Tussen geloof en skepsis (II)
1973-01-26
In mijn vorige artikel (vgl, "Opbouw" 29 september 1972, pag. 200-202) waarin Bürki's analyse van Petter Moens dagboek ter sprake kwam, heb ik inleidend opgemerkt dat het leerzaam zou zijn om aan de hand van het originele dagboek Bürki's keuze der citaten en zijn interpretatie te toetsen.- Jaargang 17
- nummer 4
Door een voetnoot van Bürki op pag. 15 was ik in ieder geval op de hoogte 'Van het bestaan van een Duitse en Engelse vertaling . Maar deze vertalingen bleken' uitverkocht, niet meer leverbaar te zijn en er bestonden klaarblijkelijk geen plannen voor een herdruk.
Navraag bij verschillende bibliotheken en antiquariaten hadden evenmin resultaat en zo verscheen, het artikel in "Opbouw" met een aantal gefundeerde maar onopgehelderde twijfels omtrent Bürki's visie. De laatste mogelijkheid bleek het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te zijn, die niet alleen de Engelse vertaling, maar ook de in 1952 bij uitgeverij Daamen, 's-Gravenhage verschenen Nederlandse editie van het dagboek bleek te bezitten ... "Uit de diepte heb ik geroepen". J. Stellingwerff had 'als inleider van "Tussen geloof en skepsis" ons deze informatie niet mogen verzwijgen.
Mijn twijfel aan Bürki's interpretatie van Petter Moens geloof, of bekering als men hetzo wil noemen, berust op zijn aanname dat Moen's gebed is verhoord en dat hij een werkelijke Christus-ontmoeting heeft ervaren.
(het visioen!) Bürki stelt dat de nieuwe mensis geboren en het begin van de weg van het geloof hemis gegeven. (pag. 72) Externe factoren zijn het z.i. die Petter Moens geloofsleven in de weg bleven staan (Moens leven tot dusverre, gebrek aan medemenselijke hulp, tijdnood). Ondanks het feit dat Moen afziet van zijn "ziels-mikroskopie" en zijn aandacht richt op zijn medegevangenen, hecht Bürki zeer veel waarde aan de innerlijke omvorming die zich intussen in Moens zieleleven zou ontpoppen en waarvan hij verwacht dat zij eenmaal openlijk aan het daglicht zal treden.
Op grond van een aantal dagboekcitaten wil ik mijn vermoeden staven dat dit optimisme ongegrond is, en dat Bürki m.i. bewust enige onthullende dagboekcitaten weglaat.
Om het proces enigszins na te kunnen gaan moeten wij aanknopen bij het einde van Petter Moen's eenzame opsluiting (de derde fase). Op de 78e dag geeft Moen een oordeel over zijn gekoesterde religieuze verlangen naar levensheiliging en genade. Hij schrijft: "Het religieuze verlangen werkt geheel als een wensmechanisme.
Gedurende ogenblikken als nu - als ik heel zakelijk denk en er geen krachtig gevoel in het spel is - liggen de conclusies over mijn zelfwaarneming kant en klaarnuchter - zonder illusies en overtuigend.
Alles komt mij rechtlijnig en wetmatig voor, begrijpelijk, zelfs als het nog niet begrepen is.
Een proces als "bekering" b.v. heeft zijn wetten. In zekere omstandigheden kan zij plaats vinden - moeilijk te definiëren voor het algemene geval maar - geloof ik - gemakkelijk als causa generis in het individuele geval te begrijpen. Als ik dan vraag: Ben ik zelf rijp voor zo'n proces? Dan ...
Wel! ik merk dat mijn hand weigert er aan mee te werken na het A der logica ook het B te zeggen. Dat is een teken - dat is ook een antwoord. Maar het B der logica is: nee - op orthodox religieuze basis zal Petter Moen niet "bekeerd" kunnen worden. Hij kan geen weg vinden die ratio en credo verenigt ...
Gevangene nr. 5842 is daar bedroefd over - Hamlets schaduw valt weer over het toneel.
"Irh riahet euch wieder schwankende Gestalten ... "
Vier weken later ziet Petter Moen weemoedig terug op zijn eenzame opsluiting. Hij beschrijft deze belevenis als dagen vervuld van een intense crisisstemming. Zo is zijn conclusie op de 106e dag: "Ik zal nooit de lange dagen vergeten toen de eenzaamheid, de angst en de onrust voor de toekomst en de zorg over vrouwen vrienden me er toe dreven het nog éénmaal met de wijsheid der vaderen te proberen. Met een droeve zucht moet ik constateren dat deze poging een negatief resultaat heeft opgeleverd.
