Over de "opleiding"
1973-12-14
Het pas in Spakenburg gehouden Convent van kerken heeft uitgesproken dat het werk van de "Commissie voor de opleiding tot de dienst des Woords" moet worden voortgezet en geïntensiveerd.- Jaargang 17
- nummer 46
Het is daarom nu het geschikte moment om over deze Commissie en haar werk het een en ander te zeggen. Wat zij doet gaat immers in hoge mate alle kerken aan. Het is ten volle háár zaak en haar zaak alléén.
Toen het enkele jaren geleden een aantal studenten onmogelijk werd gemaakt hun studie aan de Theologische Hogeschool-te Kampen voort te zetten waren deze van plan zich als student te laten inschrijven aan de Theologische Hogeschool van de Chr. Geref. Kerken in Apeldoorn. Helaas bleek dat toen niet mogelijk te zijn. In die tijd gold daar nog de bepaling - ze werd sindsdien door de synode van de Chr. Geref. Kerken afgeschaft - dat alléén leden van de Chr. Geref. Kerken in Apeldoorn mochten studeren!
Deze studenten namen daarop de toevlucht deels tot de Vrije Universiteit, deels tot de Rijksuniversiteit van Utrecht.
Deze studenten namen al heel gauw contact op met drs De Jong van Amsterdam, weldra ook met ondergetekende. Dit leidde tot de vorming van een soort werkgemeenschap - in universitaire termen uitgedrukt: tot een theologisch "Seminar" - waarin, ik kan dit uit ervaring zeggen, hard werd gewerkt.
Op geregelde tijden kwam deze kring samen. Soms werd door één van de studenten een preek geleverd, soms ook een boek of een bepaald thema besproken. En altijd leidde dat tot een dikwijls urenlang durende discussie waarin alle mogelijke vragen aan de orde kwamen.
Ik denk met grote dankbaarheid aan deze studiedagen terug. Ze zijn naar mijn overtuiging één van de beste middelen om leiding te geven aan de theologische studie!
Het speet mij daarom zeer dat ik, ten gevolge van het auto-ongeluk, dit werk - naar ik hoop tijdelijk - moest staken. Behalve drs De Jong, die op voortreffelijke wijze leiding gaf, werkten later ook anderen aan deze vorming van de a.s. predikanten mee.
Zo ds G. Janssen, Ds H. Smit, Ds Rietkerk, Ds J. Janse, Prof. Rookmaaker. Ook werden af en toe weekend-studieconferenties georganiseerd.
Zoals ik reeds zei was voor dit werk het initiatief van de studenten uitgegaan.
Maar de kerken zaten ook niet stil. De zaak van de opleiding leefde daarin. Vele malen werd mij vanuit de kerken gevraagd hoe het daarmee moest. Maar, men weet het, door de katastrofe die het gevolg was van de besluiten van "Hoogeveen" was het landelijke kerkelijke samenleven ernstig verstoord en kon door de kerken aan de "opleiding" weinig of niets worden gedaan.
Op initiatief van de kerk van Langerak kwam nu evenwel op 25 april 1970 een convent van kerken in Utrecht bijeen waarin ook, en vooral, over de "opleiding" zou worden gesproken. Dit Convent benoemde een Commissie die deze zaak van alle kanten moest bekijken en daarna de kerken voorstellen te doen over de beste wijze om deze "opleiding" te organiseren. In deze Commissie werden mannen benoemd die geacht konden worden het hoger onderwijs, en dan speciaal het theologische, en niet minder het leven der kerken, te kennen.
Deze Commissie heeft enorm veel werk verzet. Zorgvuldig werden allerlei mogelijkheden om tot een verantwoorde opleiding tot de dienst des Woords te komen overwogen.
Ik zal niet vertellen wat daarbij alzo aan de orde kwam.
Dat is in een enkel artikel ondoenlijk.
Het is ook niet nodig.
Een paar uitgangspunten waartoe zij na grondig beraad kwam wil ik memoreren.
In de eerste plaats kwam de Commissie unaniem tot de overtuiging dat het in het leven roepen van een eigen inrichting die aan minimale eisen voldoet voor onze kerken een onmogelijke zaak is. Wij hebben daar noch de mannen, noch het geld voor. Natuurlijk zou men wel een of andere bijbelschool in het leven kunnen roepen. Maar een opleiding daaraan is met het oog op de zware eisen. die in onze tijd aan het ambt van predikant worden gesteld beslist onvoldoende.
In de loop der discussie kwam uiteindelijk de gedachte naar voren of het ook mogelijk zou zijn dat onze studenten in Apeldoorn gingen studeren. Om daaromtrent een verantwoorde beslissing te kunnen nemen werd contact opgenomen met het college van hoogleraren van die Theologische Hogeschool. Openhartig en indringend werden in een langdurig gesprek alle vragen die bij de Commissie in dit verband leefden besproken. O.a. werd duidelijk gezegd dat naar het oordeel der Commissie de studenten die lid van onze kerken waren vanwege onze kerken én pastoraal én wat hun studie betreft intensief dienden begeleid te worden. Nooit zal ik vergeten hoe men daarop reageerde.
De nestor der hoogleraren, prof. Hovius zei kort en krachtig: U zoudt in gebreke blijven als u dat niet deedt!
Het resultaat van deze besprekingen was dat de Commissie unaniem en con amore besloot aan de kerken het advies te geven jongelui die zich wilden voorbereiden voor de dienst des Woords aan te raden in Apeldoorn te gaan studeren. Natuurlijk kon de Commissie en kunnen de kerken in deze nooit meer doen dan adviseren! Van enige dwang kan en mag in deze uiteraard geen sprake zijn.
Laat ik hier nog dit bij zeggen: Op een bizonder prettige wijze is er contact gekomen tussen het werk van drs De Jong en ondergetekende met de studenten èn de door het Convent der kerken benoemde Commissie. Het genoemde werk geschiedt nu onder leiding en met steun van de Commissie.
De studenten werden ook intensief in het werk der Commissie betrokken. Op de vergaderingen ervan zijn in de regel ook een of meer studenten aanwezig.
Het stond voor de Commissie van meet af vast dat de zaak van de opleiding gehéél en alléén een zaak van de kerken is.
Daarom heeft zij niets gedaan zonder daarin de kerken ten volle te kennen.
Toen zij daarom tot de zo juist gememoreerde plannen was gekomen heeft zij alle kerken uitgenodigd afgevaardigden te zenden naar een Convent waarin specia al over de opleiding zou worden gesproken. Dit convent-adhoc kwam in Utrecht bijeen op 3 april 1971. In den brede gaf de Commissie daar een toelichting op het vooraf door haar aan de kerken toegezonden rapport over haar werkzaamheden. Een bij uitstek broederlijke en vruchtbare bespreking volgde. En toen de voorzitter de vergadering vroeg of zij accoord kon gaan met wat de Commissie voorstelde beantwoordde de vergadering die vraag met een hartelijk en spontaan applaus.
Het mandaat van de Commissie werd gecontinueerd en haar werd opdracht gegeven speciaal de "begeleiding" verder te verzorgen.
De Commissie werkte daarin haar plannen verder uit. En om tot het uiterste toe de kerken in haar arbeid te kennen zond zij dezen een tweede rapport toe en schreef zij een nieuwe vergadering van afgevaardigden van de kerken uit.
Deze kwam op 26 mei 1973 te Utrecht bijeen. Daarop werden weer allerlei vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. En ook deze vergadering ging met het werk der Commissie van harte akkoord.
De Commissie heeft wat door de kerken aan haar geschreven en op de genoemde vergadering gezegd werd zorgvuldig overwogen. En ten slotte heeft zij haar voorstellen, die niets anders zijn dan een concrete uitwerking van wat boven reeds gezegd werd aan de kerken toegezonden opdat deze op het Spakenburgse Convent zouden kunnen worden behandeld.
En zoals reeds werd gezegd: Dit Convent sprak uit dat de Commissie op de ingeslagen weg moest voortgaan en haar arbeid diende te intensiveren.
De Commissie heeft er - en ik wil daarop met nadruk wijzen voortdurend rekening mee gehouden dat haar werk in een bepaald opzicht voorlopig zou zijn.
Niet wat betreft de grondgedachten daarvan! Namelijk het advies om in Apeldoorn te gaan studeren èn de pastorale en wetenschappelijke begeleiding van de studenten-in-de-theologie. Dit was en is naar de vaste overtuiging van de Commissie thans de beste wijze van opleiding. Die grondgedachten zijn ook door de kerken con amore aanvaard en bij de aanvang gerealiseerd. En de opleiding volgens dit project functioneert nu reeds enkele jaren met grote zegen.
Neen, het voorlopige van het werk van de Commissie zit In de praktische uitwerking daarvan.
Wat die uitwerking betreft hield zij zich namelijk steeds voor ogen dat het samenleven en samenwerken van alle kerken nog geen concrete gestalte had gekregen.
Zij wilde niet vooruitlopen op de situatie waarin de kerken zouden komen als het samenleven der kerken op landelijk niveau nader geregeld zou zijn. Daarom maakte zij de praktische uitwerking van haar opzet zo flexibel mogelijk.
Zij gaf b.v. geen vaste aanstellingen.
Zij wilde niet meer doen en heeft ook niet meer gedaan dan strikt nodig was.
Ik moet in dit verband wel opmerken dat het uitblijven van een regeling voor het landelijke samenleven en samenwerken der kerken aan het krachtig aanpakken van de opleiding niet bevorderlijk is geweest.
Ik wil er voorts met alle nadruk op wijzen dat door het werk der Commissie de kerken contractueel, juridisch aan niets gebonden zijn. Er is geen enkele afspraak met "Apeldoorn" gemaakt En, zoals gezegd, er is nog geen enkele definitieve benoeming geschied.
De kerken zijn in alles nog geheel "vrij". De Commissie heeft er angstvallig voor gewaakt op wat voor wijze ook autoritair, hiërarchisch op te treden. Wel is het zo dat de kerken die haar a.s. predikanten adviseren in Apeldoorn te studeren daarmee de morele verplichting op zich nemen "Apeldoorn" ook financiëel te steunen. Zij zullen niet bij de Chr. Geref. Kerken willen "klaplopen" "Apeldoorn" krijgt geen rijkssubsidie!
Dit wilde ik na "Spakenburg" graag verklaren.
Er is in de loop der jaren naar mijn innige overtuiging iets moois, iets goeds gegroeid wat de opleiding van de predikanten betreft.
De kerken kunnen, indien God de mannen en de middelen daartoe geeft, door middel van de boven getekende "begeleiding" heel veel doen!
Menselijkerwijs gesproken: alles wat nodig is. En op een wijze die in de gegeven omstandigheden zo goed als maar mogelijk is.