Paulus' brief aan de gemeente te Rome (2)
1973-01-26
Romeinen 1- Jaargang 17
- nummer 4
Het opschrift vertoont in vorm veel overeenkomst met profane brieven uit de oudheid (vgl. Hand. 23: 26): het bevat achtereenvolgens de naam van, den schrijver, die van den geadresseerde (hier in v. 7a), en de groet (7b).
Doorgaans houdt Paulus dit gedeelte kort. Hier en in de brieven aan de Galaten en aan Titus is hij wat uitvoeriger.
1. "geroepen": Paulus beklemtoont hiermee zijn aanstelling van Godswege, vgl. Hebr. 5 : 4. In de brief aan de Galaten (1 : 1) komt dat nog scherper uit.
"afgezonderd": een uitermate belangrijke term. Wijst uiteraard terug naar Hand. 13 : 2. Maar het woord heeft een nog diepere achtergrond.
Dat blijkt als Paulus het opnieuw bezigt in Gal. 1: 15.
Daar spreekt hij over deze afzondering in bewoordingen ontleend aan Jes. 49 : 1.
Situatie waarin deze profetie gesproken werd. Israël is in ballingschap.
Z'n glorie is vergaan, van z'n bevoorrechte positie als uitverkoren volk van God schijnt niets overgebleven.
Dan richt God zich met beloften van vernieuwing van het verbond tot Israël in de persoon van den profeet. Deze maakt zich nu tot mond van het volk en vertelt aan heel de wereld, welke nieuwe perspectieven de Heere voor Zijn knecht Israël opent.
Begint met herinnering aan het verleden: hoe God Israël riep in de moederschoot, d.w.z. nog voor het als volk ter wereld kwam, m.a.w. toen het nog in de lendenen van Abraham was (om met Hebr. 7: 10 te spreken). God hield Zijn volk gereed als een goed vervaardigd oorlogswapen, om daden van verlossing op aarde te doen.
Maar Israël moet, terugziende op de periode tussen intocht en ballingschap, erkennen: ik heb van mijn hoge roeping niets terechtgebracht.
Dan klinkt echter uit Gods mond de ontferming. Het is niet waar wat Israël geklaagd had (40: 27): God kijkt naar mijn geding met de heidenen die mij overweldigden niet meer om. De degelijk met Zijn volk bezig. En nu maakt God openbaar wat Hij met Israël van plan is: niet alleen het volk weer vergaderen uit de heidenen; neen, iets veel groters nog daarbij: een licht zijn voor de heidenen, zodat Gods verlossing tot het eind van de aarde reiken zal.
De profetie uit Jes. 49: 1-6 ziet Paulus in zichzelf vervuld. Dat blijkt ook uit Hand. 13 : 47.
Opm. 1. Deze uitleg van Jes. 49 strijdt niet met het feit, dat deze profetie in Christus vervuld werd, Paulus zegt immers (Gal. 2 : 20): "Ik leef niet meer, Christus- leeft in mij".
Inderdaad is deze profetie in Christus vervuld. Daarop zinspeelt Simeon (Luc. 2: 32), die dan ook met 'knecht' (v. 29) wel Israël bedoelt (niet zichzelf). Hij constateert: heden is de belofte uit Jesaja, dat God Zijn volk zal vrijlaten uit de gevangenis voor mijn ogen vervuld (vgl. Luc. 4 : 18-21).
2. Let er terloops op, hoe waarheidsgetrouw Lucas historie schrijft: wat hij Paulus in Hand. 13 : 47 in de mond legt klopt precies op wat Paulus zelf over eigen plaats en taal schrijft.
De situatie in Paulus' tijd is vergelijkbaar met die uit Jesaja's dagen: het volk onder vreemde overheersing (nu de Romeinen); en onder het volk een ontstellend gemis aan geloof, dat God toch naar hen omziet, nl. in Jezus Christus.
Dezen hebben zij immers niet willen aanvaarden als den van God gezonden verlosser. Wat moet de Heere met dit onwillig en daardoor voor zijn taak onbekwaam volk beginnen? Ook Paulus komt tot de vraag "Heeft God dan Zijn volk verstoten?" (11: 1). Maar hij antwoordt meteen: "Neen, ik ben immers zelf een Israëliet".
Met hem (en met de andere '7000' gelovigen) gaat God aan het werk. In Paulus gaat het Israël Gods de wereld in om Zijn heil te brengen tot de einden der aarde
3/4. De tegenstelling 'naar het vlees ... naar de geest' is hier anders op te vatten dan elders bij Paulus veelal (b.v. straks in 8 : 4).
In 'vlees' zit hier niet het element 'slecht'; 'naar het vlees' betekent hier eenvoudig 'krachtens Zijn geboorte als mens uit de maagd Maria'.
Beter is het daarom onder 'geest der heiligheid' niet te verstaan de Heilige Geest! Eerder te denken aan een verbinding als 'geest van slavernij' (8: 15). (Vgl. ook 2 Tim. 1 : 7.) Het slaat op 's mensen geesteshouding, de instelling die zijn optreden beheerst. We zouden kunnen vertalen 'mentaliteit'.
Jezus Christus is wel mens geworden, maar zijn instelling is radicaal anders dan die van ándere (immers zondige) mensen, nl. een mentaliteit van 'heiligheid': Hij bewaart zich onbesmet van de zonde en wijdt zich geheel aan de dienst van God.
En dié houding heeft nu geleid tot Zijn verhoging aan Gods rechterhand.
Dat laatste is aangeduid in de woorden die in de NBG-vertaling luiden "verklaard Gods Zoon te zijn".
Het hier gebezigde werkwoord betekent "aanwijzen als ... " oftewel "aanstellen in een bepaalde functie". Zo wordt in Hand. 10 : 42 gezegd, dat Christus door God is 'aangewezen' ('aangesteld') als rechter over levenden en doden.
Daar staat hetzelfde werkwoord.
en die tekst is ook zakelijk met de onze verwant.
Misschien lijkt op het eerste gezicht de gedachte vreemd, dat Christus tot Zoon van God kan worden 'aangesteld'. Hij was dat toch al van eeuwigheid? Maar er staat veelzeggend bij "in macht".
Het gaat hier niet over Christus' goddelijke natuur, maar over Zijn ambtsvolmacht, die Hij na het volbrengen van Zijn werk op aarde heeft ontvangen: Hij is nu Gods gevolmachtigde, en wel met name in die functie die aan God in het bizonder was voorbehouden, nl. die van rechter (vgl. Gen. 18 : 25). Jezus zegt in Joh. 5 : 22, dat de Vader zelf niemand oordeelt, maar het oordeel geheel in handen van den Zoon heeft gelegd.
"Zoon - Gods in macht" (of "gevolmachtigd Zoon van God") zouden we hier dan ook rustig mogen vervangen door 'rechter'.
Voor 'macht' in de speciale betekenis 'rechterlijke macht' vergelijke men nog 1 Cor.' 5 : 4, 2 Thess. 1: 7, 2 Petr. 1 : 16
Dat vindt z'n bevestiging m de Toevoeging "door Zijn opstanding uit de doden", of misschien juister: "blijkens Zijn opstanding uit de doden".
De opstanding van Christus wordt nl. ook in Hand. 17: 31 aangevoerd als bewijs van Zijn aanstelling als rechter. Vgl. verder nog Rom. 14: 9. (Zie mijn artikel 'Opstanding en gericht' in 'Opbouw', jrg. 7, blz. 84, en de aanvulling daarop (betreffende Rom. 8 : 34) in 'Opbouw', jrg. 15, blz. 109 middenkolom.
5. "genade en het apostelschap" : Men beperkt 'genade' in het N.T.
onder ons wel eens te veel tot 'schuld vergevende genade'. En inderdaad is het mogelijk ook hier in die richting te denken, vgl. 1 Tim. 1: 16. Maar een andere mogelijkheid opent zich, als we bedenken, dat 'genade' ook gebezigd kan worden in een zin die we in het O.T. b.v. vinden in Ps. 45 : 3 ("genade is uitgestort op uwe lippen" Stat.vvert.). Dan is 'genade' zoveel als: de gave van het woord, 'sprekerstalent'. Dit gebruik van het woord werkt duidelijk door in het N.T. Als we de beschrijvingen van Jezus' optreden in de synagoge te Nazareth bij Mattheus en Lucas vergelijken, dan blijkt de laatste te schrijven: de hoorders "verwonderden zich over de woorden van genade, die van Zijn lippen kwamen" (Luc. 4 : 22). Maar Mattheüs zegt hetzelfde zo: "zij "zeiden: Vanwaar heeft Hij die wijsheid ... ?" (13 : 54). 'Genade' betekent daar bij Lucas dus zoveel als: de wijsheid, de bekwaamheid om op te treden als leraar. (V gl. mijn artikelen 'Genade en waarheid' in 'Opbouw', jrg. 3, blz. 53 vlgg.) In die zin zou ik het woord ook hier willen verstaan, gezien ook het feit dat in één adem daarmee verbonden wordt "het apostelschap", d.w.z. zijn zending. Men denke aan Mozes: als de HEERE hem zendt, voert hij als bezwaar aan, dat hij zo slecht het woord kan voeren. Deze opvatting verdraagt zich ook het best met wat we in v. 1 vonden: de vervulling-in-
Paulus van de profetie uit Jes. 49: daar staat nl. in v. 2, dat God de mond van Zijn knecht maakte als een scherp zwaard.
(wordt vervolgd)