onder stormachtige toejuichingen optrad, schijnen thans ver weg.
Men ziet deze ambassadeur niet meer voor de t.v., zoals telkens in die eerste dagen. In zijn plaats treedt thans de intelligente vertegenwoordiger van Koeweit, die op de vraag of hij met de verklaring van de negen niet tevreden was en of we nu weer olie kregen, te kennen gaf dat dit een aardig begin was, maar dat hij ook nog eens goed zou opletten hoe er in het Nederlandse parlement nu voortaan gesproken zou worden. Want bij de vorige gelegenheid vond hij, dat het toen alles Israël was wat de klok sloeg. En de heren interviewersbekend om hun "hardheid" (wat mij betreft ook brutaliteit) - zitten dan schaapachtig en begrijpend te knikken, óók als zij minister Van der Stoel, in antwoord op hun vraag of er dan niets veranderd is, vlak na de vergadering van de negen in Parijs, stotterend en schichtig horen vertellen en "uitleggen", dat dit echt niet het geval is. Het hoort dan blijkbaar opeens niet meer tot hun "harde" vak, om daar dieper op in te gaan. Men moet er niet aan denken, hoe zij in àndere zaken met àndere mensen de vloer zouden hebben aangeveegd, als deze zulke antwoorden zouden hebben gegeven.
Ook het interview met de ministerpresident op vrijdagavond was van soortgelijke aard. Het was blijkbaar goed afgesproken, dat men wel even op het moeilijke punt in zou gaan, maar dat er geen lastige vragen gesteld zouden worden (dat men ook niet zou ingaan op de toen overigens juist verschenen Open Brief van prof. De Jong) en dat er "om des tijds wille" spoedig zou worden overgegaan tot andere onderwerpen als de olie en het Centraal akkoord, immers ook van veel nijpender belang dan de vraag of er "wellicht in de toonzetting" van de uitspraak van de negen enig verschil te constateren was met de tot nu toe gegeven "presentatie" van het standpunt der nederlandse regering.
Wellicht wil iemand van mij weten, wat voor nut er in gelegen kan zijn dit verhaal te houden, dat "misschien wel waar" is, maar waaraan thans toch niets meer te doen is. Of denk ik soms, dat Nederland zich de weelde kan veroorloven dwars te blijven liggen nu de oliesituatie zo is àls zij is en er slechts in E.E.G. verband (dat is samen mèt het arabo-fiele Frankrijk en Engeland) een beleid te voeren is, waarmee de Arabieren wellicht rekening willen houden. Nu, ik wil daar niet àl te stoer over doen, want ik heb daarin wellicht te gemakkelijk praten. Maar twee dingen kunnen in deze situatie toch wel niemand ontgaan: ten eerste dat opnieuw blijkt, dat het verbale moralisme (waarin de nederlandse opinie-makers in en bui ven het parlement zo uitmunten) plotseling op een griezelig laag pitje komt te staan, zo spoedig men de olie, die de vlammen doet uitslaan, zèlf moet betalen.
Belangrijker schijnt mij nog - want het eerste kan iedereen die zijn ogen niet in de zak heeft keer op keer waarnemen! -, dat het er thans - nu de kansen zich ten gunste van de Arabieren schijnen te keren - meer dan ooit op aan zal komen, in hoeverre de wereldmachten - en daar heeft de wereldopinie toch ook invloed op - het bestaansrecht van het huidige Israël (d.i. dus als joodse staat) zullen blijven erkennen.
In de laatste oorlog hebben - het spijt mij voor mijn linkse vrienden het te moeten zeggen - alleen het veelgesmade Amerika en van de E.E.G. enkel... Portugal hun hals voor Israël uitgestoken. Met welke (verwerpelijke) motieven zij dit deden, kan ik thans niet bevroeden.
Maar niet te ontkennen is, dat Israël aan deze luchtbrug wel iets heeft gehad.
Wat zullen echter de andere machten straks willen doen of ,,-garanderen" als het over "veilige grenzen" van Israël en over de "rechten van de Palestijnen" gaat? Wàt ook de negen landen van de E.E.G., met wie samen Nederland zich thans ook politiek heeft uitgesproken en verbonden? Want wat zijn veilige grenzen, als straks op schootsafstand van het hart van Israël zich het allermodernste russische oorlogstuig in handen van welgetrainde vijanden bevindt, die het bestaansrecht van deze staat Israël nog nooit hebben erkend en ook niet kunnen erkennen?
En welke, "legitieme aanspraken kan men aan de Palestijnen toekennen, als men de tegenwoordige staat Israël, ook als Tehuis van joodse emigranten uit andere landen en dus als speciale joodse staat, wil blijven erkennen? Men kan zeggen, dat de UNO in haar historische beslissing van '47 de verdeling van Palestina en de stichting van deze staat Israël toch eenmaal hééft erkend.
Ja, maar van hetzelfde ogenblik, dat Israël, na de beëindiging van het engelse man daad, zich als zodanig heeft gepresenteerd, heeft het in een reeks van oorlogen zichzelf moeten handhaven en zèlf zijn grenzen moeten "garanderen". Zal dat straks, als het weer terug moet naar de bestandsgrenzen van vóór '67 (of van nog eerder?), ook door "anderen" geschieden? Dat zou dan voor het eerst in haar geschiedenis zijn. En wat kan het van zulke garanties daarom redelijkerwijze verwachten?
Het is in de laatste dagen wel duidelijk geworden, dat de nederlandse sympathie - die stellig nog in grote mate aanwezig is - niet veel te betekenen heeft, als zij in politieke daden moet worden omgezet.
Toch kan Israël van sympathie alleen niet leven. De vraag blijft daarom toch wel interessant, hoe de nederlandse regering meent de eisen van de Arabieren zo krachtig te kunnen ondersteunen als zij thans gedaan heeft en tegelijk aan Israël "gegarandeerde" grenzen te kunnen beloven. Het zou allemaal geloofwaardiger zijn als men kon verwachten, dat deze "garanties" tegen olie bestand zullen blijken. Want dat olie àf-geeft, heeft een ieder, die het nog niet wist in de afgelopen dagen kunnen opmerken. Stellig ook Israël. En daarom kan ik begrijpen, dat Golda Meir er een reis naar Londen voor over had om van haar socialistische partijgenoten te vernemen, wat zij ria de verklaring van de negen nu eigenlijk nog wel en wat niet van Europa te verwachten had. Het interview dáár zal wel wat "harder" geweest zijn dan dat voor de nederlandse t.v.

In "In de Waagschaal" schreef K. E. H. Oppenheimer een indringend artikel over: "Israël, de olieboycot en wij". Ik neem daaruit twee fragmenten over.
Het eerste heeft tot kopje: Hoe reageren wij? Het is het volgende: Hervormd Nederland schrijft in zijn Commentaar van 3 november jl.: "De sympathie voor Israël lijkt ons nu wat te kosten. In de vorm van onder meer mondjes maat autorijden, minder overheidsinkomsten, wellicht ook werkloosheid. Wij zijn benieuwd, of onder de druk van dit ongerief de publieke opinie zich achter Israël zal blij-ven scharen. Of zullen straks toch weer de Joden het hebben gedaan?" Vrij Nederland (10 november jl.) meent, dat de publieke opinie langzaam draait in de richting van de Arabieren. Het blad denkt hierbij aan "onze vaderlandse opiniekneders" en concludeert: "De publieke opinie wordt bepaald door de regelknop van de centrale verwarming".
Als dat waar zou zijn, is het meer dan verontrustend. Premier Den Uyl kon in zijn solidariteitsverklaring aan Israël steunen op vrijwel alle partijen en ook op de vakbonden.
De oudministerpresidenten Drees, De Jong, Biesheuvel en andere vooraanstaande Nederlanders hebben zich hierbij in een paginagrote advertentie demonstratief aangesloten.
Zij wensen het bestaansrecht van de staat Israël te onderstrepen.
Later hebben ook de Gereformeerde en Hervormde kerk hun verbondenheid met Israël duidelijk uitgesproken. In het essentiële zijn wij het dus eigenlijk allen eens. Het probleem is alleen: hoe reageren wij op de olieboycot? Trouw heeft kort geleden in een commentaar gezegd, dat wij door onze identificatie met Israël thans voor het eerst de gevolgen van de eeuwenlange discriminatie en vervolging der Joden, waardoor de stichting van de staat Israël veroorzaakt is aan den lijve ondervinden. Wat zit daarachter?
De harde wetmatigheid der geschiedenis?
De zonden der vaderen, aan de kinderen bezocht? Tenslotte hebben wij de Joden daarheen gedreven.
Hadden zij bij ons, waar bijna niemand hen kon of wilde beschermen, moeten blijven? Na Auschwitz?
De Telegraaf schrijft (31 oktober jl.): "Wij zijn niet offervaardig. Wij willen allemaal op zondag blijven autorijden.
Wij sloven ons uit, om de Arabieren duidelijk te maken, dat wij niet voor Israël zijn, om zodoende de olieboycot af te wenden. Alsof dat zou helpen. Chanteurs blijven immers chanteurs. Ik zou wel willen weten, hoe de t.v.-kijkers gereageerd hebben op het frequente optreden van de consul van Koeweit met zijn suggestie: wees proarabisch, dan gaat de oliekraan weer open.
De cruciale vraag is inderdaad, hoe wij reageren. Blijvend solidair met Israël? En solidair met elkaar, zoals dat in een noodtijd vereist is?
Of zal Israël, in feite de olieboycot, de splijtzwam worden voor onze natie?
Prof. Kisch, hoogleraar Algemene Geschiedenis, heeft in de NRC (1 november jl.) argumenten bijeengebracht tegen de beschuldiging, dat Israël de oplossing van het palestijnse vraagstuk in de weg zou staan en bezield zou zijn door de zucht tot verdrijving en onderdrukking: "Opdat hun woord geen ingang vinde bij de Nederlandse gemeenschap, die staande achter Israël, leeft naar het beginsel van de Prediker, dat een goede naam beter is dan goede olie." De tekst is te vinden Prediker 7: 1. Ik vind het een benijdenswaardige bijbelvastheid.

