Jongeren en kerk
2005-06-17
Openbare geloofsbelijdenis: wat een feest wanneer (vooral jonge) mensen 'ja' zeggen tegen die God die al veel eerder 'ja' had gezegd tegen hen!- Jaargang 49
- nummer 12
Maar helaas zit er vaak ook iets verdrietigs aan; want niet alle jongeren komen tot deze geloofskeus. Er zijn er ook die geen 'ja' zeggen, maar 'nee', of wat minder radicaal: 'Ik weet het niet.' Heeft de kerk een probleem met de oudere jeugd? Over die vraag schrijft de Zwolse ds. B. Luiten in De Reformatie van 28 mei. Volgens hem kun je de stelling net zo goed omdraaien: de opgroeiende jeugd heeft een probleem met de kerk.
Na geconstateerd te hebben dat er op allerlei gebied meer dan vroeger aandacht is voor de jeugd, vervolgt hij:
Maar het hart van de kerk klopt in de zondagse erediensten. () Als daar de boot wordt gemist, doordat een hele categorie nauwelijks dichterbij kan komen, zijn de gevolgen groot.
Is het werkelijk waar, dat de orthodoxe kerken vooral gebrand zijn op een correct verloop van de erediensten?
Dat dat een doel in zichzelf is geworden? Laatst las ik zoiets in de krant, maar ik weiger dat te geloven of te aanvaarden. Want wie maakt dan uit wat ‘correct’ is? En hoe kan een eredienst als ontmoeting voor God ‘correct’ zijn als één van de belangrijkste doelen niet wordt gehaald? Hoe kan een moeder ‘correct’ zijn, als ze haar kinderen niet merkbaar koestert?
We beleven het tegenwoordig, dat jongeren op zoek gaan naar een warme plek, waar ze kunnen zijn en meedoen zoals ze zijn. Soms worden kerkdiensten daarvoor ingeruild. En als dat (gelukkig) niet zo is, zijn die samenkomsten toch om iets te compenseren wat in de kerk wordt gemist. De benaming ‘jeugdkerk’ is veelzeggend.
Het lijkt erop, als ik me niet vergis, dat plaatselijke kerken daaruit weinig lering trekken. Ze staan erbij en ze kijken er naar, soms o zo benauwd voor de interne discussies die het zou kunnen geven als de erediensten nog meer zouden veranderen. Nee, laat de jeugd dan maar gaan, het is altijd moeilijk om die vast te houden. Toch?
We moeten ook om de gemeente denken...
Wat ik probeer aan te tonen is, dat een dergelijke houding in belangrijke mate een omkering van feiten is. Niet alleen de kerk heeft een probleem met de jeugd, de jeugd heeft minstens zoveel moeite met de kerk. Dat is iets dat we zelf veroorzaken en in stand houden. Als dan jeugd daarbij wegloopt, zou op z’n minst een serie alarmbellen moeten afgaan die hele kerkenraden alarmeert. Er is iets ergs aan de hand, iets dat rechtstreeks te maken heeft met de hartslag van de kerk.
En daarbij, hoe ver reikt het begrip ‘oudere jeugd’? Is het niet steeds verder?
Vallen inmiddels ook niet jonge gezinnen daaronder? Grijpt de gedachte niet breed om zich heen dat één kerkdienst wel genoeg is? Ga die vooral niet meteen theologisch bestrijden.
Maar ga eerst eens onderzoeken wat er echt aan de hand is. Vraag het de gemeente, vraag het de jongeren, vraag het die jonge gezinnen.
Volgens mij zijn ze heus niet te beroerd om twee keer te komen.
Waarom komen ze dan niet? Wat missen ze dan? Waarom voelen ze de hartslag van de kerk niet zo aan, dat ze daardoor aangemoedigd en enthousiast worden? Dat moeten we boven water zien te krijgen, zonder allerlei vooroordelen. Ga in gesprek van plaats tot plaats. Hier zijn gemeentevergaderingen voor, en wijksamenkomsten.
Om te bespreken als broeders en zusters wat voor de kerk en haar samenkomsten wezenlijk is.
Denk nu niet, dat alles overhoop gaat. Want in de erediensten is veel goeds dat niemand kwijt wil. Het punt is maar net: hoe krijg je daarmee contact, persoonlijk, diep in je hart? Het antwoord daarop is allereerst aan het Woord en de Geest. Zij dringen door, dieper dan een zwaard. Gelukkig maar. Tegelijkertijd moeten we zeggen: de Geest gebruikt mensen, middelen, kerkdiensten. Schroom niet die tegen het licht te houden: functioneren ze optimaal? Wat kan beter, wat kan ieders betrokkenheid stimuleren?
Wat mij opvalt is, dat je vaak met kleine dingen al veel kunt doen. Het samen voorbereiden van een preek of van een kerkdienst, bijvoorbeeld.
Daarbij blijkt dikwijls al zoveel verbondenheid, doordat je over en weer merkt wat ieder erin wil leggen aan dankbaarheid en echtheid. Dan die dienst zo vormgeven dat meer mensen wat doen, wat zeggen, lezen of musiceren. Wie meedoet, hoort erbij.
Toch? In die gezamenlijkheid ontstaat vanzelf meer variatie, bijvoorbeeld in vormgeving, in muziek, in woordkeus.
Dat kan helpen om het geheel van de eredienst dichter bij meer mensen te krijgen. De vaste elementen blijven volop aanwezig, herkenbaar. En toch probeer je ze samen elke keer nieuw te zeggen en te ervaren, in de taal en de belevingswereld van ouderen en jongeren. Daar hoeft niemand bij weg te lopen, geen oudere en geen jongere, daar groeit de vreugde van de ontmoeting.