• De kwestie-Kuitert

1973-01-12
  • Jaargang 17
  • nummer 2
Iedereen die ook maar enigszins meeleeft met wat er in de kerkelijke wereld te koop is weet wel zo ongeveer wat er met de woorden die boven deze persschouw staan wordt aangeduid.
Tegelijk vermoed ik dat er maar zeer weinigen zijn die dat ten volle doorzien. Er werd op de synode gezegd dat wat in deze "kwestie" aan de orde kwam niet meer was dan de piek van een ijsberg die boven het water uitsteekt. Zoals men weet blijft van een ijsberg zeker 90% onder water!
Kuitert heeft zelf eens gezegd dat we in wat hij propageert te doen hebben met het begin van een "aardverschuiving" in de theologie. En voor zover ik dat kan nagaan moet ik zeggen dat hij daarin volkomen gelijk heeft. De wending die hij met zijn beschouwingen in de theologie en het belijden van de kerk heeft geïntroduceerd kan nog niemand geheel overzien. Maar het staat wel vast dat als het bekende begin consequent word t vervolgd, belijden en theologie een radikale, d.w.z. een tot in de wortel gaande verandering zullen ondergaan.
Ik zal in deze persschouw enkele reakties op "de behandeling van één onderdeel van de kwestie-Kuitert, namelijk van de vraag hoe we over "de val in het paradijs" moeten denken, opnemen. Maar eerst geeft ik de synodebesluiten zelf door.

Ik zal beginnen bij het begin.
Dat is het besluit van een vorige synode, die van Amsterdam 1967/68.
In de acta daarvan leest men dat de synode uitsprak (art. 209 sub 3):

"dat hetgeen in de belijdenis der kerk (Zond. 3 en 4 van de Heid. Catechismus, art. 14 en 15 van de Ned. Geloofsbelijdenis) over de oorsprong der zonde en de gevolgen van de zondeval onder woorden is gebracht de fundamentele betekenis, die de Schrift in het Oude en Nieuwe Testament (o.m. in Romeinen 5) aan deze geschiedenis toekent, duidelijk tot uitdrukking brengt en daarom ook als van wezenlijk belang voor de verkondiging van het evangelie, door de kerk als gezaghebbend dient te worden gehandhaafd."

Omdat Kuitert uitdrukkelijk ontkende dat we in het in Gen. 3 verhaalde te doen hebben met een historische, een feitelijke gebeurtenis .kwamen er bij de volgende synode veel bezwaarschriften tegen de opvatting van Kuitert in. Zoals men weet zag Kuitert in het verhaal van Genesis 3 een z.g. "leermodel" waarin ons gezegd wordt hoe het er met ieder mens in alle tijden voorstaat. Zonder dat dit een feitelijk-historische achtergrond heeft.
Van wat de volgende synode, die van Sneek, toen uitsprak citeren we dit fragment (art. 444 sub. 2, 4, 5, 6).
2.

"dat de synode moet vaststellen, dat de ontkenning door dr Kuitert, van de historiciteit van de zondeval als de afwending van de mens van zijn God aan de aanvang van de menselijke geschiedenis, niet in overeenstemming is met hetgeen de synode van Amsterdam 1967/1968 in haar uitspraak (sub. 3 in art. 209): "dat hetgeen in de belijdenis der kerk (zondag 3 en 4 van de Heidelberger Catechismus, art. 14 en 15 van de Ned. Geloofsbelijdenis) over de oorsprong der zonde en de gevolgen van de zondeval onder woorden is gebracht de fundamentele betekenis, die de Schrift in het Oude en Nieuwe Testament (o.m. in Rom. 5) aan deze geschiedenis toekent, duidelijk tot uitdrukking brengt en daarom ook als van wezenlijk belang voor de verkondiging van het evangelie door de kerk als gezaghebbend 'dient te worden gehandhaafd", heeft aangewezen.
4. dat in deze situatie, hoe onbevredigend deze ook zij t.a.v. de onderlinge eenheid, toch ook met blijdschap mag worden geconstateerd, dat alle leden van de synode vasthouden aan 'het belijden, dat God de mens goed geschapen heeft tot de liefdesgemeenschap met Hem, maar dat de mens in moedwillige ongehoorzaamheid geweigerd heeft en weigert in deze gemeenschap te leven, dat heel de mensheid van God is vervreemd, aan de slavernij der zonde is vervallen en slechts gered kan worden door Gods genadig ingrijpen; 5. dat zij daarom van oordeel is, dat de eenheid van het kerkelijk belijden niet op een zodanige wijze in geding moet worden geacht, dat daarover thans nadere beslissingen zouden moeten worden genomen.
6. dat zij een deputaatschap instelt, om in deze situatie het gesprek voort te zetten, in een ernstig zoeken naar onderlinge eenheid, ook in die zaken waarin duidelijk verschil van mening openbaar werd."
De synode van Sneek herhaalde dus wat haar voorgangster had uitgesproken.
Maar ze deed meer.
Ze stelde blijkens het geciteerde stuk namelijk een soort "Eenstemmigheidsverklaring" op, waarin de zondeval niet in de strikte gebondenheid aan Gen. 3 en Rom. 5 en zo ook niet in overeenstemming met de belijdenis - wordt weergegeven.
Deze "Eenstemmigheidsverklaring" (over de goede schepping en de moedwillige ongehoorzaamheid van de mens) was voor de synode van Sneek een voldoende reden thans "geen nadere beslissingen te nemen".
Gehandhaafd bleef dus de uitspraak dat Kuitert met zijn opvattingen in strijd was met de Schrift en de belijdenis. En daarom moest het gesprek met Kuitert worden voortgezet.
Dat zou moeten geschieden met een deputaatschap waarin benoemd werden ds H. A. v. d. Linden, ds B. J. F. Schoep, H. Algra, Mevr. J. G. Kraayeveld-Wouters, G. Puchdnger, prof. N. H. Ridderbos (rapporteur), ds A. Meeder, ds J. Schelhaas, dr R. Rietveld, prof. G. H. Rothuizen en dr C. Rijnsdorp.
Dit deputaatschap heeft aan de synode eerst twee rapporten aangeboden (een "Voorlopig Rapport" en een "Nader uitgewerkt Rapport").
Het kwam op de laatst gehouden synodevergadering uiteindelijk met een Afsluitend Rapport. Dat is te zeggen met een Meerderheidsrapport. en een Minderheidsrapport (van ds Meeder en ds Schelhaas), Ik zal de lezers niet vermoeien met de weergave van de inhoud van deze rapporten.
Ik memoreer alleen dat het Meerderheidsrapport uitsprak dat het gebleken is "dat prof. Kuitert weliswaar de historiciteit van de zondeval niet aanvaardt, maar wel, mede op grond van Gen. 1-3, vasthoudt aan het belijden, dat van de aanvang van de menselijke geschiedenis af heel de mensheid door moedwillige ongehoorzaamheid van God vervreemd is".
Het rapport constateert dan dat met grote duidelijkheid opnieuw is gebleken dat er onder ons inderdaad eenheid bestaat in het belijden, gegrond o.m. op wat ons in Gen. 1-3 geopenbaard is, dat God de mens goed geschapen heeft tot de liefdesgemeenschap met Hem. En dan citeert dit rapport verder de zojuist onder 4 geformuleerde "Eenheidsverklaring".
In het Minderheidsrapport werd gesteld dat prof. K. te veel poneert en te weinig argumenteert vanuit de Heilige Schrift als geheel en vanuit de belijdenis.
Het gaat dan zo verder: "Hoe kan de belijdenis van de goedheid van de schepping (voor prof. K. een centrale religieuze categorie) in alle ernst worden volgehouden, als tegelijk het verhaal van Gen. 3 ons zou leren, dat de mens van de aanvang van de menselijke geschiedenis af zondaar is geweest?"
"In de kring van ons deputaatschap wordt in feite verschillend gedacht over de aanvaardbaarheid van de combinatie, die prof. K. trachtte te vinden tussen de ontkenning van de historiciteit van de zondeval en de belijdenis van de door God goed geschapen mens."
"Wij menen dan ook, dat de zo zeer begeerde eenheid van belijden op z'n minst is zoekgeraakt, doordat de discussie is vastgelopen op een zo fundamentele kwestie als de historiciteit van de zondeval.
En een herstel van deze eenheid van belijden kan slechts bereikt worden als wordt uitgesproken, dat het standpunt van prof. Kuitert niet te verenigen valt met wat in de Heilige Schrift is geopenbaard en wat voor onze kerken in gehoorzaamheid aan die Schrift in de belijdenis wordt verwoord."