Ik vond nergens een steunpunt voor het geloof of de overtuiging dat er iets goddelijks tot of in mij sprak. Ik vond wel de WENS daartoe, maar die wens is zeer gemakkelijk uit de drift tot zelfbehoud en egoïsme te verklaren. Ik kan tot geen enkel ander resultaat komen dan dat mijn volkomen oprechte poging mij weer terugvoerde tot het standpunt dat ik al twintig jaar heb ingenomen: Er bestaat geen waarheid buiten de mens. ALLES vindt zijn oorsprong in de mens zelf en dit geldt ook alle gedachten en gevoelens omtrent "God"."
Uit het volgende dagboekcitaat blijkt duidelijk waarom Petter Moen niet meer over de toestand aan het "innerlijk front" wil schrijven. Deze motivering wordt door Bürki overigens niet genoemd. Aldus de 113e dag: "Tot nader order moet ik alle innerlijke vraagstukken in dit teken laten blijven staan: De grondstemming is: Het kan niet "verdommen" hoe het met me gaat. Voor mij is er geen "verlossing" .. Ik zal altijd door het leven moeten gaan met die spleen die als een steen op mij drukt en mij in al mijn handelen en voornemens beïnvloedt en remt - en met de dood als de enige werkelijke geliefde.
Daarom wil ik niet meer over de positie van "het innerlijk front" schrijven. Maar TOCH reserveer ik ruimte voor "de uiterste nood" - en een microscopisch kleine hoop op "guidance". Amen.
Petter Moen spreekt over een soort stilte die gevallen is in zijn binnenkamer, zonder dat er evenwel orde op zaken is gesteld.
Door de uiterlijke omstandigheden (de tegenwoordigheid van gezelschap) lijkt het alsof de innerlijke crisis die ieder moment weer zou kunnen uitbarsten wordt opgeschort.
Werkelijke rust vindt Petter Moen niet en op de 122e dag stemt het hem verdrietig dat er geen "verlossing" is.
Hij blijft bezig met het probleem uit de tijd van zijn eenzame opsluiting maar iedere poging om een theologisch plan in zijn lot te ontdekken wordt door de ratio als een gevaarlijke aanslag afgeweerd.
Bürki vermeldt de aanvallen van "Hamletisme” die Petter Moen te verduren heeft en zijn verweer daartegen nml. iedere gedachte aan zijn lot te verdringen. Deze toestand resulteert uiteindelijk in een definitieve stellingname die hij op de 175e dag en nog uitvoeriger op de 189e dag neerschrijft.
Het zijn m.i. déze passages die Bürki heeft weggelaten. Het "antwoord" dat Moen op zijn innerlijke problemen geeft is zo sterk vanuit zijn individuele situatie gedacht dat iedere ingreep van buitenaf - de genade Gods niet uitgesloten - hierop wel moet afketsen.
"Voor mij is de tijd in eenzame opsluiting een grote belevenis geweest. Het was een religieuze ervaring - eindelijk! Zij leerde mij in de allereerste plaats dat "het religieuze" UITSLUITEND emotioneel is.
Het is noch een kwestie van het denken noch van de wil. Het is GEVOEL - dat uit behoefte wordt geschapen.
Opvoeding en traditie leggen zekere vormen van geloof kant en klaar voor ons neer en die worden dan op grond van de emotionele waarde die eraan inhaerent is aanvaard . . . De behoefte aan "verlossing" wordt door angst en lijden geschapen en heeft de volkomen aardse verlossing voor ogen.
In de nood - in handen van de vijand duikt de gedachte aan een "hogere macht" dan die van de vijand op met een kracht en een vanzelfsprekendheid die uit de drift tot zelfbehoud en de wil om zich te verdedigen voortspruit. Deze door de natuur gegeven elementen voor een religieuze mentaliteit worden "gerationaliseerd" in een stelsel van theo-logie-wijsheid over "God" of de "goden".
Deze rationalisatie wordt met alle logica waar het individu of zijn milieu over beschikt doorgevoerd.
Zij vertegenwoordigen een tijd lang geheel de geldende geestelijke ervaringen van het dan levende geslacht. Die tijd is wat de orthodox christelijke theologie betreft allang voorbij. Die kon in 's mensen gemoed zegevieren toen hij nog niet de magische cirkel van de wensdroom had verbroken. Die is nu verbroken. MET MIJN VERSTAND heb ik dat al EERDER geweten. Nu is de zaak ook duidelijk een "aangelegenheid des harten".
Intellectueel en emotioneel is aan de kwestie - dit religieuze vraagstuk - de volgende "oplossing" of antwoord gegeven: Degeen die zoekt vindt zichzelf. Hij vindt zijn eigen angst - zijn hulpeloosheid in de macht van de vijand en zijn "himmelstrebende" wens naar verlossing uit de angst en de dood en het lijden.
Degeen die mij (hem) van deze "boze machten" kan verlossen is waarlijk "god".
Degeen die deze mijn gedachten en gevoelens kan mortificeren is waarlijk ook een grootmacht."
Op de 18ge dag schrijft Petter Moen: "Bijzonder vaak keer ik in gedachten terug naar de tijd van mijn eenzame opsluiting en het Victoria Terras (de plaats waar Petter Moen gefolterd werd). Ik gedenk dan met een onbeschrijflijke weemoed de angst en het lijden en de tranen en de haast uitzinnige vastbeslotenheid om een geestelijke wedergeboorte te bereiken.
Van deze wedergeboorte - of als men wil - van deze bekering - droomde ik en ik verlangde ernaar als naar de grote hernieuwing van krachten die mij zowel naar geest als naar lichaam groei en welzijn zouden moeten brengen. "Nu of nooit" zei ik en BAD ik. De "honderdduizend" glipte me uit de vingers. Wat op die spanning volgde is ontstellend banaal en deprimerend. Ik zeg tot mezelf: "Je hebt een fiasco geleden". Wat ik hiermee bedoel wil, waarschijnlijk zeggen dat ik teleurgesteld ben. Die teleurstelling geldt allermeest mijzelf en mijn eigenschappen en vermogens. Je kunt geen goud branden uit slakken. Alles eindigt met die oude "menselijke" gemeenplaats - "je moet je er maar doorslaan zo ftoed als je kunt". Wat duivel! Geef mij maar een echt Strindbergs inferno!"
Als een soort bewijs van zijn eigen intelligentie brengt Petter Moen naar voren dat een bewering over Gods existentie noch te bewijzen noch te logenstraffen is. De bewering van de gelovige dat God hem troost en helpt kan niet geloochend worden. (190e dag) Ondertussen is duidelijk geworden dat God voor Petter Moen NIET bestaat en dat hij het religieuze als wensdroom van menselijke makkelijk opvat.
Ik kan het niet anders zien dan dat Petter Moen op een niet-gelovige wijze getracht heeft de goddelijke genade als middel te bemachtigen om een fysieke en geestelijke wedergeboorte te bewerkstelligen. Talloze malen vinden wij uitspraken of indicaties dat deze wedergeboorte zou moeten plaatsvinden BUITEN het geloof om. Eens te meer lijkt mij bewezen dat het wederom Moens ijdelheid is die gekwetst naar voren komt, en dat hij als individu niet in staat is om deze nederlaag die hij heeft geleden op moreel-geestelijk niveau te verwerken. Onder dergelijke omstandigheden schijnt het me toe dat Petter Moen - ook indien hij in leven was gebleven - tamelijk onontvankelijk zou zijn gebleven voor menselijke toenadering juist op dit punt.
De menselijke toenadering juist wat het geloof betreft heeft Moen namelijk niet gezocht bij zijn medegevangenen. Zelfs in de tijd van de eenzame opsluiting wanneer hij wekelijks met de kapper -' die een gelovig Christen is - wordt geconfronteerd is hij niet tot die geestelijke openheid in staat, die zijn leven in een "verlossend" perspectief had kunnen zetten.
Typerend is juist dat Moen steeds terugverlangt naar eenzaamheid, niet alleen omdat hij introvert van nature is, maar m.i, óók omdat de persoonlijke prestatie die Moen zichzelf blijktwillen afdwingen verklaarbaar wordt door zijn piëtistische achtergrond!
Voordat ik op dit aspect van de zaak terugkom, wil ik met een enkel citaat weergeven hoe Petter Moen zich tot het probleem van deze eenzaamheid verhoudt. Zo schrijft hij b.v. op de 14e dag: "Verscheidene malen heb ik gedacht dat ik toch het liefste alleen zit. Ik heb eenzaamheid nodig voor zelfonderzoek" ...
Op de 23e dag schrijft hij na een verhoor dat zonder martelingen verliep: "Heb ik dan nu mijn angst en mijn gebeden tot God vergeten? ° nee - nu pas voel lik in volle omvang wat de vraag betekent: voert mijn weg tot God? Ik heb de eenzaamheid ,van de gevangeniscel nodig om me daarin te verdiepen." Op de 54e dag schrijft hij: "Ondanks alles ben ik blij in eenzame opsluiting te zitten, ik kan hier zonder schroom de stem van mijn hart volgen."
(wordt vervolgd)