K E R K E L IJ K L E V E N
1973-01-12
In de persschouw van dit nummer vindt men een overzicht van wat er in de Geref. Kerken ten aanzien van de kwestie-Kuitert werd besloten en gezegd.- Jaargang 17
- nummer 2
Hier wil ik op een paar punten de aandacht vestigen.
1e. De synoden van Amsterdam, Sneek en Dordrecht hebben alle drie nadrukkelijk uitgesproken dat wat de kerk belijdt in Zondag 3 en 4 van de Catechismus en in de artt. 14 en 15 van de Ned. Gel. Bel. over de oorsprong van de zonde en de gevolgen van de zondeval beslist moet worden gehandhaafd.
Want deze geloofsuitspraken brengen naar het oordeel van die synoden duidelijk tot uitdrukking de fundamentele betekenis die de Schrift in het Oude en Nieuwe Testament aan deze geschiedenis toekent.
2e. De synode van Sneek handhaafde, zoals gezegd, de onder 1 weergegeven uitspraak.
Zij oordeelde voorts dat Kuiterts opvattingen daarmee in strijd waren. Ze gaf daarbij een korte omschrijving van datgene waaromtrent men het ten aanzien van de schepping en de zonde van de mensen eens was. En ze besloot ten slotte "thans" geen nadere beslissingen te nemen, maar het gesprek met Kuitert voort te zetten.
3e. Kuitert verwierp en bleef verwerpen de opvatting dat op aarde eenmaal een eerste mens, Adam, heeft geleefd en dat die op een bepaalde plaats en in een bepaald moment aan God ongehoorzaam werd en zo van God afviel. Met andere woorden hij verwierp en verwerpt de historiciteit van de eerste mens en zijn val in zonde.
4e. De laatst gehouden synode, die van Dordrecht, hield, zoals reeds werd opgemerkt, ook weer vóór alles vast aan de onder 1 genoemde uitspraak, maar kwam in zoverre aan Kuitert tegemoet dat zij niet meer sprak over een "eerste mens", over een Adam, en wat deze ten opzichte van God deed.
5e. De uitspraken van de synode van Dordrecht zijn niet dubbelzinnig of meerduidig of voor meerduidige uitleg vatbaar ze zijn innerlijk tegenstrijdig. In die uitspraken wordt immers enerzijds gehandhaafd wat in Zondag 3 en 4 van de Heidelbergse Catechismus en in de artt. 14 en 15 van de Ned. Gel. Bel. wordt beleden. Dat wil zeggen: daarin werd o.a. gehandhaafd de belijdenis dat de verdorvenheid van de mens voortkomt uit "de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva in het paradijs"; dat de eerste mens "zichzelf en al zijn nakomelingen door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid van de (door God hem geschonken) gaven heeft beroofd"; dat de door God uit het stof der aarde geschapen mens "zichzelf willens en wetens aan de zonde onderworpen (heeft) en daarmee aan de dood en de vervloeking, door gehoor te geven aan het woord des duivels" en "dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het ganse menselijk geslacht." Terwijl nu dit alles in het eerste gedeelte van de synodale uitspraak met zoveel woorden wordt gehandhaafd, wordt anderzijds in het tweede gedeelte veel daarvan losgelaten. Van Adam, van een eerste mens en van diens val én ongehoorzaamheid wordt daarin niet meer gesproken.
6e. Het is op grond van deze stand van zaken volkomen begrijpelijk dat de hoogleraren Van den Berg en Augustijn, medestanders van prof. Kuitert, hun (praeadviserende) stem aan deze uitspraak niet wilden geven.
7e. Het is op grond van Kuiterts in het V.U.-magazine gepubliceerde verklaringen niet te begrijpen dat hij met de synode-uitspraken instemde. Want daarin wordt uitdrukkelijk gesproken van onze EERSTE voorouders. Dit woord heeft immers alleen dan zin als daarmee bepaalde, in de aanvang der historie levende, mensen worden bedoeld.
Moet in verband met Kuiterts reaktie op de synodebesluiten misschien gedacht worden aan het weglaten van het woord EERSTE in de versie van het synodebesluit die Trouwen het V.U.-magazine publiceerden?
8e. Ik geloof dat prof. Runia gelijk heeft wanneer hij dat in wat op de laatste synode werd gezegd en besloten een diepgaand verschil openbaar is geworden in het omgaan met de bijbel. Of, anders gezegd, in de kaders waarbinnen men de bijbel interpreteerde.
Prof. Zuidema heeft dit verschil diepgaand genalyseerd in zijn in Philosopha Reformat a gepubliceerde studie: Een tweeslachtige theologische hermeneutiek.
ge. Wat op de synoden werd besloten en de interpreterende reakties daarop roept als vanzelf de herinnering op aan wat op en na de synoden uit de jaren veertig plaats vond.
En wel in tweeërlei opzicht. Vooreerst valt op de tegenstelling tussen wat toen en nu geschiedde. Als destijds de synoden zó geduldig, zó ruimhartig, zó consiliant ten opzichte van wie zij als afwijkers van de belijdenis beschouwde zou zijn geweest, was er nooit een "Vrijmaking" gekomen! Maar daarnaast valt ook een sterke overeenkomst op tussen wat vóór dertig jaar en wat onlangs geschiedde.
Ook toen volgden namelijk onmiddellijk op de synodebesluiten allerlei met elkaar strijdende interpretaties daarvan. Ik memoreerde ze destijds in de brochure "In den chaos". Het einde was een "terzijde stellen" van de toen gedane leeruitspraken. Wat zal nu volgen? Dat er nog veel volgen zal staat wel vast. We zagen in het synodale gebeuren immers niet meer dan de top van een ijsberg.
Daarom schreef ik boven die artikeltje "Tussentijdse balans".