Zoals te doen gebruikelijk is werden door de synode de bij haar over deze zaak ingekomen rapporten aan een commissie in handen gegeven die de bespreking van de ingekomen rapporten op de vergadering der synode moest voorbereiden.
Deze commissie kon evenmin als het college van deputaten tot een eenstemmig advies komen. Er kwam ook weer een meerderheids- en niet minder dan twee minderheidsrapporten.
Het meerderheidsrapport sloot zich praktisch aan bij het meerderheidsrapport van de deputaten. Het kwam tot de conclusie "dat voldaan is aan de opdracht van de synode van Sneek en aan die van deze synode om ernstig te zoeken naar onderlinge eenheid, ook in die zaken waarin duidelijk verschil van mening openbaar werd, om tot voldoende helderheid te komen om een afrondende beoordeling te geven." En daarom' meende de meerderheid, dat het gesprek met prof. Kuitert kon worden beëindigd.
In het eerste minderheidsrapport (van de predikanten Van Til en Borgers) wordt aan de synode voorgesteld - omdat dr Kuitert "de historiciteit van de zondeval blijft verwerpen en het gemeenschappelijk belijden in uitspraak art. 444 sub 4 van de synode van Sneek (de bovengenoemde "Eenstemmigheidverklaring" - C.V.) niet effectief is gebleken tot revisie van zijn standpunt - uit te spreken: ,,1. dat de historiciteit van de zondeval een zo fundamentele plaats inneemt in de Heilige Schrift en in de belijdenis van onze kerken en van zo wezenlijk belang is voor de verkondiging van het Evangelie, dat die niet geloochend kan worden zonder schade toe te brengen aan de bijbelse visie op het volle werk van Christus.
2. dat de loochening van de historiciteit van de zondeval de verankering van de diepe dimensie van onze schuld in Adams zonde wegneemt."
In de tweede minderheidsnota (die werd ingediend door ouderling V. Houweling) werd aangedrongen op een voortgaand gesprek met dr Kuitert om helderheid te brengen ten opzichte van de vraag "in hoeverre de theologische gedachtengang van dr Kuitert voorzover zij met de belijdenis in strijd komt, vanuit de Schrift bezien, legitiem kan worden genoemd."
Zoals ieder weet heeft de synode zich op de historische woensdag intensief met de voorstellen van de rapporterende oommissie bezig gehouden. Tientallen synodeleden voerden het woord!
Ik zal daarvan hier niets meer releveren. De kranten hebben daar al heel wat over gezegd.
Van belang is alleen wat de synode uitsprak.
en dat geef ik hier in extenso weer:

De synode heeft geconstateerd dat het voortgezet gesprek verheldering heeft gebracht inzake de theologische gedachtengang van dr H. M. Kuitert ten aanzien van de vragen rondom Genesis 2 en 3 en wel op de volgende punten: a. zijn stellige afwijzing van de gedachte dat de zonde een noodzakelijke fase in de ontwikkeling van de mens zou zijn; b. het feit dat hij zijn opvatting over Genesis 2 en 3 niet gekarakteriseerd wil zien als slechts een doorlichting van het heden van ieder mens (de 'Elckelyck' gedachte): c. zijn aanvaarden van de werkelijkheid dat de mens van meet af zich van zijn God heeft afgewend en daarom ten volle verantwoordelijk is voor de schuld van de zonde; d. het feit dat hij - hoewel hij de poging om dit vallen van de mens uit God's bedoeling in de tijd te localiseren of op een andere wijze nader te preciseren geen zaak van kerkelijke belijden, maar van theologische conceptie acht - deze moedwillige ongehoorzaamheid van de mens zelf als een onopgeefbaar kernpunt van het belijden beschouwt.
De synode heeft voorts geconstateerd dat evenwel ook verschilpunten ten aanzien van de vragen aangaande Genesis 2 en 3 zijn overgebleven.
De synode is van oordeel dat, mede gelet op de bespreking der vergadering, haar discussie over deze zaak althans op dit moment beëindigd dient te worden.
De synode besluit: 1. Vast te houden aan de uitspraken van de generale synoden van Amsterdam 1967/68 en van Sneek 1969/70 met betrekking tot de vragen aangaande Genesis 2 en 3; 2. In overeenstemming daarmee het volgende nadere getuigenis tot de kerken te doen uitgaan: Als kerk van Christus met eerbied luisterend naar wat de Heilige Schrift in de eerste hoofdstukken van Genesis openbaart, spreken wij uit: a. dat God de wereld goed geschapen heeft; b. dat de mens, die ook goed geschapen was, in moedwillige ongehoorzaamheid zich heeft afgewend van zijn God; c. dat deze val en ongehoorzaamheld van onze voorouders, zoals die als een gebeuren in Genesis wordt geopenbaard, in Schrift en belijdenis een fundamentele plaats inneemt en van wezenlijk belang is voor de verkondiging van het Evangelie; 1) d. dat de mens van deze schuld alleen bevrijd kan worden door het verlossend heilshandelen van God in de tweede .Adam, zijn Zoon en onze Heer Jezus Christus.
3. aan alle kerken mededeling te doen van deze uitspraak in de verwachting dat alle ambtsdragers bij de vervulling van hun ambtelijke arbeid hiermee ernstig rekening zullen houden.
Dit was de korte weergave van wat vóór en dóór de laatste synode geschiedde.
De lezer lette vooral op de (door mij - C.V.) onderstreepte passages in de besluiten. Die geven de kern van de 'aanhangige kwestie weer.
Ik wijs er in verband met later komende reakties alleen nog op dat prof. Augustijn ter synode verklaarde dat z.i. de aanvaarding van een historische zondeval een onmogelijke zaak is. En dat je als je Gen. 3 historisch leest je het verhaal vermoordt. De zondeval is een zaak van het geloof. De hoogleraren Bakker en Van den Berg zagen de staat der rechtheid als een "grensbegrip".
Eenheid van gevoelen over deze zaak was huns inziens niet noodzakelijk.

Zoals ik zei wil ik hier ook enkele reakties op de genomen synodale beslissingen weergeven.
Vóór alles die van prof. Kuitert zelf.
Hij heeft er zich over uitgelaten in een interview dat hij met een redacteur van het V.U.-magazine had.
Ik geef hier het desbetreffende deel van het interview weer.

VU-magazine: Men bedoelde de ruimte te scheppen?

Prof. Kuitert: "Ja natuurlijk. Dat is zonder enige twijfel wat die uitspraak wilde zeggen.
En dan interpreteer ik hem echt niet naar mij toe. En alle mensen, die het anders zeggen, daarvan durf ik wel te zeggen, dat ze tegen beter-weten-in praten, want er was eerst een ander ontwerp van een uitspraak die nog vol dingen stond, waarvan een kind kon begrijpen dat die voor mij, en vele anderen op de synode, de oude koers zou voortzetten.
Toen is die uitspraak teruggenomen met de uitdrukkelijke verklaring dat ze dàt nu juist niet wilden.
Daarom heb ik voorgesteld om te laten zien, dat ik niet zo'n al te rechtvaardige man wil zijn, die alle puntjes op de i moet hebben; dat het mij gaat om de ruimte, waarin een mens er over mag denken zoals hij zelf het liefste doet. En dàt is nu gebeurd, vind ik.

VU-magazine: Prof. Van den Berg en prof; Augustijn onthielden zich van stemming.

Prof. Kuitert: "Daar waren sommige mensen wat boos over. Daarom heeft Van den Berg de volgende dag een verklaring afgelegd ook namens Augustijn dat de uitspraak risico's in zich heeft van een meervoudige uitleg. Ze waren niet tégen, maar ze vonden dat die dubbelzinnigheid risico's kon opleveren. Natuurlijk is de uitspraak dubbelzinnig. Het is goed dat ze dat openlijk verklaarden, want nu ligt dat ook notulair vast. De bedoeling van die uitspraak was ook dubbelzinnig te zijn. En dat niet in de slechte zin van het woord. Ik denk dat als je niet-dubbelzinnige taal wilt spreken, je al bijna naar de wiskunde moet. Zo bedoelt men het wel vaker in een kerk, woorden te spreken waarvan meerderen kunnen zeggen: daar kunnen we ons niet in vinden, Er zijn natuurlijk wel grenzen aan toelaatbare meerduidigheid, b.v. als je precies het omgekeerde ermee zou bedoelen, maar in dit geval ... Er is eindeloos over gepraat.
Jàren. Waarom staat er in punt c niet "gebeurtenis" maar "gebeuren"?

VU-magazine: U had niet kunnen voorstemmen als er "gebeurtenis" had gestaan?

Prof. Kuitert: Nee. Je moet ook goed weten, dat hier stukken achterliggen, een uitvoerig rapport waarin gesproken wordt over "zondeval als gebeuren", een stuk van Van Peursen, waarin hij zegt: dat betekent niet dat je het fixeert op een moment; het is geen natuurlijk gebeuren, maar een ethisch gebeuren.
Het betekent dat het voor de verantwoordelijkheid van de mèns komt, dat er zonde is.
Ik ben uit Lunteren naar huis gegaan met het idee, dat ik nu ook sommige dominees beter begreep. Ik heb wel eens gedacht dat ze oneerlijk waren. Want ze weten precies hoe ik er over denk. Ik heb over die kwestie van Adam wel tien keer op dat kathedertje voor de synode verklaard: Adam en Eva hebben als historische personen niet bestaan; zeg maar wat er gebeuren moet. Mag ik er in of mag ik er niet in? Toch zoeken ze naar formuletjes en vragen me dan of ik het ermee eens kan zijn. Eerst dacht ik vaak: jullie zijn niet eerlijk, maar nu denk ik over sommigen weer heel wat sympathieker. Ik denk, dat ze aan de mensen in hun gemeente dachten die het niet kunnen meemaken. Het was een soort pastorale bewogenheid met deze mensen, die hen deed zoeken naar formuletjes.
Prof. Kuitert verklaart in deze uitspraken dus dat de synode haar uitspraken opzettelijk dubbelzinnig heeft geformuleerd. En dat hij bij zijn oude standpunt blijft dat er nooit een Adam heeft bestaan. En er van een op een bepaalde plaats en op een bepaald moment geschiede val nooit sprake is geweest.

Op de interpretatie van de door de laatste synode genomen leerbesluiten zoals die door dr Kuitert werden gelanceerd kwamen nog al wat reakties los.
Ik geef er twee door.
De eerste is van ds A. C. van Nood van Velzen, die zelf lid was van deze synode. Hij plaatste in "Trouw" het volgende.

Ik aarzel niet om de weergave van wat er werkelijk ter synode gebeurd is - zoals dit in het interview met prof. Kuitert, overgenomen uit het VU-magazine, staat te lezen een karikatuur te noemen. Zéér betreurenswaardig in de situatie op dit moment!
De synodale uitspraak wilde hellemaal niet dubbelzinnig zijn en is dit ook niet. Ook niet ten aanzien van het daarin voorkomende woord 'gebeuren' in de uitspraak. Want vergeet niet, dat deze synode bleef vasthouden aan de uitspraken van Amsterdam en Sneek, waarin staat, dat hetgeen in de belijdenis der kerk over de oorsprong der zonde onder woorden is gebracht, de fundamentele betekenis, die de Schrift aan deze geschiedenis toekent, duidelijk tot uitdrukking brengt.
Daarom stelde de synode vast, dat de ontkenning van de historiciteit van de zondeval, als de afwending van de mens van zijn God aan de aanvang van de menselijke geschiedenis, daar niet mee in overeenstemming is.
Daar is niets aan veranderd! Het woord 'geschiedenis' en 'gebeuren' heeft een duidelijke inhoud. De zondeval van de mens, van onze eerste voorouders, is in de geschiedenis gebeurd.
Dat is een duidelijke uitspraak van de synode. Aan de theologen van de VU besloot de synode te verzoeken - en daarbij werd stellig en met name óók aan prof. K. gedacht! - bij het uitdragen van de resultaten van hun theologische onderzoek de nodige zorgvuldigheid ten opzichte van de kerken in acht te nemen. Dat was blijkbaar niet steeds gebeurd. Maar die gevraagde 'zorgvuldigheid' zal zeker moeten plaatsvinden, wanneer prof. K. zich laat interviewen.

De tweede is van een ander synodelid. namelijk is J. L. van Apeldoorn uit Bilthoven.

Het woord 'dubbelzinnig' (waarvan ik me niet herinner, dat prof. Van den Berg het ter synode gebruikte), heeft onder ons een ongunstige betekenis. Ik neem direct aan dat prof. Kuitert het woord in neutrale zin heeft bedoeld en niet in die ongunstige zin. Het besluit van de synode was dan ook niet dubbelzinnig in die ongunstige zin. Dit besluit wilde alleen zeggen dat mensen die over het gebeuren dat ons in Gen. 3 wordt verteld, verschillend denken (sedert de opheffing van Assen 1926 is het niet meer nodig dit verhaal in letterlijk zintuiglijk waarneembare zin te verstaan; het mág, maar hoeft niet!) elkaar hebben gevonden in een gemeenschappelijke verklaring, waar ieder achter kon staan, zonder dat er een dubbele bodem in zit. Daarom betreur ik het gebruik van het woord 'dubbelzinnig' dat nu eenmaal een ongunstige gevoelswaarde heeft.
Zoals men merkt staat wat deze beide synodeleden over de synodebesluiten zeggen.
vierkant tegenover elkaar.
Wat evenwel veel belangrijker is, is dat het moderamen van de synode, bij monde van de praeses van de synode, dr Kruyswijk, kritisch op de uitlatingen van dr Kuitert heeft gereageerd.
Hier volgt die reaktie:

"Wij zijn van oordeel dat prof. dr H. M. Kuitert met zijn opmerking: 'De bedoeling van die uitspraak wàs ook dubbelzinnig te zijn door hem gemaakt in een interview, gepubliceerd in het decembernummer van het VUmagazine (Trouw/Kwartet berichtte daarover op 6 december jl., C.V.) - niet recht doet aan de synodale ontwikkeling en besluitvorming.
Wel verre van voor de ambtsdragers een situatie te scheppen, waarin 'een mens er over mag denken zoals hij dit het liefste doet' stelde zij in de aanvang van haar besluit, 'vast te houden aan de uitspraken van de generale synoden van Amsterdam 1967/68 en van Sneek 1969/70, met betrekking tot de vragen aangaande Genesis 2 en 3; het gehele besluit kan dan ook slechts tegen de achtergrond van die vroegere uitspraken worden gelezen.
Het zou te ver voeren om die uitspraken hier te herhalen. Slechts valt te herinneren aan de vaststelling van Sneek 1970, dat prof. Kuitert met zijn ontkenning van de historiciteit van de zoudeval niet in overeenstemming was met de uitspraken van Amsterdam 1967; vooralsnog behoefden echter geen nadere beslissingen te volgen, omdat toch met blijdschap mocht worden geconstateerd dat eenstemmigheid bestond in het belijden, dat de 'schepping goed uit Gods hand is voortgekomen en dat de mens de zonde uitsluitend aan zichzelf te wijten heeft.
Nu het voortgezet gesprek met prof. Kuitert over deze dingen tot een afsluiting is gekomen, was het de taak der nu gesloten synode om een uitspraak te doen over de resultaten ervan, Dat zij tot vrijwel algehele eenstemmigheid heeft mogen komen (slechts één ouderling stemde tegen), is niet geweest het resultaat van een toevlucht tot dubbelzinnigheid.
Die eenstemmigheid is uitsluitend gevonden door de eerlijke begeerte om elkaar vast te houden, zonder de grond overtuiging van de Kerk gewerd aan te doen, namelijk: a. dat God de wereld goed geschapen heeft; b. dat de mens, die ook goed geschapen was, in moedwillige ongehoorzaamheid zich heeft a:figewend van zijn God; c. dat deze val en ongehoorzaamheid van ome eerste voorouders, zoals die als een gebeuren in Genesis 3 wordt geopenbaard, in Schrift en belijdenis een fundamentele plaats inneemt en van wezenlijk belang is voor de verkondiging van het Evangelie; d. dat de mens van deze schuld alleen bevrijd kan worden door het verlossend heilshandelen van God in de tweede Adam, zijn Zoon en onze Heer Jezus Christus.
Dat hier zeer fundamentele dingen worden gezegd, behoeft geen nadere toelichting. Maar evenzeer is duidelijk, dat een zekere marge is aangebracht. Zonder de uitspraken van Amsterdam en Sneek los te laten heeft de synode in het bovenstaande de mogelijkheid geopend voor het staande houden van bepaalde opvattingen, nadat in het 'voortgezet gesprek' in versterkte mate was gebleken, dat de mening van dr Kuitert minder ver afwijkt van de opvatting der Kerk, dan aanvankelijk kon worden gevreesd. Daarin zullen wij elkaar moeten verdragen, binnen de ruimte van de Kerk.
Schuilt hier gebrek aan eerlijkheid? Dit zou \het geval zijn, indien dr Kuitert gelijk had met zijn gedachte, dat vele predikanten bij de bepaling van hun stem het oog hadden op 'de mensen in de gemeente die het niet kunnen meemaken'. De synodeleden hadden hun eigen verantwoordelijkheid in het bepalen van de koers der Gereformeerde Kerken.
Waarbij zij de overtuiging mochten hebben, dat een eventueel noodzakelijke toelichting van de te nemen besluiten voor de gemeente op een andere wijze zou kunnen worden gegeld.
Overigens moet aan prof. Kuitert worden toe-
!gestemd, dat de synode in haar beslissing zich geheel kerkelijk heeft willen gedragen, Juist om dde reden bestond er geen mogelijkheid tot het sluiten van een compromis in dubbelzinnigheden'.

Op de verklaring van het moderamen der synode over de interpretatie van de synodale leeruitspraken reageerde prof. Kuitert onmiddellijk. Via het bureau pers en voorlichting van de V.U. (!!) gaf hij de volgende verklaring in het licht.

Het verbaast mij dat mijn uitspraken in het interview in VU-magazine van december 1972 zoveel reacties hebben opgeroepen. Nergens in het interview beschuldig ik de synode van oneerlijkheid of van compromissen of van “dubbelzinnigheden". Integendeel, wie het interview naleest, zal er geen onvertogen woord ten opzichte van de broeders of van de synode in tegenkomen. Ik ben met positieve gedachten over de synode van de synode naar huis teruggekeerd, zoals men kan lezen.
Ik haal het stukje tekst met het woord "dubbelzinnig"
nog even letterlijk aan. Nadat ik over de risico's van meervoudige uitleg van uitspraken heb gesproken zeg ik: "De bedoeling van die uitspraak was ook dubbelzinnig te zijn. En dat niet in de slechte zin van het woord". Ik zie niet wat daarmee miszegd is.
Tenzij men het woord "dubbelzinnig" altijd een akelige klank vindt hebben. In dat geval ben ik graag bereid het te vervangen door een woord wat ik in dezelfde samen-
!hang heb gebruikt: "meerduidig"- of voor "meervoudige uitleg" vatbaar.
Wat ik wilde zeggen blijft daarmee hetzelfde: de synode wilde ruimte scheppen (marge, wals dr Kruyswijk zegt) en zij deed dat door een formulering op te stellen, waarmee - zoals heel de synode kon constateren - ik kon instemmen, maar ook de indieners van het minderheidsrapport.
Het spijt mij dat allerlei scribenten vernederende en krenkende opmerkingen aan mijn adres richten zonder van te voren een poging te doen zich met mij te verstaan.
Nog meer spijt het mij dat ik niet meer zonder een stortvloed van onbillijke reacties op te roepen - in alle oprechtheid als mijn mening naar voren kan brengen dat de synode een uitspraak heeft gedaan, die niemand naar zich toe mag trekken (zoals dominee Van Til in een eerste commentaar wel deed. Zie Trouw d.d. 25-11-72),

Zoals wel als van zelf sprak liet ds Van Til het hierbij niet zitten. Hij publiceerde het volgende stuk:

"Als je naam genoemd wordt spits je even de oren. Zo deed ik dan ook toen prof. dr H.M. Kuitert in zijn nadere verklaring van mij vertelde dat ik de synodale verklaring in verband met het voortgezet gesprek met dr Kuitert naar mij toe, getrokken zou hebben.
Als dat waar was zou dat natuurlijk stout van mij zijn. lik kan dan ook best begrijpen dat dr Kuitert, naar wie zo vaak gewezen wordt, ook wel eens wat terug wil doen en mij nu met de vinger aanwijst.
De lezers zullen ook wel begrijpen dat ik de drang in mij voel - en dat is ook een stukje van het humanum na de zondeval - om ook wat kribbigs terug te zeggen. Ik zie daar echter van af. Wel meen ik dat zakelijk toch iets gezegd moet worden. Uit hetgeen reeds door de tweede scriba van de synode en door het moderamen van de synode wordt verklaard, ds reeds voldoende duidelijk voor de lezers dat dr Kuitert ten onrechte heeft gesteld dat de synodale uitspraak niet alleen dubbelzinnig is maar dat de synode ook bedoelde een dubbelzinnige uitspraak te doen.
Het zou mij wel zeer verbazen wanneer er ook maar een synodelid zou zijn, die bij zijn voorstemmen bedoeld heeft een dubbelzinnige uitspraak de kerken in te sturen. Daarom kan ik wel zeggen, dat ik van ieder die mij hartelijk de hand schudt (en er waren velen die na de stemming dat deden) dacht dat zij in dezelfde zin het hebben opgevat als ik.
Wij waren het tezamen eens geworden. Nu zegt dr Kuitert wel in zijn nadere verklaring, dat men van hem ook het woord dubbelzinnig wel mag vervangen door meerduidig of door voor meervoudige uitleg vatbaar.
Dan ben je de akelige klank, die je in het woord dubbelzinnig kan zitten, kwijt.
Maar de zaak wordt er niet anders en niet beter door als de bewuste zin voortaan moet luiden: "Dat de synode bedoelde een woord te spreken dat meerduidig of voor meervoudige uitleg vatbaar is". Ik weet niet of dr Kruyswijk er gelukkig mee is, te merken dat zijn opmerking dat er een marge is rondom de synodale uitspraak, nu door dr Kuitert gebruikt wordt om de uitspraak zelf meerduidig te achten.
Immers rondom elke uitspraak van een synode of van een belijdenis ligt een brede marge van vrijheid, maar de uitspraken zelf worden daardoor niet onduidelijk of meerduidig.
Integendeel juist door de omringende marge van vrijheid spreekt het des te duidelijker wat als vast en bondig wordt uitgesproken temidden van veel dat niet zo duidelijk kan worden gezegd (de marge), Ik hoop dan ook dat de verklaring van dr Kuitert niemand er toe zal verleiden om de synodale verklaring vaagheid toe te dichten en zo ten diepste zich er weinig door gezegd zal achten.
Het heeft mij ook hogelijk verbaasd te ontdekken dat het bureau pers en voorlichting van de Vrije Universiteit door een privé persoon, al is hij dan ook hoogleraar, kan worden gebruikt als uitlaatklep om zijn persoonlijke opvattingen te spuien. Mij is gebleken dat door dit bureau een heel pakket hierover aan de pers en aan alle kerkbodes Is toegezonden, Misschien willen zij nu ook mij ten dienste staan en ook mijn reactie door dit kanaal distribueren!" Tot zover ds Van Til.

We geven nog enkele reakties op de synodebesluiten door die door verschillende "prominenten" werden gepubliceerd. Prof. Runia liet zich in het Centraal Weekblad horen.
Naar aanleiding van wat hij zelf op de synode had meegemaakt was hij tot de overtuiging gekomen dat er een vrij diepgaand verschil in het omgaan met de bijbel onder de synodeleden openbaar was geworden.

Of beter gezegd: in de kaders waarbinnen we de bijbel interpreteren. Het is door meerderen gevoeld en er kwamen dan ook enkele voorstellen om een brede commissie te benoemen, die op deze moeilijke maar ook bij:zol1ldere belangrijke zaak van de interpretatie van de bijbel zou moeten ingaan. Daar zou te meer reden voor zijn omdat we zelf in 1968 aan de kerken in de Gereformeerd Oecumenische Synode gevraagd hebben met ons mee te denken over deze vragen, Sommigen hebben dat ook gedaan. De Christian Reformed Church van Amerika b.v. heeft hierover een brede studie gepubliceerd.
Voor zover ik uit de kranten kon nagaan (want op die bewuste woensdag kwam de synode niet klaar met de zaak en ik moest zelf die avond weer naar huis), is de synode niet op deze suggesties ingegaan. Ik vind dit jammer.
Ik begrijp wel, dat een dergelijk deputaatschap een bijna bovenmenselijke taak zou krijgen. Het zou misschien ook wel jaren duren voordat het klaar zou zijn. Maar het zou de moeite waard zijn.
Immers deze vragen blijken telkens weer op de achtergrond te liggen.
Ze zijn de diepste oorzaak van het elkaar niet verstaan. Ze zijn tot op zekere hoogte de reden, dat we elkaar soms niet kunnen verstaan.
Ze zijn ook de reden waarom er bij sommigen (om niet te zeggen: bij velen, zowel binnen als buiten de synode) een gevoel van onbehagen, zelfs van wantrouwen is. Zolang
deze vragen niet grondig onder ogen worden gezien en tot een oplossing worden gebracht, of althans duidelijk in het licht worden gesteld, zullen, vrees ik, de spanningen blijven voortduren.

Over de synodebesluiten zelf maakte prof. Runia drie opmerkingen.

1. Het is duidelijk, dat allen op de synode de kerkelijke eenheid als een kostbaar goed beschouwen en hun uiterste best gedaan hebben om deze eenheid daadwerkelijk te bewaren en te verdiepen. Met opzet schrijf ik dat ze hun uiterste best gedaan hebben en schrijf ik niet, dat ze het 'ten koste van alles' gedaan hebben. Zo was het gelukkig niet.
Waar mensen een diep-ernstig beroep op hun geweten doen, is er geen plaats meer voor niet ten koste van alles. Kerkelijke eenheid is een kostbaar goed, maar het mag niet ten koste van de waarheid. M.i. heeft de synode dit ook niet gedaan.

2. Dat een dergelijk gemeenschappelijk besluit genomen kon worden is ook een bewijs dat er een diepe geloofseenheid aanwezig is.
Trouwens dat blijkt ook duidelijk uit de uitspraak zelf. Het is iets om echt dankbaar voor te zijn als je samen als kerk het volgende punt zeggen (en nu citeer ik dan toch het 'nadere getuigenis')

Prof. Runia citeert dan de bekende synodeuitspraak en gaat dan als volgt verder.

3. Toch moeten we in onze dankbaarheid de verschillen die er zijn niet bagatelliseren. De synode heeft deze zaak, die al vier jaar liep nu afgesloten. Dat werd zo langzamerhand ook wel tijd. Maar het zou van een ongemotiveerd optimisme getuigen, als we zouden denken dat onze problemen nu ook allemaal zijn opgelost. Ongetwijfeld zullen komende synodes weer met problemen van theologische aard geconfronteerd worden. Waarschijnlijk zou een Raad voor Kerk en Theologie een belangrijke buffer kunnen zijn tussen kerk en theologie (ik hoop dan ook dat een dergelijke Raad in het leven wordt geroepen), maar uiteindelijk blijft, althans in onze huidige situatie, de kerk: zelf de verantwoordelijkheid méédragen voor het theologisch bedrijf, dat in ons midden gaande is.
Ik schrijf dit alles niet om de domper op de dankbaarheid te zetten, maar eerder uit een (althans in mijn ogen) realistische visie op !de situatie. We zijn de oude homogeniteit kwijt. Misschien groeit er straks een nieuwe.
Maar zo lang we in het groeiproces zitten, zullen we ook telkens weer met de 'groeistuipen' gekonfronteerd worden. We hebben nog een lange weg voor ons. De laatste week in Lunteren heeft ons laten zien, dat er nog een groot stuk eenheid i's. Maar eenheid is niet iets van het verleden. Het is iets waar je telkens weer naar zoeken moet.

Prof. Herman Ridderbos liet zich in het Gereformeerd Weekblad over de gevallen beslissingen als volgt uit.
Op een bepaald moment tijdens de synodedebatten leek het er op dat het niet meer mogelijk was de tegenstellingen waaraan de naam van prof. Kuitert verbonden was te overbruggen.

Zoals in dergelijke situaties wel meer voorkomt, hebben toen echter de middelpuntzoekende krachten weer de overhand gekregen en heeft men zich met vrijwel algemene stemmen, slecht met uitzondering van één ouderling en twee hoogleraren, op een nogal uitvoerige (zelfs op een tot de kerken uitgaand nader getuigenis uitlopende) uitspraak verenigd.

Prof. Ridderbos citeert dan ook de door de synode gedane uitspraak en knoopt daaraan de volgende beschouwing vast:

Als vanzelf rijst de vraag, hoe het mogelijk was dat een zaak, die eigenlijk al jaren sleept en waarover men tot het laatst toe in zulke zware discussies was gewikkeld op éénmaal (nu ja, "eenmaal"! er waren nachtelijke uren aan opgeofferd en men moest nog eenmaal de spitsroeden passeren!) onder bijna algemene coöperatie kon worden getermineerd, Heeft men elkander ten langen leste toch nog weten te overtuigen? Of heeft men een soort van rookgordijn gelegd rondom de eigenlijke verschillen, om de eenheid te bewaren? Is het vertrouwen nu hersteld óf moet men deze beslissing als een "voor de laatste keer"
toegeven aan een bepaalde, blijkbaar moeilijk te stuiten ontwikkeling beschouwen? M.i. moet men het stuk niet "mooier" of "slechter" maken dan het is. Uit de verwoordingen is wel duidelijk, dat men wederzijds het uiterste heeft gedaan om het niet tot een breuk in de synode te laten komen. Zulk een "breuk" zou er ontstaan zijn, wanneer in deze zaak een meerderheid van 35 stemmen over een minderheid van 30 had gezegevierd.
Om dat te voorkomen heeft men enerzijds, ter bescherming van de confessionele geloofwaardigheid van de kerk, zóveel zekeringen aangebracht, zóveel over de menselijke verantwoordelijkheid en schuld van de beginne gezegd, óók de ondubbelzinnige uitspraken van A'dam 67/68 en Sneek 69/70 bevestigd, dat een ieder, die van "de prins" geen kwaad weet, geneigd zal zijn te zeggen: wat zou een kerkelijke vergadering en wat zouden de verontrusten nu nog meer kunnen wensen? Maar anderzijds is ook duidelijk, dat men aan mensen als prof. Kuitert, die met deze verklaring van de Synode instemmen, geen verdergaande conformatie aan hetgeen de kerkelijke belijdenis over het "hoe" van "de werkelijkheid, dat de mens van meet af zich van zijn God heeft afgewend" heeft menen te kunnen of te mogen afdwingen. Of hiermee dan toch een innerlijke tegenstrijdigheid is toegedekt, m.a.w.: of men op het standpunt van prof. Kuitert e.a. wel terecht kan blijven zeggen (wat hij ea. zeggen willen !), dat de zonde niet met de menswording samenvalt, is een vraag, waarover blijkbaar lang en breed is gesproken, doch waarover men ten slotte niet voor elkaar heeft willen beslissen. Er is niet gezegd, dat men het eens geworden is over deze zaak. Wel heeft de Synode als haar oordeel uitgesproken, dat de discussie althans in kerkelijke zin voorlopig beëindigd dient te worden.
Naar mijn mening moet men de Synode daarin bijvallen. Zij was het over wat misschien genoemd mag' worden: de religieuze kant van de zaak, dat wil zeggen: hetgeen de kerk in haar verkondiging over de verhouding van de mens tot God (zowel wat de actuele situatie als wat de verhouding "van den beginne" betreft) te zeggen heeft, ééns, De moeilijkheden liggen daar waar dit oordeel het wetenschappelijk inzicht over het ontstaan van de mens raakt. Hier ligt uiteraard het gevaar van een dubbele waarheid over dezelfde werkelijkheid en het is geen wonder dat daartegen in een gereformeerde synode bedenkingen rijzen. Toch is het niet minder duidelijk, dat de kerk juist op ditgebied waarop zowel voor de wetenschap als voor het geloof nog zoveel onopgeloste en misschien wel geheel onoplosbare problemen liggen, niet verder moet gaan dan het uiterste wat van haar gevraagd kan worden om geloofwaardig te blijven. Dat vrijwel de gehele Synode zich ten slotte op dit standpunt heeft gesteld, is naar mijn overtuiging dan ook niet slechts als een (laatste) eenheids-poging te beschouwen, maar als, een eerlijke conclusie, dat zij in deze spanningsvolle relatie tussen waarheid en eenheid, niet verder kon komen. Het zou goed zijn als over deze zaak voorlopig de discussies, althans op kerkelijk gebied, zouden worden beëindigd. Er blijven voor de kerk problemen genoeg over, óók op het gebied waar confessie en theologie elkaar niet geheel meer schijnen te dekken. Er ligt in heel deze ontwikkeling m.i. wel een lering opgesloten: wij staan voor vragen, waarin de thàns (m.i. terecht gevolgde) methode niet altijd uitkomst zal bieden. Zowel de kerk als de theologie zal Zich met toenemende zorg moeten afvragen, hoe de voor beide gelden de enige norm voor geloof en leven, nl. het gezag van de Heilige Schrift blijvend zal worden geëerbiedigd.

Voor het goed verstaan van het gevallen synodebesluit is het van groot belang precies te weten hoe dit ontstaan is.
We hebben in het bovenstaande kunnen lezen dat door de commissie die het concept van dit besluit moest opstellen een ontwerp daarvoor bij de synode indiende waarin dr Kuitert en de zijnen zich niet in konden vinden.
Zoals hij in het boven geciteerde interview zei stond dit nog "vol dingen waarvan een kind kon begrijpen dat die voor mij, en vele anderen op de synode, de oude koers zou voortzetten. Toen is dit uitspraak teruggenomen met de uitdrukkelijke verklaring dat ze dit nu juist niet wilden."
Als men dit leest vraagt men zich als vanzelf af: Hoe was die teruggenomen uitspraak?
Daarover lichtte dr Masselink in "Waarheid en Eenheid" ons in.
Hij laat daarin namelijk het (verworpen) concept en het (met op één na algemene stemmen aanvaarde) besluit afdrukken.
Ik geef het hier door.
Wat nu volgt is het concept.
Wat daaruit is weggelaten is tussen vierkante haken geplaatst. Wat er in ingevoegd lis is vet gedrukt.

De synode besluit:

1e vast te houden aan de uitspraken van de generale synoden van Amsterdam 1967/68 en van Sneek 1969/70, met betrekking tot de vragen aangaande Genesis 2 en 3

2e in overeenstemming daarmee het volgende nadere getuigenis tot de kerken te doen uitgaan:

Als kerk van Christus met eerbied luisterend naar wat de Heilige Schrift in de eerste hoofdstukken van Genesis openbaart (over hetgeen heeft plaatsgevonden tussen God en de eerste mens, belijden wij] spreken wij uit:
a. dat God de wereld goed geschapen heeft;
b. dat de mens, die ook goed geschapen was, in moedwillige ongehoorzaamheid zich heeft afgewend van zijn God;
c. dat deze val en ongehoorzaamheid van [de mens] onze eerste voorouders zoals die als een gebeuren in Genesis 3 wordt geopenbaard, in Schrift en belijdenis een fundamentele plaats inneemt en van wezenlijk belang is voor de verkondiging van het Evangelie;
d. dat deze zondeval geen tragisch noodlot is, maar schuld van ons en onze voorouders tot aan de eerste mens die geen ander mens doch God als Vader had;
e. dat de mens van deze schuld alleen bevrijd kan worden door het verlossend heilshandelen van God in de tweede Adam, zijn Zoon en onze Heer Jezus Christus.

3e aan alle kerken mededeling te doen van deze uitspraak in de verwachting dat alle ambtsdragers bij de vervulling van hun ambtelijke arbeid hiermee ernstig rekening zullen houden en zich zullen wachten voor elk overhaast en overmoedig spreken in prediking en catechese ten koste van wat de Schrift als heilsgebeuren meedeelt.
De lezer kan nu zelf nagaan welke de vele dingen zijn waarmee Kuitert en de zijnen het met eens waren en die daarom werden weggelaten.

Ten slotte geef ik nog een reaktie. Een bizondere.
Zij komt van de kant van de verontrusten.
Hier is zij.

Het bestuur van de Vereniging van Verontrusten in de Geref. Kerken stelde het volgende persbericht op: Het hoofdbestuur van de Vereniging van Verontrusten in de Gereformeerde Kerken "Schrift en Getuigenis", heeft met teleurstelling kennis genomen van de besluiten van de generale synode van Dordrecht 1971-72, mede gelet op het interview van prof. Kuitert in het VU-magazine (december 1972), waarin deze van de uitspraak (op donderdag 23 november zegt dat ze "dubbelzinnig" is en ook bedoelde "dubbelzinnig" te zijn. In zijn vergadering van 8 december jl. heeft het hoofdbestuur (in aanwezigheid van meerdere bestuursleden van de persvereniging "Waarheid en Eenheid") zich uitvoerig beraden over de vraag, wat de vereniging en haar leden nu te doen staat.
Het is tot de conclusie gekomen, dat de grens bereikt is en dat hetgeen zin meer heeft, zich nog eens opnieuw met bezwaarschriften tot een synode te wenden, aangezien deze toch niet door haar beoordeeld en beantwoord worden.
Het hoofdbestuur is van plan, om, voor het definitief zijn standpunt gaat bepalen, welke wegen nu moeten worden ingeslagen, eerst de Raad van Advies, de ledenraad en geestverwante predikanten te raadplegen.
Op 6 januari 1973 zal het hoofdbestuur met de Raad van Advies bijeenkomen en op 20 januari met de ledenraad.
Op 25 januari heeft de samenkomst met de predikanten plaats en op een nader te bepalen datum in het voorjaar wordt een grote ledenvergadering gehouden.
Beide laatste vergaderingen vinden plaats in samenwerking met de pers vereniging "Waarheid en Eenheid". Beide Besturen hopen langs deze weg te kunnen komen tot een juiste beoordeling van de synode-besluiten en tot een passend antwoord daarop.

Hiermee zet ik een punt achter deze Persschouw.
Mijn doel was de lezers een veelzijdige en objectieve informatie te geven omtrent wat in de laatste jaren ten aanzien van de kwestie- Kuitert door en rondom de synoden van de Geref. Kerken werd besloten en gezegd.
Objectieve informatie is altijd, en dus ook ten aanzien van kerkelijke aangelegenheden, de onmisbare voorwaarde voor het vellen van een juist oordeel.
Ik voeg hier nog aan toe dat in deze Persschouw nog niet het woord is gegeven aan "Waarheid en Eenheid", het orgaan van de verontrusten. Daaruit hoop ik in de volgende nummers nog iets over te nemen.
Ik geef deze informatie omdat ik weet dat de lezers van Opbouw geïnteresseerd zijn in wat in de Geref. Kerken geschiedt en omdat dat van grote betekenis is voor allen die pretenderen gereformeerd te zijn.
Wij leven, minder dan ooit, op een geïsoleerd eiland.






1) Ik had dit synodebesluit overgenomen uit Trouw. Bij de correctie, die ik deed aan de hand van de .officiële -redactie van het besluit zoals die in het officiële orgaan van de Geref. Kerken "Kerkinformatie" werd afgedrukt, bleek mij dat in de weergave ervan in Trouw een uiterst belangrijk woord was weggevallen (weggelaten?).
In Trouw las men: "c. dat deze val en ongehoorzaamheid van onze voorouders ... " De officiële redactie is evenwel: "C. dat deze val en ongehoorzaamheid: van onze EERSTE voorouders ... " Het is merkwaardig dat in het V.U.- magazine, het officiële orgaan van de V.U. het woord EERSTE in de weergave van het synodebesluit óók is verdwenen. Men vraagt zich af hoe dit mogelijk is. Synodebesluiten worden altijd keurig gestencild aan de pers ter hand gesteld.
Ik las in Trouw tot nu toe nog geen correctie van de gemaakte fout. De betekenis van deze weglating van het woord EERSTE is zeer groot.
Het besluit in zijn officiële redactie poneert immers uitdrukkelijk dàt er EERSTE voorouders zijn geweest en dat DEZE zijn gevallen en ongehoorzaam werden. Volgens de verminkte redactie van Trouwen V.U.-magazine wordt dit volledig in het midden gelaten.




Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief