PSALM

1973-12-21
  • Jaargang 17
  • nummer 47
Een nieuw lied voor den Heer die de vogeltjes schiep
en hun wijzen voor iedere dag,
die de treurwilg tot eindeloos treuren riep
en de vrouw tot haar eeuwige lach,
een nieuw lied voor den Heer die de goudvissen goud en de roodborstjes rood heeft gemaakt,
die de golven der zee en de blaren van 't woud
met zijn vinger heeft aangeraakt,
die de kolibri schiep en de adelaar schiep,
het viooltje en de orchidee,
die de schelpen en zwaardvissen liet in het diep
van dezelfde bedelvende zee,
die zijn adem laat gaan langs het slapende land
tot het wenend van weelde ontwaakt,
die de dauwdroppen droogt met zijn heilige hand
en de zon tot zijn heilgezant maakt,
een nieuw lied voor den Heer die het meer
en de lucht en de straten vol zonnelicht goot,
die de leeuwerik leidt tot zijn duizelende vlucht
en de vlinder tot vinderdood.
Een nieuw lied voor. den Heer die een durend nieuw lied in de mond van mijn moedertje lei,
die zijn licht in haar zuivere blik achterliet
en haar zei wat zij zeide tot mij,
die het water voor Händel zo ruisen deed
dat het Watermuziek in hem klonk,
die Homerus de nacht liet, opdat hij beleed
welke donkere schoonheid hij dronk,
die de leden der liefste verrukkelijk boog
tot de lijnen der maagdelijkheid,
die zijn hand langs haar lippen en schouders bewoog
tot zij zoet waren, durend bereid,
die haar haren zo zwart en haar borstjes zo zacht
heeft gemaakt en haar ogen zo blauw,
die de laatste safier uit zijn huis heeft bedacht
voor de fonkelende staart van de pauw,
die de staart van de pauw op haar lachen ontvouwt
en hem sluit als zij schreit van geluk,
en dan worden haar tranen van zuiver goud
voor den Heer van het grote geluk.
Een nieuw lied voor den Heer, die van ieder nieuw lid het ontstaan en de maker is,
die het voorzingt in water en woud en in riet,
in de steeg en de vensternis.
Een nieuw lied voor den Heer, een nieuw lied voor den Heer
die accoorden en woorden ingeeft
aan den dichter, de vrouwen het kind, o en meer dan aan weerklank en stem in hen leeft.
En zijn naam zij gezegend, de eeuwigheid lang
zij gezegend de naam van den Heer,
van de opgang der zon tot haar ondergang
zij gezegend de naam van den Heer:
die de sneeuwvlokken zendt als de wolkige wol
en de rijm als verdwarrelde as –
als hij spreekt lopen alle de stuwmeren vol
en al smelt wat bevroren was.
O gij wateren, looft, en gij landstreken, looft,
en gij vogeltjes, looft onzen Heer,
en gij vuurtongen, looft, en gij dauwdroppen, looft,
alle boomtoppen, looft onzen Heer.
Een nieuw lied voor den Heer met pauk en cymbaal
en bij citer en luit en schalmei:
een nieuw lied voor den Heer in uw mond, in uw taal, want wie geeft u de liederen dan hij?



Uit: Religieuze poëzie der Nederlanden (verzameld door Michel van der Plas) Uitgeverij Het Spectrum.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief