Kerkelijk leven

1973-01-26
  • Jaargang 17
  • nummer 4
In het nummer van de vorige week schreven we een artikel over "De hemel, beeld of werkelijkheid", zulks naar aanleiding van wat ds Hans Bouma in het Gereformeerd Weekblad over de hemel geschreven had. We kwamen daar in aanraking met een bepaalde manier van Schriftuitlegging in verband met een gewijzigde wereldbeschouwing: In verband met ons gewijzigd wereldbeeld kunnen we niet meer over de hemel denken en spreken zoals vorige geslachten en zoals de Bijbel dat doet. Want de Bijbelschrijvers gingen uit van een intussen verouderd wereldbeeld.
Daar kwam het artikel van Hans Bouma op neer. We hebben daar het onze van gezegd en komen daar nu niet op terug.
Maar de zaak zelf is te belangrijk om er niet nog eens aandacht aan te geven. Die zaak is ten diepste: waardoor laten we ons lezen en verstaan van de Bijbel bepalen: door óns wereldbeeld, door óns levensgevoel, door ónze opvatting van de werkelijkheid, door ónze wijze van denken, Of door de Bijbel zelf; door zijn duidelijke bedoeling en onmiskenbare strekking?
We raken hier aan het vraagstuk van de zogenaamde hermeneutiek, de uitleg van de Schrift, waarover in de tegenwoordige theologie zoveel te doen is. Zonder overdrijving kunnen we zeggen dat deze hermeneutiek momenteel de meest beoefende tak van de theologie is. Wat is de rechte methode voor het verstaan en uitleggen van de Heilige Schrift? Dat is de eigenlijke vraag van de hermeneutiek. Maar meen nu niet dat dit een louter formele kwestie is, die met de inhoud van het geloof niet te maken heeft. De resultaten van deze hermeneutiek zijn van beslissende betekenis voor de geloofsinhoud.
Dit wordt zeer duidelijk bij de Duitse theoloog Bultmann, door wie deze hermeneutiek zo in het middelpunt van de belangstelling is komen te staan.
Hij is van oordeel dat in de Bijbel de eigenlijke boodschap is ingekleed in een wat hij noemt mythische vormgeving. Daartoe rekent hij het bijbelse wereldbeeld met z'n hemel daarboven, de aarde beneden en de onderwereld daar nog weer beneden. Ook de wonderen in de Bijbel als bijvoorbeeld de opstanding van Christus. Ook de idee van de verzoening door straflijden (van Christus) onder het oordeel van een toornend God.
Alles in de Bijbel wat de causale orde dezer wereld, die volgens hem de natuurwetenschap heeft geleerd, doorbreekt, rangschikt Bultmann onder de mythe. En daar gelooft volgens hem de moderne mens niet meer in.
Wil men het evangelie voor deze mens geloofwaardig maken, dan moet men daaruit alles weg doen, wat samenhangt met het oude door de moderne natuurwetenschap achterhaalde wereldbeeld.
Een geheel eigen "interpretatie" van het evangelie is van dit alles het gevolg. We gaan daarop nu niet nader in. Het gaat ons er om aan te wijzen dat in deze conceptie de mens met zijn door de moderne (?) natuurwetenschap gevormde denken de maatstaf is voor het verstaan en voor de uitleg van de Bijbel.
In Gereformeerde kring is Bultmann op sterk verzet gestoten. Maar zijn invloed is toch ook daar. Een soortgelijke aanpak als bij hem vinden we vandaag van de dag bij dr Herman Wiersinga, die enige tijd geleden grote opschudding verwekte met zijn aan de Vrije Universiteit verdedigd proefschrift: De verzoening in de theologische discussie.
Het proefschrift heeft zelfs geleid tot kerkelijk handelen met deze (synodale) predikant.
Het handelen bestond en bestaat nog uit een gesprek. Inmiddels is een tweede boek van dr Wiersinga verschenen, dat als titel meegekregen heeft: "Verzoening als verandering.
Een gegeven voor menselijk handelen".
Hierin probeert Wiersinga de ethische consequenties van zijn "alternatieve verzoeningsleer" breder uit te werken dan in zijn proefschrift mogelijk was. .
Vermoedelijk weten de lezers van ons blad wel in grote lijnen hoe Wiersinga's verzoeningsleer er uitziet. Hij ontkent dat Jezus Christus aan het kruis geleden heeft om onze schuld te boeten. Van een straffend oordeel van God over onze zonden wil hij niet weten.
Herhaaldelijk horen we hem beweren dat God het kruis van Zijn Zoon niet heeft gewild. Ik ga niet proberen hier de verzoeningsleer van Wiersinga te beschrijven. De wezenlijke trekken ervan zijn reeds te vinden bij de Middeleeuwse theoloog en filosoof Petrus Abaelardus en bij de modernen van de vorige eeuw. Het is inderdaad een moeilijke zaak in de theologie iets werkelijk nieuws naar voren te brengen. Maar daarover nu niet meer.
Het heeft mij bizonder gefrappeerd dat en hoe dr Wiersinga zijn standpunt neemt in de denk- en leef- en gevoelswereld van de mèns en daarnaar het evangelie modelleert, ook naar zijn inhoud verandert, zonder blikken of blozen.
Hij heeft oog voor de krisis, waarin het geloof van velen is geraakt en hij gaat in op de vraag, hoe dat zo gekomen is? Zijn conclusie is: de eigenlijke krisis is niet die van het geloof als beleving, maar van het geloof als voorstelling. Met andere woorden: de malaise ligt niet zozeer in het geloof waarmee geloofd wordt als wel in het geloof datgeloofd wordt (pag. 7). Hij wil maar zeggen dat de inhoud van ons geloof niet deugt. Van de inhoud van het oude geloof zijn we vervreemd; die doet het bij ons niet meer, meent hij, en daarom zitten we zo in de knoei. En dit geldt dan ook met name, zo betoogt hij, het centrale "leerstuk" van de verzoening.
Wij willen vandaag wat doen; wat doen aan een wereld, waarin zoveel onverzoenlijkheid aanwezig is; zoveel onrecht en vervreemding.
En wat moeten we in die situatie en met dat verlangen beginnen met een leer van de verzoening, waarin Christus alles heeft gedaan? Staat de kerkleer van de verzoening door Christus niet wereldvreemd tegenover de werkelijkheid die onverzoend is? (pag. 9). We hebben vandaag een solidair levensgevoel.
En past de kerkleer van de verzoening daarop?
Het antwoord van Wiersinga is duidelijk: die twee staan mijlen ver van elkaar af. Met een schijnbeweging gaat Wiersinga in dit verband over de taal spreken. De kerktaal is een andere dan onze, een vréémde taal. Ja, ook de bijbeltaal, al vindt hij het laatste aanvaardbaar.
Maar - en hier raken we de kwestie van de hermeneustiek, zie boven, die moet dan ook vertaald worden door de kerk. Daarmee bedoelt Wiersinga dan niet 'een vertaling in goed Nederlands, maar in ons huidig denkklimaat, in onze culturele situatie, in ons aanvoelen van de dingen. En dat is niet maar een kwestie van de vorm, van de wijze waarop, maar raakt direkt de inhoud van de Bijbelse boodschap. Die moet aangepast worden aan onze huidige opvattingen en ideeën - daar komt van alle franje ontdoen het hele betoog van Wiersinga op neer. En die "onze" zijn dan bij hem de opvattingen en ideeën van hen, die graag mee willen doen aan een aktie voor wereldbelasting of voor rietsuiker, pag. 9; die aarzelen ten aanzien van de noodzakelijkheid van strafrechtelijke vergelding en veel gevoeliger zijn op het punt van de toerekeningsvatbaarheid.
De huidige idee van de mondigheid speelt hier ook haar eigen rol, nl. in onze medewerking met God in de verzoening. We worden koöperatoren in Jezus' Geest. We krijgen een geschiedenis in handen van Christus en zijn Geest en in hand van eerst wetteloze, maar dan bekeerde (veranderde) mensen. Veranderde want de verzoening is geen herstelde verhouding van vrede met God, aan wiens heiligheid is genoeg gedaan, maar verandering van de mensen, pag. 35, die aan het werk kunnen gaan om de wereld te veranderen.
"Wij leven met een demokratie die ons verantwoordelijk maakt voor de politiek, en met een wetenschap die ons de toekomst van de wereld in handen geeft (! G.J.). Wij staan bij de brokken van onze heerlijkheid en vragen niet om een evangelie dat ons nogmaals uit handen slaat wat we al lieten vallen, maar om een evangelie dat ons een weg wijst en mogelijkheden biedt". pag. 49.

Zo wordt dan het evangelie "vertaald" in de taal van de mens van deze tijd, de mensen dan zoals Wiersinga ze ziet en graag wil hebben.
Dat deze "vertaling" de boodschap van de verzoening radikaal omvormt en een totaal andere inhoud geeft dan de kerk der eeuwen dat in haar confessie heeft gedaan is zonder meer duidelijk.
Hier is naar mijn mening inzake de hermeneutiek geen wezenlijk, geen principieel verschil tussen Bultmann en Wiersinga. Alleen is wellicht bij de laatste de uitglijding nog ernstiger dan bij de eerste. Want Bultmann neemt zijn uitgangspunt in een bepaalde opvatting van de natuurwetenschap, en Wiersinga in een bepaald ethos, in bepaalde zedelijke beseffen. En de Bijbel is ons niet gegeven als een boek voor de natuurwetenschap, hoewel hij ook daarvoor met zonder betekenis is. Hiermee zeggen wij geen goed woord voor de consequenties, die Bultmann trekt. Maar onze zedelijke beseffen, ons denken over liefde en recht, over zonde en schuld worden toch wel in direkte zin geheel door de Schrift bepaald. We zijn hiervoor toch wel alleen op haar aangewezen.
Niet wij zijn met ons denken: de maatstaf voor het verstaan van de Heilige Schrift en voor haar uitlegging, maar de Schrift is haar eigen uitlegster, volgens een gulden regel der Gereformeerde Schriftbeschouwing. We zullen haar altijd moeten lezen en trachten te verstaan naar haar eigen bedoelen, in het gehéél van haar spreken. Anders geven we, met hoe acceptabel voorgestelde beschouwingen ook, haar goddelijk openbaringskarakter prijs. Hier ligt, geloof ik, de grondfout m heel het theologiseren van Wiersinga, dat de sleutel der kennis wegneemt door een hermeneutiek, die haar startpunt neemt in de mens en zijn verstaansmogelijkheden, zoals die bepaald' worden door zijn culturele situatie.
Hier is 1 Cor. 2 een vergeten hoofdstuk!

Het is interessant uit methodisch oogpunt na te gaan hoe dr Wiersinga nu verder handelt met het breder uitwerken van de ethische consequenties van zijn verzoeningsleer. Hij heeft eerst.de Bijbelse gegevens over de verzoening "geïnterpreteerd" vanuit ónze culturele situatie, vanuit ons huidig denken en aanvoelen, democratisch, solidair enz.;. dan gaat hij vanuit de zo verkregen verzoenmgsleer de consequenties trekken voor ons handelen.
En zo sluit zich de cirkel. We krijgen nu de directieven, die ons passen, een aangepaste theologische ethiek, die met name voor het strafrecht van nogal ingrijpende betekenis is: geen vergelding meer, geen stràf, maar van misdadigers weldoeners maken, 81.
Een humanistisch idealisme voert hier de boventoon. Het zit er al in, dat humanisme: in onze kooperatie met God in de verzoening.
En het Lam, dat de zonden der wereld wègneemt of op Zich neemt, Joh. 1 : 29, verdwijnt achter de mens, voor wie zonde betekent: verkeerdheid, die met behulp van recht inzicht te boven is te komen. Hij roemt in een verandering, die verbétering is, waarin hij zelf een behoorlijk aandeel heeft.
Hoe is hier de heerlijke werkelijkheid van de rechtvaardiging, van de vrijspraak geworden tot een idealisme, dat breekt op de werkelijkheid van de zonde.
Ik heb m'n gemeente in de eredienst en de jongelui op catechisatie maar eens laten zingen: U, heilig Godslam, loven wij. Daarop alleen kan een mens tenslotte eenmaal rustig het hoofd neerleggen. En dàt moment komt eenmaal voor ons allemaal!


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief