Politieke balans
1973-01-12
In de commentaren op de jongste Tweede-Kamerverkiezing, die we hebben kunnen horen en/of lezen, zijn vooral twee aspecten naar voren gekomen: polarisatie en deconfessionalisering. Terecht!- Jaargang 17
- nummer 2
Onder polarisatie verstaat Imen verduidelijking en verscherping van de tegenstellingen.
Zo is het eigenlijk niet goed gezegd, want het gaat niet om verschillende tegenstellingen, het gaat om de éne tegenstelling van twee grootheden. Zoals de aardbol twee polen heeft, de Zuid- en de Noordpool, zoals men bij een ovaal spreekt van twee polen, zoals men in de wereld van de electriciteit spreekt van een min- en een pluspool, zoals we in de menselijke verhoudingen, figuurlijk sprekend, zeggen dat deze de tegenpool is van die, zo is in de politiek een ontwikkelingsproces aan de gang waarin het hoe langer hoe duidelijker gaat om één tegenstelling, die tussen rechts .en links. En daaronder wordt dan nu iets anders verstaan dan voorheen het geval was.
Voorheen verstond men onder "linksrechts" de antithese die er is tussen die politieke richtingen die niét en zulke die wél uitgaan van de Heilige Schrift als regel voor geloof en leven. Met betrekking tot het concrete verstaan van de Schrift in de actuele situatie kunnen er natuurlijk bepaalde verschillen bestaan, respectievelijk ontstaan, tussen degenen die zich onder haar als norm willen stellen. En dat wordt beïnvloed door verschillende factoren, als b.v. de kerkhistorische achtergrond, die zelfs tot zeer diep gaande verschilden van inzicht kunnen voeren, maar dat neemt niet weg dat er eenzelfde uitgangspunt is waarop men elkaar kan aanspreken en dat in de praktijk tot een redelijke samenwerking kan leiden. Aan de andere kant is er ook onder hen die zich niet aan de Schrift willen binden een zeer grote verscheidenheid, lopend van anarchie tot dictatuur.
Het principiele uitgangspunt is daar het vrijheidsbeginsel van de Franse revolutie, dat geen God en geen meester erkent: géén God boven ons die Heer is over alle mensen, alle schepselen, géén menselijke heer boven ons die over ons iets te zeggen heeft, over ons enig gezag te oefenen heeft, ieder is zijn eigen heer en meester, ieder heeft zelfbeschikkingsrecht. Deze politieke richting, die principieel niet-schriftuurlijk is, die principieel alle over ons gestelde gezag verwerpt, zou men naar de oorspronkelijke betekenis van het woord democratisch kunnen noemen. Het woord "democratie" betekent immers volksheerschappij. Volgens de democratie in deze oorspronkelijke betekenis is er niet een gezagsdrager die óver het volk gesteld is, daarover regeert, maar regeert het volk zichzelf, het volk heeft zelfsouvereiniteit.
Natuurlijk kan ook de democratie er niet aan ontkomen dat er mensen moeten zijn die de regeermacht uitoefenen. Maar volgens haar zijn die mensen gemandateerd door het volk. Het volk kiest die mensen, opdat ze in naam des volks regeren. En bevallen ze het volk niet meer dan stuurt dat ze naar huis om in hun plaats andere aan te stellen. Zij zijn vertegenwoordigers van het volk, en dat volk kan z'n vertegenwoordigers naar believen ontslaan.
We onderkennen nu direct al dat de democratie - ik bedoel dus de oorspronkelijke, principiële - tot een innerlijke tegenstrijdigheid voert. Zij begint met de tweeheid van overheid en onderdanen te loochenen het volk is z'n eigen overheid! -, maar die tweeheid is zó wezenlijk voor wat we "staat" noemen, is zózeer met de idee van "staat" gegeven, behoort zózeer juist tot het structuurprincipe van de staat, dat zij onmiddellijk na prijsgave van de tweeheid haar weer invoert. En dat gebeurt dan op verschillende manieren. Het kán zo gebeuren dat een grote groep van volksvertegenwoordigers, een volkscomité, het voor het zeggen krijgt. Het is in de geschiedenis meermalen gebeurd dat zo'n volkscomité, hoezeer ook de "vrijheid"
als leuze in z'n vaandel schrijvend, allerminst ieders vrijheid eerbiedigde, maar juist met geweld zijn ideeën en inzichten wilde doorzetten. En omdat het in zo'n situatie vaak een verwarde boel werd, een chaos, stond menigmaal één sterke man op die als vertegenwoordiger van het volk bij uitnemendheid gold en op z'n eentje het gezag ging handhaven op dictatoriale wijze. Zo is uit de Franse revolutie van het eind der achttiende eeuw keizer Napoleon voortgekomen, die, let wel, zich niet "keizer van Frankrijk" maar "keizer der Fransen" noemde.
Hij was dé Fransman bij uitnemendheid, de super-Fransman, hij was als het ware de top van een pyramide die onderaan begon met de brede volksmassa waaruit hij dan uiteindelijk opkwam. Principieel vanuit diezelfde gedachtenwereld is in 1870 het Duitse keizerrijk ontstaan: de Pruisische koning werd, let wel, niet "keizer van Duitsland" maar "Duits keizer". Hij verenigde om zo te zeggen in zijn persoon alle Duitse deugden, hij was als het ware de vleesgeworden Duitse geest, en zo trad hij op als de drager van Duitslands grootheid, van Duitslands adeldom, als de volbrenger van Duitslands missie in de wereld.
Maar Napoleon werd - was van het begin af - een dictator, die zich heus niet ernstig inspande voor verheffing van de lagere volksklassen. En zo ging het in de grond van de zaak ook met de Duitse keizer. Frankrijk heeft na Napoleon nog menige revolutie beleefd, en het is opvallend dat in dit land van de grote revolutie nog sociale wantoestanden bestaan die wij allang niet meer kennen. In Duitsland brak in 1918 de revolutie uit, die eerst tot een chaotische toestand voerde en vervolgens, daaruit voortkomend, tot de dictatuur van Hitler. Men sprak van het nationaal-
socialisme: Hitler was de belichaming van al het echt-Duitse nationale, en daarom was wat hij wilde echt nationaal en derhalve ook echt sociaal en socialistisch, Ieder was in principe méde souverein van Duitsland, had het méde voor het zeggen, maar allen waren om zo te zeggen in Hitler, hij was de éne, geweldige uitloper van het ganse Duitse volk. Wat hij wilde dát wilde het volk. En wanneer iemand er eens anders over dacht, dan kwam dat alleen maar hierom omdat hij op dat punt niet helemaal echt goed Duitser was, het echte Duitse niet recht inzag, daaromtrent in dwaling verkeerde. Die dwaling moest hij dan maar haastig prijsgeven, anders zou hij wel gedwongen worden om echt Duitser te zijn, echt Duits te denken en te handelen. Dat wil zeggen: hij zou er wel toe gedwongen worden blindelings voor de leider te bukken.
Een soortgelijke lijn is op te merken in de geschiedenis van Rusland. De revolutie van 1917 voerde tot de dictatuur van Stalin.
Het is vanzelfsprekend dat in zulke landen maar één politieke partij recht van bestaan heeft, dat bij een verkiezing slechts candidaten van één partij naar voren gebracht kunnen worden. Zij alleen zijn immers de ware dragers van de geest van het volk, de ware vertegenwoordigers van het volk. En het is vervolgens óók vanzelfsprekend dat zo'n volksvertegenwoordiging het altijd eens is met wat de top van het volk, die éne man, voorstelt. Men komt daar nooit in de moeilijkheid waarin Nederland op 't ogenblik verkeert.
Om misverstand te voorkomen voeg ik aan het bovenstaande toe dat meer dan eens door regeerders aanleiding is gegeven tot revolutie.
Regeerders hebben vaak misbruik gemaakt van hun positie, zij hebben vaak geen oog gehad voor velerlei nood onder het volk, voor sociale misstanden, zij zijn vaak niet erop uit geweest het volk te dienen zonder dienaren van het volk te worden, zij hebben vaak meer eigen grootheid en macht en rijkdom gezocht.
Het is volkomen verstaanbaar dat mensen, die wél oog hadden voor sociale noden en misstanden als b.v. in het Tsaristische Rusland bestonden, in verzet zijn gekomen. Het ontstaan van het socialisme is waarlijk niet raadselachtig. Vooral niet wanneer men nog bedenkt dat het wortelt in het historische materialisme van Karl Marx, waarin het materiële als uitgangspunt genomen wordt en beschouwd wordt als het spirituele overheersend: waarom steelt iemand? omdat hij niet genoeg heeft; welnu, geef hem genoeg, dan wordt hij een goed mens!
Er is (dit tussen haakjes) groot verschil tussen sociaal en socialistisch. Socialisme is principieel revolutionair, verheft het sociaaleconomische tot het alles beheersende in het leven; sociaal-zijn betekent, behoort te betekenen, dat we oog hebben voor de naaste, de medemens.
Nu is de geest der revolutie behalve de socialistische kant ook nog een andere kant opgegaan. De leuze: geen God, geen meester!
vrijheid voor ieder! heeft óók gevoerd tot het liberalisme. Liberaal, dat betekent vrijheidsgezind, en het betekent tegelijk vrijzinnig: ik ben vrij in m'n zinnen en denken, ik mag over de dingen denken zoals ik, heer en meester, zelf wil, ik heb geen gegeven norm waaronder ik me stel, geen norm die m'n denken en handelen bestuurt, ik heb geen vooroordeel, geen principieel uitgangspunt waardoor ik m'n denken en doen laat richten, ik ben vrij! En als ieder vrij is, welaan, laat dan ook ieder z'n eigen boontjes doppen, laat dan ook ieder voor zichzelf zorgen.
Déze vrijheidsidee heeft geen oog voor de naaste: die naaste is immers ook vrij, hij moet z'n eigen weg maar zoeken!
Het is duidelijk dat het liberalisme, de vrijheid verheffend en alle vooroordeel verwerpend, één groot vooroordeel heeft, namelijk het vooroordeel: ik ben vrij! En als consequent vandááruit gedacht wordt loopt de boel fout. Dan is er geen naaste voor wie we medeverantwoordelijkheid dragen, dan wordt het: ben ik mijns broeders hoeder?, dan geeft het niet of men met miskenning en achteruitzetting van een ander zoekt vooruit te komen, en dan zoekt men, eenmaal in een comfortabele positie aangeland, de gevestigde orde te handhaven.
Binnen het liberalisme zijn in de geschiedenis ook weer verschillende stromingen te onderkennen. Naast de liberalen, die helemaal bij de oorspronkelijke ideeën bleven, zijn er ook gekomen die toch meer oog hadden voor de verschillende lagen van de bevolking.
Er kwam destijds naast de Liberale Staatspartij een Vrijzinnig-Democratische Bond. Aan het woord "democratisch" kan men zien dat het inzicht was doorgebroken dat het gehele' volk, in ál zijn geledingen, een rechtmatige plaats heeft, moet hebben, in het bestel. Het is na de oorlog zo geworden dat, hoewel aanvankelijk iemand als Mr Oud, behorend tot de Vrijzinnig-Democraten, meegedaan heeft met de oprichting van de Partij van de Arbeid, de liberaal gezinden zich verenigd hebben in de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, de V.V.D. - dat betekent: veel vrije dagen! hoorde ik een schooljochie zeggen -.
Hoezeer nu heden ten dage socialisme en liberalisme scherp tegenover elkaar staan, zij stoelen - om de term van Kuyper te gebruiken - op één wortel. En nu is de narigheid deze dat zij tweeën ons voorgesteld worden als het alternatief "links-rechts". Dát is de polarisatie van vandaag de dag, het tegenover elkaar stellen van twéé polen, waartussen men moet kiezen. En, hoewel socialisme en liberalisme béide principieel links zijn - in het verleden hebben ze, hoezeer ook tegenover elkaar staand, meer dan eens de handen ineen geslagen om een kabinet van christelijke signatuur ten val te brengen -, gebruikt men hiervoor de terminologie links-rechts. Links is dan de richting die democratisering wil, in het bedrijfsleven, in het onderwijs, meer mogelijkheden voor wat men noemt de werknemers, verhoging van de inkomens, kortom maatschappijvernieuwing.
En rechts is de richting die meer wil vasthouden aan de eenmaal gevestigde orde, aan de handhaving van het gezag, aan de waarde van het geld etc.
Er is wel enige reden voor dat de terminologie "links-rechts" langzamerhand is gevuld met een totaal andere inhoud. Men onderkende ook vroeger in een christelijke - dus rechtse - partij wel een vleugel die meer behoudend was, en een vleugel die meer voelde voor hervormingen, en dan sprak men wel van de droite en de gauche, de rechteren de linker-(vleugel). Expres gebruikte men daar de Franse woorden voor en niet de Nederlandse: links-rechts, omdat die een andere inhoud hadden. Maar al was het dan Frans, het was dan toch maar zo dat men sprak van rechts en links. Anderzijds waren er in het linkse kamp ook verschillende stromingen, conservatieven en radicalen, socialisten en liberalen, dan nog weer vrijzinnig-democraten, en ook communisten.
Het alternatief "links-rechts" werd ons in de dertiger jaren voorgehouden door de N.S.B.: Mussert of Moskou! zo klonk het en zo was het te lezen. Er zijn maar twee mogelijkheden, twee polen. Het zou eerlijker geweest zijn wanneer men naast - tegenover - Moskou Berlijn gesteld had. Maar goed, het was dan Mussert of Moskou. En de partij van Mussert werd in die dagen al uiterst rechts genoemd, terwijl dan de communistische partij uiterst links was. Dit laatste is wel juist, maar het nationaal-socialisme was evengoed links, en op een extreme manier. Of we nu kwamen te staan onder de dictatuur van Hitler of onder die van Stalin - tussen die twee was nu waarlijk niet zo'n onoverkomelijke kloof. Hitler wist ook, toen het in z'n kraam te pas kwam, een overeenkomst met Stalin te sluiten. En Stalin zag daar op dat moment ook voordeel in. Het nationaal-socialisme is nu uit Nederland verdwenen, althans uit het openbare leven, maar nu wordt dan de partij voor Vrijheid en Democratie uiterst rechts genoemd. Met de communisten behoeven we hier nog niet zo erg te rekenen, die kunnen we wat betreft de vraag naar het bezetten van posten in het kabinet gevoegelijk buiten beschouwing laten. Maar de socialisten, die zijn present en geven duidelijk acte de présence. Liberalen en socialisten - niet het minst eerstgenoemden - hebben er in de verkiezingscampagne duidelijk op gewerkt zich af te zetten tegen de ander, zij hebben gewerkt aan de polarisatie. En dat is voor een belangrijk deel gelukt. De liberalen zijn sterk vooruitgegaan wat betreft hun zeteltal in de Tweede Kamer, de socialisten zijn ook vooruitgegaan, hoewel minder sterk. Naast de socialisten hebben hun vrienden van de Politieke Partij Radicalen hun aantal krachtig weten op te voeren, de derde in het bondgenootschap, D66, heeft het er minder goed afgebracht. Maar tesamen hebben de progressieve drie, zoals ze zich noemen, toch 4 zetels gewonnen.
De confessionele partijen zijn daarentegen tesamen 10 zetels achteruit gegaan. Weliswaar komt er één AR.-man meer in de Kamer, maar C.H.U. en K.V.P. hebben zoveel minder stemmen gekregen dat de drie tesamen er 10 zetels op verliezen.
Die confessionele partijen worden door degenen die hun uitgangspunt nemen in de éne tegenstelling rechts-links (in de nu gangbare betekenis), ook wel genoemd conservatieven en progressieven (behoudenden en vooruitstrevenden), beschouwd als een soort centrum-blok. Zij zitten ergens in het midden tussen rechts en links. En dan zijn er nog schakeringen: de ene politicus zit wat dichter bij rechts, de andere wat dichter bij links.
Maar de hele dub is toch een centrum-blok, een tussenin-groepering. Mr Burger zei op de avond van de verkiezingsdag, toen zijn commentaar op de uitslag gevraagd werd: de confessionelen zullen nu moeten kiezen; dat willen ze eigenlijk nooit doen, ze willen altijd van twee walletjes eten. M.a.w.: als het hun te pas komt gaan ze met rechts - de liberalen - in zee, en een andere keer, als hun dat zint, stappen ze met links in de boot.
Ze hebben gedurende de verkiezingscampagne noch de een noch de ander radicaal willen afwijzen als eventuele toekomstige regeringspartner, maar nu zullen we er haring of kuit van moeten hebben! De polarisatie - er zijn principieel maar twee richtingen en mogelijkheden, links en rechts - zet zich door en ieder zal zich naar dat patroon moeten voegen.
De uitdrukking: "van twee walletjes willen eten" klinkt niet erg sympathiek en "is niet erg sympathiek. Zij houdt in dat men uit is op eigen voordeel, dat men graag naar alle kanten - naar de twee kanten - de mogelijkheid open houdt voor eigen eer en heerlijkheid ministerposten te kunnen gaan bezetten. Het is best mogelijk - 't zijn allemaal mensen met verkeerdheden en gebreken -, dat zich onder de confessionelen vooraanstaande mensen bevinden die graag voor zich op de ministerpost zouden mikken.
In dat opzicht zijn ze evenwel heus niet slechter dan vooraanstaande politici uit andere kampen. Maar daar gáát het tenslotte niet om in de uitlating van Mr Burger, hij heeft het vermoedelijk niet eens zo kwaad bedoeld. Wat Mr Burger stelde: de confessionelen zullen nu moeten kiezen: vóór progressief en links of vóór conservatief en rechts, heeft als uitgangspunt dat er in de grond van de zaak een alternatief is: een keus tussen niet meer dan twee mogelijkheden.
In precies dezelfde geest werd gesproken op de vergadering van de partijraad van de P.v.d.A. gehouden op zaterdag 9 december.
Daar werd door de voorzitter gezegd dat de KV.P. gedrongen moest worden in de richting van een progressief beleid en dat dat mogelijk ertoe zou kunnen leiden dat in de toekomst die partij mede verantwoordelijkheid zou dragen voor zulk een beleid, terwijl de heer Den Uyl opmerkte dat de K.V.P. de keus zou moeten doen tussen de V.V.D. en de progressieve concentratie.
Het is te verstaan dat mensen die voor de principiële tegenstelling "rechts-links", dat is dus: al of niet vanuit de Schrift, geen oog hebben, het zo zien. Het is in de praktijk ook zo dat een christelijke partij in het ene geval, wat het concrete beleid betreft, het eens kan zijn met de socialisten en in het andere geval met de liberalen. Zij voelen vanuit het Evangelie voor de naaste, hebben oog voor zijn nood, zij komen op voor gerechtigheid in de samenleving, voor erkenning van het mens-zijn van de naaste. Maar aan de andere kant hebben zij oog, eveneens vanuit het Evangelie, voor 's mensen vrijheid en verantwoordelijkheid, voor de beperktheid van de staatsbevoegdheid en tegelijk voor de roeping van de overheid om gezag te oefenen.
Een christelijke partij is vanuit het Evangelie niet óf progressief óf conservatief.
Zij is vanuit het Evangelie progressief, vooruitstrevend, inzoverre zij zal erkennen dat we het volmaakte geenszins gegrepen hebben en dat we steeds naar hervorming hebben te zoeken en te streven. Maar zij is in zoverre conservatief, behoudend, dat zij niet zo maar het historisch gewordene en verkregene ondersteboven wil werpen doch in de lijn der historie naar verbetering zal staan.
Toen Jezus op aarde was en daar Zijn koninkrijk bracht wierp Hij niet alles, omver, hoezeer Hij daarop de meest scherpe en meest fundamentele kritiek had. Zijn koninkrijk was als een zuurdesem dat langzaam doorwerkt. En het is bergen gaan verzetten!
Een christelijke partij kán zich daarom van te voren niet binden aan de éne of de andere groepering, zoals de heer Den Uyl en zijn vrienden zich van te voren aan elkaar hebben gebonden, zelfs in deze vorm dat zij alvast maar een schaduwkabinet formeerden en presenteerden (bij de vorige verkiezing op nog krasser wijze dan deze keer). Dat zich niet willen binden wordt natuurlijk geschoven op een berekeningstactiek: eerst de kat uit de boom kijken en dán pas voor de dag komen. En het kan best zo zijn dat dat méé een rol speelt. Maar principieel is het zo dat een christelijke partij dat niet doen kan.
Het spreekt vanzelf dat de duidelijkheid daaronder lijdt. In elk geval dié duidelijkheid die slechts het dilemma "links-recht" (in de nu gangbare zin) ziet. Maar dié verwachte en gehoopte en geëiste duidelijkheid gaat dan ook van dat dilemma uit. En dat dilemma is onjuist.
Iets anders is dat bij de christelijke partijen vaak niet duidelijk wordt wat nu het woord "christelijk" in hun vaandel inhoudt.
Zij schijnen er tegenwoordig behoefte aan te hebben zichzelf christen-democratisch te noemen. Waarom? Het woord "democratie" dat eigenlijk volksheerschappij betekent, past niet bij een partij die principieel de volksheerschappij afwijst. In latere tijd is het woord ook zoiets als "volksinvloed" gaan betekenen.
Het volk heeft recht van meespreken.
Daarom hebben we een parlement (van het Franse parler = spreken). En dat is een goede zaak. Wanneer een volk in de loop der historie tot politieke mondigheid komt moet het niet gaan volgens de regel: zonder mij, over mij. Zo moet het ook niet gaan in een bedrijf. Een verstandig werkgever zal zijn werknemers betrekken in de gang van zaken.
Hij zal overleg plegen met zijn mensen: hoe zullen we dit aanpakken en hoe dat? (Tussen haakjes: "werkgever" en "werknemer" zijn eigenlijk erg nare termen; aldus benoemd zijn deze mensen de zelf-souvereine lieden die werk geven en nemen.) Democratie, bedoeld in de zin van volksinvloed is een goed iets. Maar waarom noemt men zichzelf zo graag democratisch? Zou het niet zijn om, weer het dilemma links-rechts, progressiefconservatief als uitgangspunt nemend, aan de linkerzijde en óók bij de kiezersmassa de indruk te wekken: wij zijn heus wel vóór het volk, wij willen heus wel op de bres staan voor de gewone man, wij zijn niet autoritair gezind?
In de kringen van de KV.P. leeft dit, dunkt mij, het meest. Daar is men het meest geporteerd voor een Christen-Democratische Unie, die de drie grotere confessionele groeperingen in één partij verenigt. Maar dáár is ook na de verkiezing duidelijk de wens uitgesproken dat een "links" kabinet zou worden geformeerd, en ook dat men nu maar eens moest ophouden met te lonken naar A.R. en C.H. Het is begrijpelijk dat de progressieve drie, alvorens hun bereidverklaring een kabinet te vormen in daden om te zetten, juist van de KV.P. de belofte verlangen niet apriori zulk een kabinet het regeren onmogelijk te maken. Dat hele gedoe is eigenlijk een hoogst kwalijke zaak. Wanneer een regeringskabinet optreedt behoort het zo te gaan dat elk wetsvoorstel op z'n eigen mérites bekeken wordt. Is het goed dan moet men ervóór stemmen, is het slecht dan moet men het bestrijden en ertegen stemmen.
Maar men moet niét, ómdat een voorstel komt van een "linkse" regering, ertegen stemmen aangezien men nu eenmaal politiek in een andere hoek zit. Dat van te vóren al een belofte in deze richting gevraagd wordt tekent de verwording van onze politieke toestand.
Het tekent ook opnieuw de polarisatie.
En hierbij is nóg iets aan de hand. De heer Den Uyl wenst een binding van het kabinet aan de fracties in de Tweede Kamer. Nu is het kabinet dat hij wdl formeren slechts "gebonden" aan de drie fracties, die echter met elkaar geen meerderheid vormen. Dáárom ziet hij geen kans tot werkelijke kabinetsformatie te komen zónder de genoemde belofte.
Mét die belofte heeft hij dan min of meer de K.V.P.-fractie ook "gebonden", en dan is er een meerderheid in de Kamer.
Maar van K.V.P.-zijde wordt in dit verband onomwonden gezegd: wij voelen er niet voor als bijwagen van de progressieve drie te fungeren; áls we dan mee moeten doen, dan willen we ook mede regeringsverantwoorde-
Iijkheid dragen.
Het moest eigenlijk een vanzelfsprekende zaak wezen dat de leden van de Tweede Kamer telkens weer, bij elk wetsvoorstel, in het besef van hun verantwoordelijkheid als vertegenwoordigers van het Nederlandse volk, onderzoeken en zich afvragen of met zo'n wet het belang van het volk gediend wordt.
Dát alleen mag het criterium zijn. En geen rol mag spelen de vraag: welk kabinet of welke minister heeft het voorstel ingediend?
Het is echter helaas hoe langer hoe meer zo geworden dat de leden van de Kamer zichzelf bezien als vertegenwoordigers van een partij. En nog een stapje verder: men gaat de leden van het regeringskabinet beschouwen als vertegenwoordigers van partijen.
Niet maar: meneer X zit in de Kamer voor die of die partij - dat is al fout! -, maar ook: meneer X zit in het kabinet voor die of die partij - dat is nog veel erger fout! -.
Ik heb de indruk dat de heer Den Uyl in déze lijn zijn binding van het kabinet aan de fracties ziet. En dan moeten dié fracties die in het kabinet “vertegenwoordigd" zijn natuurlijk het regeringsbeleid steunen. Men is niet vrij tègen te stemmen. Deze gedachte leeft min of meer overal wel, althans in de kringen van die partijen uit wier midden al eens mensen een ministerspost bezet hebben.
En het is enerzijds ook vanzelfsprekend dat de fracties van die partijen uit wier midden de ministers benoemd zijn het beleid van zo'n kabinet zullen steunen. Maar dat mag met gebeuren, omdat het hun mensen zijn die dat beleid vormen, dat mag alleen omdat zij het met de lijnen van dat beleid eens zijn.
Een kabinet komt tot stand, méde op grond van de samenstelling van de Kamer, opdat een vruchtbare samenwerking, een vruchtbaar samenspel mogelijk zij. Maar is het kabinet er eenmaal dan heeft het zijn eigen zelfstandigheid en verantwoordelijkheid terwijl de Kamer óók haar eigen zelfstandigheid en verantwoordelijkheid heeft.
Het is ook eigenlijk een wat vreemde zaak dat een kabinet verdwijnt wanneer er verkiezing van een nieuwe Kamer geweest is.
Een kabinet behoort te verdwijnen wanneer er zulk een botsing komt met de Kamerdoor het afstemmen van een ingrijpend wetsvoorstel of door de aanneming van een ingrijpende motie van wantrouwen of iets dergelijks - dat het kabinet de verdere verantwoordelijkheid niet op zich kan nemen. Het kabinet Biesheuvel behóefde niet de portefeuilles ter beschikking te stellen toen twee ministers meenden niet langer te kunnen meewerken. Er was géén botsing met de Kamer.
Maar ook déze houding vloeide weer voort uit de idee van binding van het kabinet aan fracties. De heer Biesheuvel had in de plaats van de twee weggaande ministers twee andere kunnen zoeken. En het was helemaal dwaasheid dat men daarna ging spreken van het tweede kabinet Biesheuvel. Het was hetzelfde kabinet, ook nog afgezien van het feit dat dezelfde personen erin bleven zitten minus de twee heengegane. Maar ook in deze dingen zal de polarisatie wel een rol gespeeld hebben.
Die polarisatie: het dilemma links-rechts, progressief-conservatief, democratisch-autoritair, werkt ook de deconfessionalisering in de hand. Men gaat denken vanuit déze tweeheid, vanuit dit alternatief, en ziet een reëel verband tussen christendom en politiek niet meer zitten. Dat spreekt het sterkst in de kringen van K.V.P. en C.H. Een belangrijk aantal Rooms-Katholieke "werknemers" heeft op Den Uyl gestemd en zo zal het ook wel zijn met "werknemers" die voorheen C.H.
stemden en mogelijk ook met AR.-mensen.
En ik maak me sterk dat heel wat welgestelde Rooms-Katholieke industriëlen liberaal gestemd hebben, hetgeen wellicht ook geldt voor oorspronkelijk AR. of C.H. stemmenden.
Men ziet geen verband meer tussen Evangelie en politiek, óók al omdat de confessionele partijen erin tekortschieten dat doorzichtig te maken, en men laat zich dringen in het alternatief dat van andere kant hoe langer hoe meer opgedrongen wordt. Dat het verband tussen Evangelie en politiek zo weinig duidelijk wordt ligt ook, en in niet geringe mate, hieraan dat in allerlei kerken leidinggevende personen het accent van de verlossing helemaal of bijna helemaal leggen op de intermenselijke verhoudingen, op wat men noemt de horizontale lijn, terwijl de verticale lijn, de verhouding tussen God en ons, op de achtergrond komt te staan of geheel in de mist verdwijnt. Nu moet gezegd worden dat in het verleden de kerk de kerkmensen, vaak te weinig aandacht besteed hebben aan het intermenselijke. In christelijke kring was de houding van menigeen praktisch liberaal. Het is niet helemaal bevreemden?
dat, ik meen in de twintiger jaren, een Christen-Democratische Unie werd opgericht, waarvan heel wat mensen die altijd AR. of C.H. gestemd hadden lid werden. Hier ligt m het verleden een schuld, en die rekening wordt gepresenteerd.
Uit de deconfessionalisering en de polarisatie, die wederzijds op elkaar inwerken is m.i. ook de grote winst van de P.P.R. te verklaren: de P.P.R. behoort tot de "progressieve concentratie" maar had als lijstaanvoeder een Gereformeerd iemand. Allerlei mensen die eigenlijk wel "links" wilden stemmen maar toch niet helemáál los waren van een band tussen Evangelie en politiek hebben hier hun heil gezocht. Maar het proces schrijdt voort en werkt door. Het is al wel eens openlijk gezegd dat we in Nederland naar een twee-partijenstelsel moeten zoals men dat in Engeland heeft - de liberalen daar kan men gevoegelijk verwaarlozen -, en in grote mate ook in Duitsland, al speelt daar de partij van Scheel ook nog wat mee.
Dit is een betreurenswaardige ontwikkeling.
Een ontwikkeling die haar wortel heeft in de idee dat we in de politiek alléén maar met menselijke verhoudingen te doen hebben, dat we daar niet te maken hebben met God en met Zijn Woord, het Evangelie, al blijft er dan voor individuele ménsen over dat zij hun praktisch-politieke denkbeelden . willen gronden op het Evangelie. In wézen hebben we echter dan alleen te maken met het alternatief dat intern in principieel-links aanwezig is.
Nu zal ik de laatste zijn die beweert dat het eenvoudig is het Evangelie te "vertalen" in een concreet politiek program met daaruit voortvloeiend beleid. Christelijke politiek is nog wel iets anders dan het aanheffen en hanteren van enkele een "christelijke" massa gemakkelijk aansprekende leuzen. Hij die, christen zijnde, op een politieke post geroepen wordt, zal altijd o.a. moeten bedenken dat in de nieuwtestamentische bedeling niet meer een bepaalde natie de kerk vormt maar dat de kerk vergaderd wordt uit alle volkeren, dat een regering, bestaande uit christen-mensen, dus niet het recht heeft haar christelijke opvatting en normen als landswetten aan het volk op te leggen. Hij zal ook moeten bedenken dat het koninkrijk Gods werkt als een zuurdesem om dan in dié lijn te trachten invloed te oefenen. Dat is erg moeilijk wanneer het gaat om een concreet beleid. Maar het zal toch in dié richting gezocht moeten worden, En dan zal publiekelijk duidelijk moeten worden dat dit of dat beleid in die richting gaat en dat dat waarlijk verlossend werkt en in het waarachtig belang van het volk is.
Groningen, 11 december 1972.