Het tweede heeft tot opschrift: "De Kerken". Hier is het: Het was verdrietig en schokkend, dat de kerken aanvankelijk hebben gezwegen. Soetendorp (NRC 20 okt., jl.): In Joodse kringen heerste het bange vermoeden, dat ook Nederland tegen alle traditie in meer en meer partij gaat kiezen voor de schijnbare underdog". Het is verdrietig, dat de kerken vrij laat, en eerst nadat de Rabbijnen om opheldering en tal van predikanten om een verklaring van solidariteit hadden gevraagd, gereageerd hebben.
Ik ben dankbaar, dat het Moderamen alsnog de verbondenheid met Israël met de volle erkenning van het bestaansrecht van de staat Israël heeft uitgesproken. Ik zet echter achter de "kritische solidariteit" van hen, die zgn. genuanceerd willen denken grote vraagtekens. Ik zou zo'n kritische solidariteit onmiddellijk willen aanvaarden, als zij zich evenzeer op de Arabische staten zou richten. Dan zou namelijk het morele, humane verschil tussen de staat Israël en de Arabische staten voor onze gemeenteleden zonder meer duidelijk zijn. Mijn kritiek op "Kenmerk" is, dat zij op dit punt niet objectief zijn en zich de consequenties van hun uitzendingen, die het bestaansrecht van de staat Israël ondermijnen, niet realiseren. Ik heb hiertegen vaker met concrete voorbeelden geprotesteerd. Onverklaarbaar blijft echter de neutrale aankondiging voor de geldinzameling door de interkerkelijke organisaties.
In 1967 hebben de kerkklokken geluid, om stads- en dorpsgenoten aan te sporen, de deuren voor de hulpactie aan Israël wijd open te houden.
Was dat verkeerd? Dan had men het thans aan de gemeenteleden moeten toelichten. Maar niet plompverloren aankondigen "Kerkelijke inzameling voor Joden en Arabieren"
(Trouw 19 okt. '73). Met het argument n b.: “De kerken hebben gemerkt, dat velen vooral betrokken zijn bij het lot van Israël (dit schijnt dus laakbaar te zijn, 0.).
Deze betrokkenheid gaat zo ver, dat men de hulpverlening alleen gericht zou willen zien op Israël (zo was het in 1967!, 0.) en desnoods zou willen uitbreiden tot militaire hulp".
Het laatste is kennelijk afkeurenswaardig, hoewel niet in te zien is, hoe men zich zonder hulpverlening verweren kan tegen een grote overmacht.
De hulpactie is voorbereid (volgens telef. informatie) in de eerste week van de oorlog, toen de aanvallers oprukten, Israël grote verliezen leed, de Verenigde Staten zich afzijdig hielden en Israël volstrekt alleen stond. De aangehaalde tekst is nooit gerectificeerd. Hij suggereert een neutraliteit, die bij de kerken niet bestaat en heeft de nodige misverstanden verwekt bij pers en gemeente. De verklaring in het schrijven van het moderamen is op dit punt dan ook veel nauwkeuriger en zorgvuldiger maar was een late correctie, nadat het euvel van verwarring en misverstand zich reeds had voltrokken. Ik hoop, dat men uit het voorafgaande niet concludeert, dat ik niet bereid ben arabische slachtoffers te helpen en geen oog heb voor het probleem der arabische vluchtelingen. Maar ook de staat Israël is een staat van vluchtelingen, duitse, poolse, russische, arabische en thans een opnieuw aangroeiende stroom van russische vluchtelingen/emigranten. Voor hen allen een laatste toevluchtsoord.

Ten slotte neem ik nog over een raak stukje dat ds L. H. Kwast in "Centraal Weekblad" publiceerde.
Hij zette er boven: "Het wordt stiller". Men leze:

Het gaat de laatste weken de goede kant uit, heb ik zo de indruk.
Niet met de olie, maar wel met theologen van Nederlandse Fabrikaat.
Tot voor kort waren ze gewend om er een oordeel op na te houden over alles wat in de wereld gebeurt. Dat was ook erg plezierig voor de gemeente.
Ze hoefde zich niet in te spannen om de politieke wereldsituatie te begrijpen, want die moeite nam dominee haar helemaal uit handen.
Zo'n man heeft ook heel wat geleerd, moet je denken.
En dan professoren in de theologie.
Er zijn er natuurlijk onder hen diezich alleen op eigen vakgebied bezighouden, Maar er zijn anderen die wekelijks overwerk hadden vanwege toestanden vijftienduizend kilometer hier vandaan. En het was merakel wat ze ervan wisten te vertellen.
Maar het is de laatste weken heel wat s t i l l e r geworden bij al die getuigenisgrage theologen. Elke dag zit ik mijn krant te spellen en naar radiojournaals te luisteren maar het b l i j f t stil. En nu weet ik maar niet wat ik denken moet over Israël of over Egypte of over de Palestijnen. Zouden die theologen die heel secuur weten hoe de Zuidafrikaanse vork in de steel zit. of hoe het in Chili toegaat, minder secuur weten wat ze over Israël en zo moeten zeggen? Net zoals de Wereldraad van Kerken: die is in de laatste weken ook al zo muisstil!

Alle ironie terzijde: het is heilzaam als theologen eens wat bescheidener worden op wereldpolitiek terrein.
Want die wereldpolitiek is te belangrijk dan dat ze aan (Nederlandse) theologen zou kunnen worden toevertrouwd.
Bovendien zou elke theoloog zich kunnen herinneren dat Christus' Koninkrijk n i e t van deze wereld is.
Christenen kunnen en mogen zich niet vereenzelvigen mèt het ene poIitieke systeem tégen het andere.
Alle systemen derven de heerlijkheid Gods, de rechtse èn de linkse.
Maar nu het dan wat stiller is geworden in dat wereldje van theologen, zouden we ons met z'n allen eens wat méér bezig kunnen houden met zaken d i c h t e r b ij huis.
Wat doen we samen, gemeenteleden, ambtsdragers en theologen, voor de proclamatie van het Evangelie van de Here Jezus in de N e d e r l a n d s e samenleving? Daaraan zouden we de eerstkomende tijd de handen vol hebben.
En wat doen we samen, gemeenteleden, ambtsdragers en theologen, aan de groeiende verwijdering tussen grote delen van de Nederlandse jeugd en de bijbel?
En hoe brengen we een pastoraat op de been - bij voorbeeld in de Randstad, maar niet alleen dóórdat de groeiende levensnood onder de mensen een beetje sneller en beter kan opvangen?
En als theologen nu toch vele uren terugkijken, omdat ze die voorshands niet aan nieuwe mondiaalpolitieke verklaringen wellen besteden, kunnen ze dan meehelpen om een verkondiging op te bouwen die á á n s p r e e k t ?
Ik wil maar zeggen dat er nog zoveel onverwerkt of defect materiaal op ons eigen Nederlandse erfje ligt dat we voorlopig een heel eind vooruit kunnen.
Buurmans tuintje zouden we eens aan zijn eigenaar kunnen overlaten.
En in eigen tuintje is meer dan genoeg te doen.

Ik wil deze Persschouw afsluiten met enkele citaten.
In de eerste Staastcourant van de jonge staat Israël waarin de Onafhankelijkheidsverklaring werd afgedrukt (15 mei 1948) werd o.a. dit gezegd:

"Wij doen een beroep op de zonen van het Arabische volk die inwoners zijn van de staat Israël, om de vrede te bewaren en om deel te nemen aan de opbouw van de staat, op basis van volledige en gelijke burgerrechten en van een passende vertegenwoordiging in al zijn lichamen, zowel tijdelijke als permanente.
Wij reiken de hand, in vrede en goede nabuurschap, aan alle aangrenzende staten met hun volkeren, en roepen hen tot samenwerking (en wederzijdse hulp) met het onafhankelijke Hebreeuwse volk in zijn eigen land. De staat Israël is bereid zijn aandeel te leveren in het gezamenlijk pogen tot vooruitgang te komen in het Midden-Oosten ... "

Zoals men weet werd de jonge staat onmiddellijk van alle kanten door de arabische volken aangevallen, Bij het uitbreken van die oorlog verklaarde de toenmalige secretaris-generaal van de Arabische Liga, Azzam Paslic:

"Dit zal een uitroeiingsoorlog worden, een monumentale slachting die eens zal worden vergeleken met de Mongoolse bloedbaden en de kruistochten."

Na de moord op de Israëlische sportlieden in München opende de Stem van de Palestijnse Revolutie zijn radio-uitzending met deze woorden:

"Roem zij u mannen! Roem zij u mannen van de Zwarte September!
Voordat gij in München waart, kende men ons niet. Maar nu is de gouden medaille, die gij in München hebt gewonnen, voor de hele Palestijnse name!"

Na de conferentie van de socialistische regeringsleiders en andere kopstukken van de Socialistische Internationale die onlangs in Londen werd gehouden en waaraan o.a. minister Den Uyl deelnam, zei Golda Meir:

"Als de Verenigde Staten Israël niet te hulp zou zijn gekomen had u waarschijnlijk ook wel een bijeenkomst gehouden, maar dan was het een herdenkingsbijeenkomst geworden."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief